Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3179

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
23-000959-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld in een winkel in de binnenstad van Amsterdam. In strafmatigende zin rekening gehouden met de beperkte aanranding en dat het handelen van de verdachte niet van meet af aan ingegeven was door het oogmerk van zelfverrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000959-18

datum uitspraak: 29 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-148462-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

15 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 augustus 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere aansteker(s), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of winkel [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, en/of zijn mededader

- om zich heen heeft/hebben geslagen en hierbij [benadeelde 2] tegen de borst heeft/hebben geduwd, en/of

- [benadeelde 2] tegen de arm en/of op het lichaam heeft/hebben geslagen, en/of

- [benadeelde 1] in het gezicht, althans op het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam, heeft/hebben geslagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal met geweld. Hij heeft daartoe aangevoerd - kort gezegd – dat er geen sprake is geweest van een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, dat de verdachte geen geweld heeft uitgeoefend en dat bovendien kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de aangevers.

Het hof is van oordeel dat de verweren hun verwerping vinden in de gebezigde bewijsmiddelen, waarbij het hof opmerkt dat het geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers waar het de kern van het de verdachte verweten feit betreft. Hetgeen de raadsman dienaangaande heeft opgemerkt, maakt dat niet anders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 augustus 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen aanstekers toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij om zich heen heeft geslagen en hierbij

[benadeelde 2] tegen de arm heeft geslagen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 600 euro, te vervangen door 12 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ten bedrage van 250 euro met een proeftijd van 1 jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in een winkel in de binnenstad. Op het moment dat hij de winkel wilde verlaten en werd tegengehouden, heeft hij geweld toegepast. Met zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van de eigenaren van het betreffende winkelbedrijf. Ook heeft hij de lichamelijke integriteit van één van de winkeleigenaren aangetast.

Diefstal met geweld wordt, gelet op de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, in beginsel bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een dergelijke strafmodaliteit acht het hof in deze zaak niet passend. Daarbij is van belang dat het geweld en de daarmee gepaard gaande aanranding van het lichaam van het slachtoffer beperkt zijn geweest en dat in dit geval het handelen van de verdachte – hoewel strafrechtelijk te kwalificeren als diefstal – niet van meet af aan was ingegeven door het oogmerk van zelfverrijking, als wel de behoefte om de gang van zaken rond een niet soepel lopende aankoop vlot te trekken. Ook heeft het hof meegewogen dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 augustus 2019, niet eerder ter zake geweldsdelicten is veroordeeld.

Alles afwegende zal het hof in dit bijzondere geval overgaan tot de oplegging een deels voorwaardelijke taakstraf. Gelet op de ernst van het feit kan evenwel niet, zoals door de rechter in eerste aanleg is opgelegd en zoals is gevorderd door de advocaat-generaal, worden volstaan met een (al dan niet voorwaardelijke) geldboete.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 150,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot het bedrag dat thans nog voorligt en dat ter zake daarvan een schadevergoedings-maatregel dient te worden opgelegd.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard.

Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en is hij jegens haar gehouden tot vergoeding van de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade. Namens de verdachte is de vordering van de benadeelde partij niet inhoudelijk betwist. De vordering komt het hof ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal derhalve naar maatstaven van billijkheid worden toegewezen tot het bedrag van

€ 100,00.

Het toe te wijzen bedrag zal - als gevorderd - worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

2 (twee) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 5 augustus 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 augustus 2019.

mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum is buiten staat dit arrest mee te ondertekenen.