Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
200.233.099/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burgerlijk procesrecht. Comparitie na antwoord in hoger beroep. Zaak is na de comparitie ter beslissing toegedeeld aan drie andere raadsheren dan ten overstaan van wie de comparitiezitting heeft plaatsgehad. Recht op nadere mondelinge behandeling. Aan partijen wordt gelegenheid gegeven een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de nieuwe raadsheren. Artt. 16 Rv; art. 6 EVRM.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:859.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.233.099/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : 2573589 \ CV EXPL 13-30492

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 augustus 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.A.M. Ansink te Haarlem,

tegen

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C. Nekeman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en UWV genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 28 januari 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 31 oktober 2014, dat in een geding met bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen hem als eiser en UWV als gedaagde.

In bovengenoemd hoger beroep hebben partijen ieder een memorie ingediend en hun zaak daarna ter zitting doen bepleiten. Vervolgens heeft het hof bij arrest van 12 april 2016 met zaaknummer 200.169.889/01 het bestreden vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Bij dagvaarding van 2 februari 2018 heeft [appellant] , kort gezegd, bij dit hof een vordering tegen UWV ingesteld tot herroeping van bovengenoemd arrest, op de grond dat UWV bedrog heeft gepleegd in het geding dat tot dat arrest heeft geleid. UWV heeft bij conclusie geantwoord en hierbij tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn vordering, althans tot ontzegging daarvan, geconcludeerd. Beide partijen hebben producties overgelegd.

Daarop heeft het hof een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen als bedoeld in de artikelen 87 en 88 Rv in verbinding met het bepaalde in artikel 385 Rv. De hiertoe gehouden comparitiezitting heeft plaatsgehad op 21 september 2018. Partijen hebben hun standpunten ter zitting mondeling nader toegelicht. Zij hebben geen schriftelijke spreekaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

Aan partijen is vervolgens gelegenheid gegeven te concluderen voor repliek en dupliek. [appellant] heeft hierop een conclusie van repliek ingediend, met nadere producties. UWV heeft een conclusie van dupliek ingediend.

[appellant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1.

Ter beoordeling liggen thans voor de vordering van [appellant] tot herroeping van het arrest van 12 april 2016 met zaaknummer 200.169.889/01 van dit hof en hetgeen UWV tot verweer daartegen heeft aangevoerd. Bij de beoordeling hiervan wordt het volgende voorop gesteld.

2.2.

Nadat UWV een conclusie van antwoord had ingediend, heeft in deze zaak een comparitie van partijen plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Dit brengt mee dat de beslissing over de vordering en het verweer in beginsel behoort te worden gegeven door de raadsheren ten overstaan van wie de comparitie heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt strekt ertoe te waarborgen dat het verhandelde tijdens de comparitiezitting daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing.

2.3.

De zaak is, na verdere conclusiewisseling, echter ter beslissing toegedeeld aan drie andere raadsheren van dit hof. Dat was noodzakelijk, aangezien twee van de raadsheren ten overstaan van wie de comparitie heeft plaatsgevonden, niet meer bij dit hof werkzaam zijn, terwijl de derde raadsheer als gevolg van een herverdeling van werkzaamheden binnen het hof niet met de verdere behandeling van deze zaak is belast. Het voorgaande brengt mee dat de raadsheren die thans over de zaak moeten beslissen, geen kennis hebben van het verhandelde tijdens de comparitiezitting, te minder nu van die zitting geen proces-verbaal is opgemaakt. Het onder 2.2 beschreven uitgangspunt komt aldus in het gedrang.

2.4.

Aan partijen behoort daarom gelegenheid te worden gegeven een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de raadsheren die over hun geschilpunten zullen beslissen. Bij die behandeling zullen partijen hun geschilpunten desgewenst opnieuw of nader aan de orde kunnen stellen. Het hof zal de zaak daartoe naar de onder 3 te noemen roldatum verwijzen. Partijen zullen dan (i) hetzij kunnen verzoeken om pleidooi of om een nadere comparitiezitting, in beide gevallen onder gelijktijdige opgave van verhinderdata, (ii) hetzij kunnen mededelen dat zij verlangen dat arrest wordt gewezen zonder nadere mondelinge behandeling, dus op de grondslag van de in dit geding van weerszijden ingediende stukken.

2.5.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 24 september 2019 voor uitlating door elk van partijen zoals onder 2.4 vermeld, welke uitlating in het geval van een verzoek om pleidooi of om een nadere comparitiezitting vergezeld moet gaan van een opgave van verhinderdata;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, F.J. Verbeek en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.