Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3098

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
200.255.915/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.255.915/02

zaaknummer rechtbank: C15/268713 / FA RK 18-82

beschikking van de meervoudige kamer van 20 augustus 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het incident,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.L. Verhoeven te Haarlem,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het incident,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Koudstaal te Haarlem.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 12 december 2018 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is in de zaak met zaaknummer 200.255.915/01 op 11 maart 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Op 17 april 2019 heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van die beschikking gedaan.

2.2

Het hof heeft partijen bij brief van 25 april 2019 schriftelijk bericht dat het voornemens is de behandeling van het schorsingsverzoek op de stukken af te doen. Partijen hebben niet doen blijken van bezwaren daartegen. Aan de vrouw is een termijn voor het indienen van een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek verleend.

2.3

De vrouw heeft op 13 mei 2019 een verweerschrift in het incident ingediend.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 27 augustus 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 augustus 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

In voornoemde echtscheidingsbeschikking is het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen.

3.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, een uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) bepaald van € 2.543,- per maand met ingang van 1 januari 2018.

4.2

De man verzoekt in het incident de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van bovengenoemde beslissing te schorsen.

4.3

Het verweer van de vrouw strekt tot afwijzing van het verzoek van de man in het incident.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling van het hof ligt voor of de werking van de bestreden beschikking dient te worden geschorst.

5.2.

De man voert ter onderbouwing van zijn schorsingsverzoek aan dat hij daarbij een evident belang heeft omdat hij ieder dubbeltje moet omdraaien om – naast de partneralimentatie – alle lopende lasten te kunnen blijven voldoen en omdat de kans gering is dat hij de teveel betaalde partneralimentatie terug zal ontvangen van de vrouw mocht het tot aanpassing komen in hoger beroep. Er is sprake van na de bestreden beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden. De vrouw heeft bij de procedure in eerste aanleg geen feitelijke of recente informatie over haar inkomen willen verschaffen. Zij heeft slechts haar ib-aangifte 2016 overgelegd en zich ook na gerichte vragen hierover geen uitsluitsel gegeven over de wijze waarop de partneralimentatie aan haar zijde zal worden belast. De man is er echter mee bekend dat de vrouw in 2009, 2010 en 2011 een negatief inkomen had. Dat negatieve inkomen mag zij in de daaropvolgende negen jaren verrekenen met (te) ontvangen positieve inkomsten. Dit heeft tot gevolg dat zij over de door haar (te) ontvangen partneralimentatie feitelijk geen inkomstenbelasting schuldig is, zodat die partneralimentatie voor haar een netto uitkering is. De man is bij die stand van zaken geen hoger bedrag verschuldigd aan de vrouw dan haar netto behoefte.

De man is van mening dat hij daardoor inmiddels al veel meer heeft voldaan dan op grond van de behoefte van de vrouw verschuldigd zou zijn. Het belang van de man bij schorsing is dan ook groter dan het belang van de vrouw bij tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking.

5.3

De vrouw voert verweer. Zij is in de eerste plaats van mening dat de man klaarblijkelijk geen spoedeisend belang heeft bij zijn schorsingsverzoek nu alleen al zijn hoger beroepschrift op het allerlaatste moment is ingediend. Voorts voert zij aan dat zij bij toewijzing van het schorsingsverzoek in een financiële noodsituatie zal geraken. Zij heeft volstrekt onvoldoende inkomsten om in haar onderhoud te voorzien. Zij is arbeidsongeschikt. De vrouw betwist dat zij het recht heeft om negatief inkomen in mindering te brengen op haar (alimentatie)inkomsten. En zelfs als dat wel het geval zou zijn, dan bestaat nog steeds een restbehoefte. Zij heeft de afgelopen jaren haar eventuele negatieve inkomen in ieder geval niet verrekend. De man verdient thans meer dan genoeg om aan zijn verplichtingen te voldoen. Er is geen sprake van een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Het belang van de vrouw bij het ontvangen van de door de rechtbank bepaalde partneralimentatie is groter dan het belang van de man bij schorsing. Indien na de beschikking van het hof zou blijken dat de man teveel alimentatie heeft betaald, dan is er gedurende de twaalfjarige alimentatietermijn nog voldoende ruimte voor verrekening van het teveel betaalde, aldus de vrouw.

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie kan de schorsing van de werking van de bestreden beschikking worden bevolen indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Van een dergelijk misbruik is sprake indien de executant (hier: de vrouw), mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde (hier: de man), geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van de bevoegdheid om in afwachting van de uitspraak in hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan met name sprake zijn indien de bestreden beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien er klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand ontstaat op grond van na de bestreden beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. Bij de beoordeling van het schorsingsverzoek behoort de kans van slagen van het hoger beroep in de regel buiten beschouwing te blijven

Indien al zou moeten worden geoordeeld dat de door de man gestelde mogelijkheid tot fiscale verrekening is te beschouwen als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, dan nog is het aan de man om te stellen en, bij betwisting door de vrouw, aannemelijk te maken dat hij door betaling van de door de rechtbank bepaalde partneralimentatie in een noodtoestand komt. Uit hetgeen de man heeft aangevoerd volgt niet dat daarvan sprake is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het feit dat de man ieder dubbeltje zou moeten omdraaien om alle lopende lasten te kunnen voldoen, naast de partneralimentatie, wat daarvan zij, geen noodtoestand oplevert.

Voorts is van belang dat, voor zover al sprake zou zijn van compensabele verliezen aan de zijde van de vrouw, voor de beoordeling van de vraag of, en zo ja, welke gevolgen dat heeft voor de aanvullende (bruto) behoefte van de vrouw en voor de uiteindelijke vaststelling van de partneralimentatie (waarvoor wellicht een jusvergelijking nog aangewezen is) een inhoudelijke beoordeling nodig is, waarvoor de onderhavige schorsingsprocedure onvoldoende houvast biedt. Dat debat hoort thuis in de hoofdzaak, waarvan de mondelinge behandeling is bepaald op 17 oktober 2019.

De conclusie van het hiervoor overwogene is dat niet kan worden gezegd dat tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking misbruik van executiebevoegdheid oplevert, zodat het hof het schorsingsverzoek zal afwijzen.

5.5

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.N. van de Beek en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 20 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.