Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3090

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
200.248.168/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:5024
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding en (internationale) bevoegdheid Nederlandse rechter;

gewone verblijfplaats verwerende partij in andere lidstaat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2019/74.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.248.168/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/630642 / FA RK 17-3935 (JK/MD)

Beschikking van de meervoudige kamer van 20 augustus 2019 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , Ierland,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.L.M. Smeets te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , Ierland,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 10 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 11 juli 2018. Bij het hof is op 23 oktober 2018 een brief ingekomen van de zijde van de vrouw van 22 oktober 2018, betreffende een correctie van het petitum van het beroepschrift.

2.2

De man heeft op 13 december 2018 een verweerschrift met aangehechte producties ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 oktober 2018 met bijlage, ingekomen op 26 oktober 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 mei 2019 met daarbij een brief van gelijke datum van mr. Smeets waarin een wijziging van het petitum is opgenomen en waarbij producties in het geding worden gebracht, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 17 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2019.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 29 mei 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig de tolk in de Engelse taal M.G.A. Bink. De advocaten hebben de standpunten ter zitting toegelicht aan de hand van overgelegde notities.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1990 te [plaats A] , gelegen in County [X] te Ierland, met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Uit het huwelijk zijn drie, thans meerderjarige, kinderen geboren, te weten [kind 1] , geboren [in] 1992, [kind 2] , geboren [in] 1994, en [kind 3] , geboren [in] 1997.

3.2

De akte waarin de Engelstalige huwelijkse voorwaarden zijn beschreven is gedateerd 1 maart 1990 en de akte bevat een verklaring van partijen dat Nederlands recht van toepassing zal zijn op de “proprietary consequences of their marriage”.

3.3

De vrouw heeft de Ierse nationaliteit en haar gewone verblijfplaats is gelegen in Ierland. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken van de vrouw. De rechtbank kwam tot deze slotsom, nadat zij tot het oordeel was gekomen dat de man (evenals de vrouw) ten tijde van de indiening van het verzoek tot echtscheiding en nevenverzoeken zijn gewone verblijfplaats in Ierland had.

4.2

De vrouw verzoekt in hoger beroep, na wijziging van haar verzoek als verwoord in de brief van mr. Smeets van 17 mei 2019, met vernietiging van de bestreden beschikking, voor recht te verklaren dat de rechtbank (internationaal) bevoegd is van het verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken van de vrouw kennis te nemen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam voor een inhoudelijke beoordeling van de in eerste aanleg gedane verzoeken.

4.3

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep dan wel haar verzoek af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Zoals uiteengezet onder 4.1 tot en met 4.3 gaat het in dit geschil om de vraag naar de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Zoals partijen ook hebben aangegeven, dient de – ambtshalve – beoordeling van deze vraag onder de hierboven geschetste feiten en omstandigheden te geschieden aan de hand van de maatstaf, beschreven in artikel 3, lid 1, aanhef en sub a Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II-bis), waarin is aangegeven dat internationale bevoegdheid kan worden aangenomen in het geval de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat. Het begrip “gewone verblijfplaats” is in jurisprudentie nader uitgewerkt en betreft “de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn”. In de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een aantal omstandigheden dat hierbij een rol kan spelen nader geduid, zoals de duur en de regelmatigheid van het verblijf, de omstandigheden van en de redenen voor het verblijf, de nationaliteit van de persoon en de familiale en sociale banden.

5.2

De vrouw heeft in hoger beroep drie grieven geformuleerd die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. De vrouw stelt dat niet is vast komen te staan dat de man het permanente centrum van zijn belangen in Ierland heeft gevestigd. Zij wijst er op dat partijen tot 2001 hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben gehad en dat vooral dient te worden gekeken naar de wens van de betrokkene om in een lidstaat zijn permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen, maar dat dit voor de man nimmer het geval is geweest. Voor zover al zou worden aangenomen dat de man in 2001 het voornemen had zijn gewone verblijfplaats te verplaatsen van Nederland naar Ierland, dient op grond van hetgeen de vrouw heeft gesteld te worden aangenomen dat dit voornemen nimmer door de man is uitgevoerd en dat de man op het moment van indiening van het verzoekschrift nog steeds zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Subsidiair, voor zover het hof zou aannemen dat ook de man zijn gewone verblijfplaats in 2001 heeft verplaatst naar Ierland, stelt de vrouw dat de man ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats weer in Nederland had.

De man bestrijdt – kort gezegd - dat de door de vrouw voorgedragen feiten en omstandigheden tot de slotsom moeten leiden dat de gewone verblijfplaats van de man ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was en voert daartoe het nodige aan.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vrouw tezamen met de kinderen in 2001 naar Ierland is verhuisd. Haar gewone verblijfplaats ten tijde van de indiening van het verzoekschrift op 7 juni 2017 was ook (nog) Ierland.

De man heeft aangevoerd dat hij in 2001 met het gezin naar Ierland is verhuisd en ook het hof gaat daarvan uit, in die zin dat ook de gewone verblijfplaats van de man destijds is verplaatst naar Ierland. Daartoe is onder meer redengevend dat de man en de vrouw destijds de echtelijke woning in [plaats B] hebben verkocht, waarbij zij de verkoopopbrengst hebben aangewend voor de aankoop van de huidige woning in Ierland, de woning in Ierland door partijen in mede-eigendom is verkregen, en dat de inboedel destijds vanuit de woning in [plaats B] naar Ierland is overgebracht. Partijen hebben destijds een afscheidsfeest gehouden in [hotel] in [plaats C] waarover verklaringen voorliggen door de man overgelegd als productie 15b en 15c eerste aanleg.

De man heeft sindsdien en tot 2005 (het moment van aanschaf van het appartement [adres] te [plaats D] (hierna: het appartement [adres] )) tijdens zijn tijdelijk verblijf in Nederland in verschillende woningen verbleven. Het appartement [adres] kan, gelet op de door de man overgelegde foto’s, gezien de welstand van partijen en gezien de waarde van de woning in Ierland en het gegeven dat een deel van het appartement [adres] aan derden wordt verhuurd, niet anders worden gezien dan een pied-à-terre in [plaats D] ten behoeve van de man.

In eerste aanleg is al tussen partijen vastgesteld dat partijen en hun drie kinderen zich in 2001 in Nederland hebben uitgeschreven en zich in Ierland hebben ingeschreven. In hoger beroep heeft de man nog een bewijs bijgebracht van het aanvragen en verkrijgen van een Iers Personal Public Service Number, enigszins vergelijkbaar met een Nederlands BSN (burger servicenummer), per 11 april 2002, terwijl niet ter discussie staat de vaststelling van de rechtbank dat de man door alle overheidsinstanties, zowel in Nederland als in Ierland, op het adres in Ierland wordt aangeschreven en dat de man – in ieder geval tot 2017 - in Ierland belastingplichtig is.

Ter zitting in hoger beroep is voorts nog besproken dat ook de man zich in Ierland heeft geregistreerd voor het (passief) kiesrecht, waarbij de man onbetwist heeft verklaard dat hij al iets van tien tot twaalf jaren van het lokale kiesrecht gebruik kan maken en daar ook gebruik van heeft gemaakt.

Voorts is van belang dat de man in Ierland hockeycoach is geweest ten behoeve van de door zijn dochter beoefende hockeysport. De vrouw heeft deze verklaring ter zitting bevestigd en aangegeven dat de man tot [kind 2] dertien à veertien jaar oud was als zondagse activiteit hockeycoach was. Gelet op de toelichting van de man ter zitting heeft de man aldus jarenlang op regelmatige basis op de zondagen zich bij de lokale hockeyclub bezig gehouden met hockeytrainingen en het organiseren van wedstrijden. Ook liggen gegevens voor omtrent andere sociale activiteiten van de man, zoals zijn voorzitterschap van de […] Association en het regelmatig gebruik van de voorzieningen van de fitnessclub van [L] in [woonplaats] , zoals uiteengezet en onderbouwd in productie 10 bij verweerschrift in hoger beroep.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden volgt het hof de vrouw ook niet in haar stelling dat de man niet de intentie heeft gehad het centrum van zijn belangen te vestigen in Ierland; in dit verband is van belang dat sprake is van een bestendige situatie, gelet op de lange duur van hiervoor beschreven activiteiten. Het gegeven dat de man in verband met zijn ondernemingsactiviteiten vaak in Nederland heeft verbleven en dat deze ondernemingen in Nederland hun (statutaire) vestigingsplaats hebben, doet niet af aan het voorgaande. In dit verband heeft de man ook gewezen op zijn reguliere reisschema, waarbij de man op dinsdagmorgen vanuit Ierland naar Nederland reisde, en op donderdagavond terugvloog naar Ierland. De man heeft ter onderbouwing van dat standpunt in eerste aanleg als productie 23 en in hoger beroep als productie 16 een groot aantal (uitdraaien van elektronische) reserveringen van vluchten vanuit [woonplaats] naar [plaats D] en vice versa overgelegd. De enkele, niet nader onderbouwde, betwisting van de vrouw, onder meer inhoudende dat niet vaststaat dat de man ook werkelijk gebruik heeft gemaakt van de boekingen, is onvoldoende om anderszins aan te nemen. Het hof merkt nog op dat het gegeven dat partijen het appartement [adres] hebben aangehouden, en dat de man een tandarts en huisarts, apotheek, fysio- en manueel therapeut in Nederland heeft aangehouden, in het licht van het vorenstaande niet voldoende gewicht in de schaal legt om het standpunt van de vrouw te ondersteunen. Juist vanwege het reguliere reisschema van de man, kan de man deze voorzieningen als passend hebben ervaren, zonder dat daarmee het centrum van zijn belangen in Nederland is komen te liggen.

5.4

De vrouw heeft subsidiair aangevoerd dat de gewone verblijfplaats van de man in ieder geval ten tijde van indiening van het verzoekschrift, op 7 juni 2017, in Nederland was gelegen. Deze stelling heeft de vrouw niet voldoende onderbouwd. Dat de man over 2017 belastingaangifte in Nederland heeft gedaan – hetgeen de man ook heeft erkend - en in Nederland medische kosten heeft gemaakt, is in het licht van de onder rechtsoverweging 5.3 vastgestelde omstandigheden niet doorslaggevend. Aan de onderbouwing door de vrouw dienen bovendien hoge eisen te worden gesteld, temeer nu van de zijde van de man onderbouwd met stukken (productie 3 bij verweerschrift) is aangevoerd dat de man in de periode maart tot en met juli 2017, zijn omzet van ondernemingsactiviteiten volledig in Ierland genereerde en dat hij op advies van de financiële adviseur in Ierland aangifte in Nederland heeft gedaan. Ook de vrouw heeft aangevoerd dat de man in 2017 meer tijd dan voorheen in Ierland heeft doorgebracht in verband met werkzaamheden van de man voor [organisatie] . In dit verband heeft de man ter zitting in hoger beroep nog verklaard dat hij in de periode van januari 2017 tot april/mei 2018 voor [organisatie] in Ierland business development, marketing en verkoop heeft verzorgd. Daarmee heeft de man een nadere onderbouwing gegeven van zijn stelling dat hij, juist in de periode voorafgaande aan de indiening van het verzoekschrift, veel van zijn tijd in Ierland heeft doorgebracht, hetgeen aansluit bij de voornoemde productie.

5.5

De feiten en omstandigheden en stellingen die de vrouw voor het overige heeft aangevoerd, voor zover in het voorgaande niet besproken, leiden niet tot een ander oordeel. Het hof komt aldus tot de vaststelling dat het standpunt van de man, dat de gewone verblijfplaats van de man als verweerder in deze echtscheidingsprocedure niet is gelegen in Nederland, slaagt. Daarmee dient de slotsom te zijn dat de Nederlandse rechter niet (internationaal) bevoegd is van het geschil tussen partijen kennis te nemen. De beschikking van de rechtbank Amsterdam dient in deze zin te worden bekrachtigd en de verzoeken van de vrouw in hoger beroep komen niet voor toewijzing in aanmerking.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam, op 11 juli 2018 tussen partijen gewezen;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M.C. Schenkeveld en mr. M.T. Hoogland, bijgestaan door de griffier en is op 20 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken.