Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3085

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
200.261.734/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Spoed kort geding. Samenwerkingsovereenkomst omtrent het plaatsen van zonnepanelen op daken bedrijfsgebouwen. Leidt intrekking van afgegeven subsidiebeschikkingen tot einde van de overeenkomst? Appellanten vorderen nakoming. Vragen van uitleg. Evenals de voorzieningenrechter acht het hof in onvoldoende mate waarschijnlijk dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, tot toewijzing van de vorderingen zal komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2019/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.261.734/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/664005/KGZA 19-316

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 augustus 2019

inzake

PURE ENERGIE ZON-IJMUIDEN B.V.,

gevestigd te Enschede,

RAEDTHUYS ZON B.V.,

gevestigd te Enschede,

advocaat: mr. M.W.F. Oosterhuis te Rotterdam,

tegen

TATA STEEL IJMUIDEN B.V.,

gevestigd te IJmuiden,

geïntimeerde,

advocaat: mr. O.V. Lamme te Amsterdam.

Appellanten worden hierna gezamenlijk Pure Energie c.s. en ieder afzonderlijk Pure Energie en Raedthuys Zon genoemd. Geïntimeerde wordt Tata Steel genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Pure Energie c.s. zijn bij dagvaarding van 18 juni 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2019, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen Pure Energie c.s. als eiseressen en Tata Steel als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord met producties;

- akte overlegging producties van de zijde van Pure Energie c.s.;

- akte overlegging productie van de zijde van Tata Steel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 juli 2019 doen bepleiten, Pure Energie c.s. door mrs. A.H. Vermeulen en A.M. Brugmans, advocaten te Rotterdam en Tata Steel door mrs. O.V. Lamme, A.D. Polkerman en W.P.J. van Keulen, advocaten te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Pure Energie c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog hun vorderingen zal toewijzen met veroordeling van Tata Steel in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

Tata Steel heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Pure Energie c.s. met veroordeling van Pure Energie c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep.

2 Feiten

2.1.

De door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis opgesomde feiten zijn afgezien van de door grief 1 bestreken feiten niet betwist. Ook het hof zal daar van uitgaan voor zover in hoger beroep nog van belang, waarbij rekening is gehouden met hetgeen Pure Energie c.s. bij grief 1 aanvoeren. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn gebleken uit de niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen, komen de feiten neer op het volgende.

2.2.

Raedthuys Zon is een energiebedrijf dat zich richt op de productie van duurzame elektriciteit door zonnecellen.

Pure Energie is een projectvennootschap.

Tata Steel is een producent van staal met fabrieken, kantoren en andere gebouwen in Noord-Holland.

2.3.

Sinds medio 2014 hebben Raedthuys Zon en Tata Steel verkennende gesprekken gevoerd om te onderzoeken of Raedthuys Zon of Pure Energie zonnepanelen kan plaatsen op beschikbare daken van gebouwen van Tata Steel op haar terrein in IJmuiden (hierna: de site IJmuiden).

2.4.

In november 2014 heeft Raedthuys Zon in overleg met Tata Steel dertien aanvragen voor subsidie stimulering duurzame energie (hierna: SDE+ subsidie) ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO).

In de periode van 3 maart 2015 tot en met 8 april 2015 heeft Raedthuys Zon daarop dertien positieve beschikkingen ontvangen (hierna: de SDE+2014 beschikkingen).

2.5.

Op 18 februari 2016 hebben Raedthuys Zon en Tata Steel een intentieverklaring ondertekend waarin zij afspraken te zullen onderhandelen over de totstandkoming van onder meer een samenwerkingsovereenkomst voor de plaatsing van de zonnepanelen. Raedthuys heeft meegedeeld dat Pure Energie het project zal uitvoeren (investeringen en exploitatie) en dat Raedthuys Zon bereid is nadere garanties af te geven.

2.6.

Bij brief van 4 april 2017 hebben Raedthuys Zon en Tata Steel gezamenlijk de Minister van Economische Zaken verzocht om de uiterste datum van ingebruikneming van de zonnepanelen te wijzigen en met één jaar te verlengen tot vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de SDE+ 2014 beschikkingen.

In mei 2017 heeft de Minister Raedthuys Zon en Tata Steel doorverwezen naar de RVO voor het indienen van een ontheffingsverzoek.

2.7.

Partijen hebben op 23 november 2017 een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). Daarin zijn afspraken vastgelegd over het ter beschikking stellen door Tata Steel van daken waarop zonnepanelen kunnen worden geplaatst en het recht van Pure Energie c.s. om voor hun rekening en risico de zonnepanelen aan te brengen en te exploiteren en de daarmee opgewekte energie aan Tata Steel te leveren.

2.8.

Eind oktober 2018 heeft Raedthuys Groep B.V. aan de RVO verzocht de termijn voor ingebruikname van de zonnepanelen te verlengen en de subsidieverlening niet in te trekken na het verlopen van de termijn voor ingebruikname. In reactie daarop heeft de RVO bij brief van 7 november 2018 aan Raedthuys Groep B.V. medegedeeld dat de gevraagde ontheffing op de termijn voor ingebruikname onder een aantal voorwaarden met maximaal één jaar wordt verlengd. Indien aan die voorwaarden wordt voldaan dient ingebruikname, gelet op de data van de in 2015 afgegeven beschikkingen, uiterlijk in de periode van 3 maart 2019 tot en met 8 april 2019 plaats te vinden, aldus de RVO.

2.9.

Bij e-mail van 17 december 2018 hebben Pure Energie c.s. aan Tata Steel laten weten dat het niet is gelukt om aan de voorwaarden van de RVO te voldoen en dat zij daarom van plan zijn om de RVO te verzoeken de SDE+2014 beschikkingen in te trekken waarna zij in de voorjaarsronde van 2019 opnieuw SDE+ subsidies zullen aanvragen voor het project.

2.10.

Na overleg met de RVO hebben Pure Energie c.s. de RVO verzocht om de SDE+2014 beschikkingen in te trekken. Op 18 december 2018 heeft de RVO aan dat verzoek voldaan.

2.11.

Bij brief van 28 februari 2019 heeft Tata Steel aan Pure Energie c.s. medegedeeld dat zij het ongebruikt laten van de SDE+2014 beschikkingen als een ernstige tekortkoming beschouwt en dat zij niet voornemens, noch gehouden is om toestemming te verlenen voor nieuwe subsidieaanvragen. Tata Steel schrijft verder dat de overeenkomst naar haar mening is geëindigd omdat de overeenkomst betrekking had op de SDE+2014 beschikkingen en die beschikkingen niet zijn benut en zijn ingetrokken.

2.12.

Pure Energie c.s. hebben in reactie daarop Tata Steel verzocht te bevestigen dat zij de overeenkomst gestand zal doen. Tata Steel heeft niet aan dat verzoek voldaan.

2.13.

Pure Energie c.s. hebben op 18 maart 2019 vier nieuwe subsidieaanvragen ingediend bij de RVO. In juli 2019 heeft de RVO bij Tata Steel geïnformeerd of Tata Steel toestemming verleent aan Pure Energie c.s. om (opnieuw) subsidie aanvragen in te dienen, waarop Tata Steel ontkennend heeft geantwoord. (Mede) in verband daarmee heeft de RVO de subsidie aanvragen afgewezen.

3 Beoordeling

3.1.

Op 26 maart 2019 hebben Pure Energie c.s. Tata Steel in kort geding gedagvaard en daarbij gevorderd, samengevat en zakelijk weergegeven, om Tata Steel te gebieden haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen, meer in het bijzonder om alle daarmee verband houdende redelijke medewerking te verlenen en haar toestemming voor het verkrijgen van nieuwe SDE+ subsidie niet te onthouden, geen contact met de RVO te zoeken en zich te onthouden van het (laten) indienen van subsidie aanvragen anders dan door Pure Energie c.s., een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Tata Steel in de kosten en nakosten met rente.

3.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd en Pure Energie c.s. in de kosten veroordeeld.

Samengevat en zakelijk weergegeven oordeelde de voorzieningenrechter (rov 4.9) dat beide standpunten van partijen omtrent de uitleg van de overeenkomst verdedigbaar waren. Volgens de voorzieningenrechter is nader feitenonderzoek nodig, waarvoor in kort geding geen plaats is. De vraag of de overeenkomst is geëindigd of dat Tata Steel nog steeds tot de door Pure Energie c.s. gewenste nakoming van de overeenkomst is gehouden kan in kort geding niet worden beantwoord. Dat processuele risico rust op Pure Energie c.s., aldus de voorzieningenrechter.

3.3.

Het hof stelt voorop dat, anders dan Tata Steel betoogt, Pure Energie c.s. een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Pure Energie c.s. hebben onbetwist aangevoerd dat zij binnen zes weken bezwaar zullen maken tegen de afwijzing door de RVO van de in 2019 ingediende subsidie aanvragen en dat in verband met dat bezwaar de beslissing van het hof van belang is.

3.4.

Pure Energie c.s. hebben zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.

De eerste grief betreft de door de voorzieningenrechter tot uitgangspunt genomen feiten. Met deze grief heeft het hof al rekening gehouden (rov. 2.4) en voor zover de grief is gericht tegen de weergave door de voorzieningenrechter van artikel 7 van de overeenkomst kan de grief evenmin tot vernietiging van het vonnis leiden. De rechter is slechts gehouden die feiten op te nemen die naar zijn oordeel noodzakelijk en relevant zijn voor zijn beslissing en de motivering daarvan.

Grief 1 slaagt niet.

Is de overeenkomst geëindigd?

3.5.

In de toelichting op grief 2 (verdeeld in subgrieven) betogen Pure Energie c.s. dat de overeenkomst niet is geëindigd. Hun derde grief (verdeeld in subgrieven) is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat er sprake is van een leemte. Met hun vierde grief (verdeeld in subgrieven) voeren Pure Energie c.s. aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt.

Het hof ziet aanleiding deze grieven gezamenlijk te bespreken.

3.6.

Partijen zijn het er over eens dat de overeenkomst geen leemte bevat. Zij verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de overeenkomst is geëindigd met het intrekken van de SDE+2014 beschikkingen. Pure Energie c.s. beantwoorden die vraag ontkennend, Tata Steel bevestigend.

3.7.

Pure Energie c.s. hebben gewezen op artikel 7 van de overeenkomst dat de contractduur en tussentijdse beëindiging regelt. Meer in het bijzonder hebben Pure Energie c.s. gewezen op artikel 7.3, dat luidt:

Tata Steel heeft het recht deze Overeenkomst op te zeggen indien binnen 48 maanden na de Contractdatum, om welke reden dan ook, de Realisatiefase nog niet is aangevangen (…)

De realisatiefase is in de overeenkomst omschreven als, zakelijk weergegeven, de fase die start met de plaatsing en installatie door Pure Energie c.s. van de zonnepanelen.

3.8.

Volgens Pure Energie c.s. hebben zij dus nog tot november 2021 de tijd om te starten met de realisatie. De overeenkomst is immers op 23 november 2017 gesloten. Op dat moment resteerden nog maar enkele maanden tot de uiterste datum waarop volgens de SDE+2014 beschikkingen de zonnepanelen in gebruik genomen zouden moeten worden. Dat moest immers binnen drie jaar na de in maart en april 2015 afgegeven beschikkingen, dus uiterlijk in maart/april 2018. Volgens Pure Energie c.s. hebben partijen er dan ook bij het sluiten van de overeenkomst rekening mee gehouden dat nieuwe beschikkingen zouden moeten worden aangevraagd. De overeenkomst is niet specifiek gekoppeld aan de SDE+2014 beschikkingen. Pure Energie c.s. verwijzen naar de definitie van ‘Beschikkingen’ in de overeenkomst:

een of meerdere besluiten namens de Minister van Economische Zaken tot het toekennen van een subsidie op grond van de SDE+ regeling voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht door middel van de PV-systemen [hof: zonnepanelen] op de Site IJmuiden

3.9.

Tata Steel heeft betoogd dat de overeenkomst is gesloten om Pure Energie c.s. een kans te geven een project te realiseren waarvoor al subsidie was verkregen. Tata Steel heeft geclausuleerd toestemming gegeven voor het plaatsen van zonnepanelen op haar daken en voor het doen van een subsidie aanvraag. Zij heeft verwezen naar de ‘Intentieverklaring zonne-energie t.b.v. SDE+2014’ van 11 september 2014. Daarin staat onder meer:

Eigenaar [hof: Tata Steel] stelt (het dak van) deze locatie [hof: site IJmuiden] beschikbaar aan Raedthuys Zon BV voor zonnepanelen en geeft Raedthuys Zon BV toestemming voor deze locatie SDE+2014 aan te vragen. Eigenaar en Raedthuys Zon BV zullen inzake de investering en exploitatie van dit project aanvullende afspraken maken (…)

3.10.

Volgens Tata Steel zijn de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende samenwerking gekoppeld aan het bestaan van de oorspronkelijke dertien subsidiebeschikkingen (de SDE+2014 beschikkingen) hetgeen volgens haar blijkt uit:

- aantekeningen naar aanleiding van besprekingen van partijen op 11 en 17 juni 2015 waaruit volgens Tata Steel volgt dat de SDE+2014 beschikkingen als startpunt van het project werden beschouwd;

- de intentieverklaring van 18 februari 2016 waarin in overweging C staat:

Raedthuys – in overleg met Tata Steel – bij RVO voor een 13-tal daken van gebouwen op het terrein van Tata Steel in IJmuiden een SDE+ subsidie heeft aangevraagd in 2014. De positieve beschikkingen inzake deze aanvragen zijn inmiddels allemaal ontvangen. (…)

en in artikel 1:

Project

De intentie van beide partijen is om zonnepanelen op gebouwdaken van Tata Steel te realiseren (…) waarvoor Raedthuys inmiddels de subsidiebeschikkingen ontvangen heeft (hierna: het “Project”)

- de overeenkomst waarin in overweging 5 de overweging C uit de intentieverklaring wordt herhaald en in artikel 1.1 is opgenomen dat tot de overeenkomst ook behoren verschillende bijlagen, waaronder Bijlage 9 welke de SDE+2014 beschikkingen bevat.

3.11.

Het hof stelt het volgende voorop.

Bij beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen partijen is geregeld, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). De rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar worden niet alleen bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. Op grond daarvan moeten zij hun gedrag mede laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Groot gewicht komt toe aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen indien, zoals in dit geval, twee professionele partijen over gedetailleerde bepalingen hebben onderhandeld, bijgestaan door juridische adviseurs.

3.12.

Het hof volgt Pure Energie c.s. niet in hun standpunt dat de taalkundige betekenis van de overeenkomst tot de door hen voorgestane uitleg leidt. Weliswaar wordt in de definitie van ‘beschikkingen’ niet specifiek naar de SDE+2014 beschikkingen verwezen, maar in de overwegingen van de intentieverklaring en van de overeenkomst wel. De taalkundige betekenis van de overeenkomst geeft in dit geval geen antwoord op de vraag of de overeenkomst is geëindigd met het intrekken van de SDE+2014 beschikkingen. Anders dan Pure Energie c.s. hebben aangevoerd wordt dat niet anders doordat in artikel 7 van de overeenkomst niet is voorzien in tussentijdse beëindiging in geval van intrekking van de SDE+2014 beschikkingen. Partijen zijn het er immers (uiteindelijk) wel over eens dat de overeenkomst niet door Tata Steel is ontbonden, opgezegd of beëindigd. Waar het om gaat is of de overeenkomst na intrekking van de SDE+2014 beschikkingen niet meer uitvoerbaar en daarom geëindigd is, wat volgens Tata Steel wel het geval is en volgens Pure Energie c.s. niet.

3.13.

In de door partijen in artikel 7.3 afgesproken termijn van 48 maanden na ondertekening van de overeenkomst kan een aanwijzing worden gezien voor de juistheid van het standpunt van Pure Energie c.s. De zin van die bepaling – volgens welke Pure Energie c.s. immers tot november 2021 de tijd zouden hebben om met het plaatsen van de zonnepanelen (dus nog niet de ingebruikneming daarvan) te starten, is niet zonder meer duidelijk als daarbij in aanmerking wordt genomen dat volgens de SDE+2014 beschikkingen de zonnepanelen uiterlijk in maart/april 2018 in gebruik hadden moeten worden genomen.

3.14.

Tata Steel heeft echter aangevoerd dat ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst men geen aandacht meer aan deze 48 maanden termijn heeft besteed. Pure Energie c.s. hebben dat niet weersproken. Tata Steel heeft verder betwist dat partijen ten tijde van het tekenen van de overeenkomst zich ervan bewust waren dat mogelijk nieuwe subsidie aanvragen zouden moeten worden ingediend. Desgevraagd is van de zijde van Pure Energie c.s. ter zitting van het hof bevestigd dat dit punt niet door partijen is besproken. Tussen partijen is evenmin in geschil dat zij ten tijde van het tekenen van de overeenkomst erop vertrouwden dat de aangevraagde verlenging van een jaar (die dus tijd zou geven tot maart/april 2019) zou worden gegeven. Dan zou dus na ondertekening van de overeenkomst nog een termijn van 16 maanden resteren om de zonnepanelen in gebruik te nemen. Dat die termijn door partijen destijds voldoende werd geacht, volgt uit het feit dat volgens Tata Steel Pure Energie c.s. hen hadden laten weten dat zij de zonnepanelen ‘binnen vijf maanden op het dak zouden kunnen hebben liggen’. Pure Energie c.s. hebben dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.

3.15.

Daarnaast staan tegenover het argument van de 48 maanden termijn en de definitie van beschikkingen in de overeenkomst, de door Tata Steel aangehaalde teksten (zie rov. 3.9. en 3.10) waarin de SDE+2014 beschikkingen staan vermeld. Hoewel die vermeldingen nog niet zonder meer hoeven te betekenen dat in geval van intrekking van die beschikkingen de overeenkomst niet meer uitvoerbaar en geëindigd is, vormen die mogelijk wel aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt van Tata Steel.

3.16.

Evenals de voorzieningenrechter acht het hof beide standpunten verdedigbaar. Voor een nader (feiten)onderzoek ter beantwoording van de vraag of de overeenkomst geëindigd is, is in kort geding geen plaats. Bij deze stand van zaken is thans niet in voldoende mate waarschijnlijk dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, tot toewijzing van de vorderingen van Pure Energie c.s. zal komen.

Belangenafweging

3.17.

Pure Energie c.s. hebben aangevoerd dat een belangenafweging moet worden gemaakt en dat de uitkomst daarvan (toch) tot toewijzing van hun vorderingen moet leiden. Volgens Pure Energie c.s. betekent afwijzing hoogstwaarschijnlijk het einde van het project, terwijl Pure Energie c.s. al ca. € 1 miljoen in het project hebben geïnvesteerd, welke kosten zij alleen terug kunnen verdienen in de exploitatiefase van het project. Tata Steel daarentegen heeft geen belang bij afwijzing van de door Pure Energie c.s. gevraagde voorzieningen, aldus Pure Energie c.s.

Tata Steel heeft dat echter gemotiveerd betwist. Volgens Tata Steel leidt toewijzing van de gevraagde voorzieningen er toe dat zij gedurende drie jaar na afgifte van nieuwe SDE+ beschikkingen wordt geblokkeerd in de mogelijkheid om subsidie aan te (laten) vragen, terwijl Pure Energie c.s. er hoogstwaarschijnlijk niet in zullen slagen het project alsnog gefinancierd te krijgen. Pure Energie c.s. hebben tijdens de pleidooizitting bij het hof desgevraagd laten weten dat de financiering voor het project (nog) niet rond is.

3.18.

Het hof acht dan ook onvoldoende aannemelijk dat Tata Steel geen rechtens te respecteren belang heeft bij afwijzing van de gevraagde voorzieningen. Een belangenafweging kan dan ook niet af doen aan het hiervoor gegeven oordeel dat thans niet in voldoende mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, tot toewijzing van de vorderingen van Pure Energie c.s. zal komen.

3.19.

De grieven 2, 3 en 4 slagen niet. In het verlengde daarvan de grieven 5 (tegen de veroordeling in de proceskosten) en 6 (tegen het dictum) evenmin.

Slotsom

3.20.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Pure Energie c.s. zullen als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Pure Energie c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Tata Steel begroot op € 714,-- aan verschotten en € 3.222,-- voor salaris;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.M. Steenberghe, M.A. Wabeke en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2019.