Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3038

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
23-000698-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne. Bevestiging vonnis m.d.v. dat het hof strafmaatverweer bespreekt inzake LOVS en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000698-19

datum uitspraak: 15 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-219526-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in PI Z-O, Evertsoord Ter Peel, GEV te Evertsoord.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde strafmaatverweer zal bespreken, en acht heeft geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2019.

Bespreking van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde strafmaatverweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat aan de verdachte een zo laag mogelijke straf moet worden opgelegd. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg van Voorzitters in de Strafsectoren van de hoven en rechtbanken (LOVS) betreffende de in- en uitvoer van harddrugs baseren de duur van de gevangenisstraf ten onrechte op het gewicht van deze verdovende middelen. Een hoger gewicht maakt, aldus de raadsman, de koerier nog geen “slechter” persoon. Voorts dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De dochter van de verdachte woont bij de moeder van de verdachte, vertoont rebels gedrag en heeft problemen op school vanwege de detentie van de verdachte. In dit verband heeft de raadsman een brief van 31 juli 2019 van het Korps Politie Suriname Afdeling Jeugdzaken overgelegd. De verdachte kampt met schulden en heeft zich aangemeld bij een psycholoog vanwege een laag zelfbeeld. De verdachte heeft geen justitiële documentatie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het gewicht van door een koerier in- of uitgevoerde harddrugs relevant is voor de bepaling van de ernst van het feit en, daarmee, de strafmaat. Met de rechtbank overweegt het hof dat de ingevoerde hoeveelheid cocaïne, 3.079,6 gram, van dien aard was, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verspreiding en handel. Naarmate er méér cocaïne wordt in- of uitgevoerd, is dat des te schadelijk(er) voor de gezondheid van (méér) personen en gaat dat (mogelijk) gepaard met méér criminaliteit door gebruikers ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Het LOVS heeft oriëntatiepunten vastgesteld die als leidraad kunnen worden gehanteerd bij het bepalen van een passende en geboden straf voor feiten als het onderhavige. Het hof stelt voorop dat genoemde oriëntatiepunten zijn opgesteld ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging bij vaak voorkomende delicten. Naar het oordeel van het hof is het van groot belang dat ook bij feiten als het onderhavige een consistent landelijk straftoemetingsbeleid wordt gevolgd. Het hof neemt deze oriëntatiepunten dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van de straf.

Ingevolge de oriëntatiepunten van het LOVS past bij een gewicht tussen de 3.000 en 4.000 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 30 en 36 maanden.

In de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding minder dan de door de rechtbank opgelegde 30 maanden gevangenisstraf op te leggen. Het hof heeft oog voor de situatie waarin de verdachte zich bevindt, maar is van oordeel dat de verdachte zich voorafgaand aan het delict had kunnen en moeten realiseren dat haar handelen negatieve consequenties zou (kunnen) hebben voor haar eigen leven en voor dat van haar dochter.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. M.M. van der Nat en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 augustus 2019.

[…]