Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3032

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
23-003796-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf voor het plegen van een groot aantal vermogensdelicten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003796-18

datum uitspraak: 29 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-119617-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem als feiten 2 en 8 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte in die zaak onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het in die zaak ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode tussen 18 en 21 mei 2018 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, diverse goederen, waaronder een of meer bankpas(sen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

3.
hij op of omstreeks 18 juni 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, althans in Nederland een goed te weten een motor (merk: Triumph Street Triple, voorzien van kenteken [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2018 tot en met 15 juni 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland een goed te weten een scooter (merk: Piaggio, type C38)heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2018 tot en met 15 juni 2018 te Amsterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, een of meer goed(eren) te weten

- een kentekenplaat [kenteken 2] en/of

- een kentekenplaat [kenteken 3] en/of

- een kentekenplaat [kenteken 4] heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.
Primair:

hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 15 juni 2018 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een motorfiets (merk: Honda, type Vfr750 f, kenteken [kenteken 5] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen motorfiets onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Subsidiair:
hij op of omstreeks 18 juni 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed, te weten een motor (merk: Honda, type Vfr 750 f, voorzien van kenteken [kenteken 5] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7.
hij op of omstreeks 18 juni 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, een goed te weten een motorfiets (merk: Suzuki, type SV1000 S, voorzien van kenteken [kenteken 6] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

9.
Primair:

hij in of omstreeks 20 april 2018 tot en met 24 april 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, uit een voertuig (merk: Mercedes Benz 639 Vito 109 Cd)(diverse) gereedschap(pen) (waaronder een Makita accuboor en/of een Makita acculader en/of een Bosch boormachine) in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van braak, inklimming, verbreking en/of een valse sleutel;

Subsidiair:
hij in de periode van 12 juni 2018 tot en met 18 juni, 2018 te Amsterdam en/of Krommenie en/of Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, een of meer goed(eren) te weten:

- een tweetal boormachines merk Bosch,

- valbeveiliging,

- boormachine merk Makita,

- haakse slijper merk Makita,

heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat deze goederen door misdrijf was/waren verkregen;

10.
hij in of omstreeks 01 mei 2018 tot en met 18 juni 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, een goed te weten een auto (merk: Opel en/of type: Combo) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

11.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2018 tot en met 18 juni 2018 te de Woude, gemeente Castricum, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer goederen, te weten:

Motor, Yamaha [kenteken 7] ,

Motor, Ducati [kenteken 8]

Motor, Kawasaki [kenteken 9]

Motor, BMW [kenteken 10]

Motor, Ducati [kenteken 11]

Kentekenplaat, [kenteken 12] Tomos bromfiets

Kentekenplaat, [kenteken 13] Vespa Piaggio

2 x Kentekenplaat, [kenteken 14] BMW

Kentekenplaat, [kenteken 15] , Opel Combo

Makita haakse slijper, [nummer 2]

Kentekenplaat, [kenteken 16] [nummer 1] ,

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Nadere overwegingen omtrent het bewijs

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte en de medeverdachte alleen een koffiezetapparaat en

bankpassen hebben weggenomen. De overige in de aangifte genoemde goederen zijn door derden tijdens een eerdere inbraak buitgemaakt.

Het hof overweegt als volgt.

Vast staat dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] zich in de ten laste gelegde periode middels inklimming de toegang tot het bedrijfspand van de aangever hebben verschaft. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de in de aangifte genoemde goederen tijdens een daaraan voorafgegane inbraak door derden zijn weggenomen. De daartoe ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte is onvoldoende onderbouwd en niet verifieerbaar. Dat op de plaats delict een biologisch spoor is aangetroffen van een onbekend gebleven persoon maakt dit niet anders, nu het een kantoorpand betreft en dit spoor zeer wel afkomstig kan zijn van iemand die daar werkte of anderszins rechtmatig aanwezig is geweest. Het hof acht bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] de in de aangifte genoemde goederen hebben weggenomen.

Ten aanzien van feit 9

In de periode van 20 april 2018 tot en met 24 april 2018 is uit een bedrijfsauto van [bedrijf 2] gereedschap weggenomen. Een deel van dat gereedschap is in een door de verdachte gehuurde bus aangetroffen en een ander deel in de woning van de medeverdachte. Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof niet bewezen dat de verdachte deze diefstal heeft (mede)gepleegd. Wel is de heling van dat gereedschap bewezen, met dien verstande dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een nauwe en bewuste samenwerking bij de heling, zodat de verdachte van het medeplegen wordt vrijgesproken en alleen wordt veroordeeld voor de heling van de bij hem aangetroffen goederen.

Ten aanzien van feit 10

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte feitelijke zeggenschap heeft gehad over de Opel Combo. Weliswaar is er een DNA-spoor aangetroffen op de pook van de auto, maar dat is op zichzelf onvoldoende redengevend. Zelfs indien wel bewezen kan worden dat de verdachte de auto op enig moment verworven heeft, dan volgt uit het dossier niet dat hij op dat moment had moeten vermoeden of weten dat de auto uit misdrijf afkomstig was.

Het hof overweegt als volgt.

Voor de woning van de verdachte is een uit misdrijf afkomstige Opel Combo aangetroffen. Op de versnellingspook van de auto is een biologisch spoor aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. De auto was voorzien van een gestolen kentekenplaat. De originele kentekenplaat van de Opel Combo, te weten [kenteken 15] , is aangetroffen in een door de verdachte gehuurde garagebox. In deze garagebox bewaarden hij en de medeverdachte [medeverdachte] uit misdrijf afkomstige goederen (hetgeen onder feit 11 is tenlastegelegd en bewezen zal worden verklaard). Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het hof bewezen acht dat de verdachte de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de Opel Combo en dat hij tijdens de verkrijging wist dat deze uit misdrijf afkomstig was. In dit laatste betrekt het hof het feit dat de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode tussen 18 en 21 mei 2018 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, diverse goederen, waaronder bankpassen, toebehorende aan [bedrijf 1], heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming.

3.
hij op 18 juni 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, een motor (merk: Triumph Street Triple, voorzien van kenteken [kenteken 1] ) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

4.
hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 15 juni 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad, een scooter (merk: Piaggio, type C38) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

5.
hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 15 juni 2018 te Amsterdam en/of Zaandam, meerdere goederen, te weten kentekenplaat [kenteken 2] , kentekenplaat [kenteken 3] en kentekenplaat [kenteken 4] , heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

6.

Primair:
hij in de periode van 13 juni 2018 tot en met 15 juni 2018 te Amsterdam een motorfiets (merk: Honda, type Vfr750 f, kenteken [kenteken 5] ) toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen motorfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

7.
hij op 18 juni 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, een motorfiets (merk: Suzuki, type SV1000 S, voorzien van kenteken [kenteken 6] ) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

9.
Subsidiair:
hij in de periode van 12 juni 2018 tot en met 18 juni 2018 te Amsterdam meerdere goederen, te weten een boormachine (merk Makita) en een haakse slijper (merk Makita), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

10.
hij in de periode 1 mei 2018 tot en met 18 juni 2018 te Krommenie, gemeente Zaanstad, een auto (Opel Combo) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.


11.
hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 18 juni 2018 te De Woude, gemeente Castricum, tezamen en in vereniging met een ander meerdere goederen, te weten:

- een motor (Yamaha met het kenteken [kenteken 7] );

- een motor (Ducati met het kenteken [kenteken 8] );

- een motor (Kawasaki met het kenteken [kenteken 9] );

- een motor (BMW met het kenteken [kenteken 10] );

- een motor (Ducati met het kenteken [kenteken 11] );

- een kentekenplaat [kenteken 12] ;

- een kentekenplaat [kenteken 13] );

- een kentekenplaat [kenteken 14] ;

- een kentekenplaat, [kenteken 15] ;

- een haakse slijper (merk Makita, voorzien van het nummer [nummer 2] );

- een kentekenplaat [kenteken 16] ;

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Het onder 3, 4, 7 en 10 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

opzetheling.

Het onder 5 en 9 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

telkens:

opzetheling, meermalen gepleegd.

Het onder 6 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het onder 11 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de advocaat-generaal een aantal bijzondere voorwaarden gevorderd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met een ander goederen, waaronder bankpassen, gestolen uit een bedrijfspand. Een bedrijfsdiefstal levert de gedupeerde ondernemer niet alleen materiële schade op, maar bezorgt deze ook frustratie en ongemak. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de heling van kentekenplaten, gereedschap en een groot aantal voertuigen. Om precies te zijn: zes motoren, vijf scooters/motorfietsen en één auto. Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een motorfiets. Door zo te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor het eigendomsrecht van anderen, waarbij hij, door niet alleen zelf goederen te stelen maar tevens door anderen gestolen goederen te verwerven, bijdraagt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juli 2019 is hij eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Uit het reclasseringsadvies van 21 augustus 2018 komt naar voren dat verdachte ten tijde van de delicten door het hebben van een eigen bedrijf stress en hoge werkdruk ervoer. Om tijdens lange werkdagen wakker te blijven, gebruikte hij speed. Mede door het middelengebruik heeft verdachte impulsieve beslissingen genomen, waarbij hij onvoldoende heeft nagedacht over de gevolgen op langere termijn. Daarnaast is de verdachte beïnvloedbaar als het gaat om ‘makkelijk' geld verdienen en heeft hij een negatief sociaal netwerk. De combinatie van deze factoren en een financieel motief hebben geleid tot verdachtes strafbare gedrag. Om het gevaar voor herhaling in te dammen, adviseert de reclassering om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering en verplichte ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek van [naam] .

Op 22 mei 2019 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. Eén van de voorwaarden was dat hij zich zou melden bij [naam] en dat hij zou meewerken aan een ambulante behandeling. Aan deze voorwaarden heeft de verdachte voldaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij aan het werk is, geen verdovende middelen meer gebruikt en dat hij graag hulp blijft krijgen van de reclassering en [naam] .

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof komt, net als de advocaat-generaal, tot een langer voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dan de rechtbank, omdat het onwenselijk wordt geacht dat de verdachte opnieuw voor deze feiten gedetineerd zal worden. Het hof acht het met het oog op het voorkomen van recidive van belang dat de verdachte de door hem ingeslagen weg voortzet. Daartoe zal het hof bij het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden stellen als door de reclassering geadviseerd, zodat de verdachte hulp en begeleiding blijft krijgen bij het op orde houden van zijn leven.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt na aftrek van de uitkering door een verzekeringsmaatschappij
€ 7.387,22. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft de omvang van de schade slechts onderbouwd met een Excel-sheet. Naar aanleiding van deze onderbouwing leven bij het hof te veel vragen om de schade concreet te kunnen beoordelen. Het hof is daarom van oordeel dat het bepalen van de schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 27,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien geen rechtstreeks verband tussen de heling en de schade kan worden vastgesteld.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de concrete omstandigheden van het geval is onvoldoende verband gebleken tussen de door de verdachte gepleegde helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.037,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien een rechtstreeks verband tussen het handelen van de verdachte en de schade ontbreekt en omdat het niet past de dagwaarde van de motor als schadebedrag op te voeren.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag komt het hof redelijk over, zodat de verdachte gehouden is tot vergoeding van die schade.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.124,97. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien geen rechtstreeks verband tussen de heling en de schade kan worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de concrete omstandigheden van het geval is onvoldoende verband gebleken tussen de door de verdachte gepleegde helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 606,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien geen rechtstreeks verband tussen de heling en de schade kan worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de concrete omstandigheden van het geval is onvoldoende verband gebleken tussen de door de verdachte gepleegde helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 823,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien geen rechtstreeks verband tussen de heling en de schade kan worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de concrete omstandigheden van het geval is onvoldoende verband gebleken tussen de door de verdachte gepleegde helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.198,48. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien geen rechtstreeks verband tussen de heling en de schade kan worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de concrete omstandigheden van het geval is onvoldoende verband gebleken tussen de door de verdachte gepleegde helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.100,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien geen rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde en de schade kan worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 8 tenlastegelegde.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 9 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 9 subsidiair, 10 en 11 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich binnen een week na de datum waarop dit arrest wordt gewezen meldt bij [naam] op het adres [adres 2] en zich daar zal blijven melden op afspraken met de reclassering zolang en zo vaak als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- meewerkt aan de intakeprocedure en het hieruit voortvloeiende behandelaanbod bij de Forensisch Polikliniek van [naam] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, daaronder begrepen de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname voor maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, als de reclassering dit noodzakelijk acht. De verdachte dient zich te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener hem voor de behandeling geeft.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Ov-jaarkaart (931744);

- Rugzak (931743);

- Bankpas (oranje, Rabobank) (931748);

- Bankpas (blauw, Rabobank) (931764).

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 6 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.037,00 (tweeduizend zevenendertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 6 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.037,00 (tweeduizend zevenendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 juni 2018.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. P.F.E. Geerlings en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juli 2019.

mr. P.F.E. Geerlings en mr. M.L.M. van der Voet zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.