Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3031

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
23-001591-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging van twee ex-partners. Bij de tweede stalking heeft zij zich bovendien niet gehouden aan een aanwijzing en heeft zij valse aangifte gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001591-18

datum uitspraak: 17 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-706811-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van 27 juni 2016 tot en met 4 oktober 2016 te Amsterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door onder andere veelvuldig berichten te sturen naar die [benadeelde 1] via Facebook en/of whatsapp en/of account(s) op Facebook en/of Instagram aan te maken op naam van [benadeelde 1] en via dit/deze account(s)(voor [benadeelde 1] belastende/bedreigende) berichten te sturen naar derden en/of bestellingen/reserveringen te doen vanuit de naam van die [benadeelde 1].

2.
zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2014 tot en met 22 maart 2015 te Amsterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door onder andere veelvuldig berichten te sturen naar die [benadeelde 2] via whatsapp en/of mail en/of bestellingen te doen vanuit naam van die [benadeelde 2].

3.
zij op of omstreeks 4 oktober 2016 te Amsterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 10 augustus 2016 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam immers heeft verdachte opzettelijk een (openbaar) Facebook account aangemaakt op naam van [benadeelde 1] en/of via dit account een vriendschapsverzoek gestuurd naar de moeder van die [benadeelde 1] en/of (openbaar) foto('s) geplaatst op dit account met de teksten "Did you miss her" en "I'm watching her".

4.
zij op of omstreeks 22 juli 2016 te Zaandijk, in elk geval in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door [benadeelde 1], wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging ten aanzien feit 2

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en heeft hiertoe in de kern aangevoerd dat de door de verdachte gepleegde gedragingen niet geschikt waren om een ander vrees aan te jagen, dan wel te dwingen iets te doen of te dulden.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij in de periode van 1 februari 2014 tot en met 22 maart 2015 aan [benadeelde 2] e-mails en WhatsApp berichten heeft gestuurd en uit zijn naam bestellingen heeft gedaan omdat zij zijn aandacht wilde. Het betreft een variëteit aan en een veelheid van gedragingen. Gelet op de aard en inhoud van de berichten en de bestellingen en de frequentie ervan, is zonder meer duidelijk dat [benadeelde 2] hiermee opzettelijk is lastiggevallen waardoor inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De gedragingen van de verdachte waren daarbij van dien aard dat zij zonder meer geschikt waren om hem vrees aan te jagen, hem te dwingen contact met haar op te nemen en te dulden dat er een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer werd gemaakt. Dat de verdachte, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, mogelijk is opgegaan in haar eigen fantasie en daarin is blijven hangen, en aandacht wilde, maakt vorenstaande niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij in de periode van 27 juni 2016 tot en met 4 oktober 2016 te Zaandam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1], met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door onder andere veelvuldig berichten te sturen naar die [benadeelde 1] via Facebook en WhatsApp en accounts op Facebook aan te maken op naam van [benadeelde 1] en via deze accounts voor [benadeelde 1] belastende en bedreigende berichten te sturen naar derden en bestellingen en reserveringen te doen vanuit de naam van die [benadeelde 1].

2.
zij in de periode van 1 februari 2014 tot en met 22 maart 2015 te Zaandam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 2], met het oogmerk die [benadeelde 2], te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, door onder andere veelvuldig berichten te sturen naar die [benadeelde 2] via WhatsApp en e-mail en bestellingen te doen vanuit naam van die [benadeelde 2].

3.
zij op 4 oktober 2016 te Zaandam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing van 10 augustus 2016 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam immers heeft verdachte opzettelijk een Facebook account aangemaakt op naam van [benadeelde 1] en via dit account een vriendschapsverzoek gestuurd naar de moeder van die [benadeelde 1] en openbaar foto's geplaatst op dit account met de teksten "Did you miss her" en "I'm watching her".

4.
zij op 22 juli 2016 te Zaandijk aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door [benadeelde 1], wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

belaging.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 20 uren voor het gedeelte van feit 2 waarop het jeugdstrafrecht van toepassing is, subsidiair 60 dagen hechtenis. De rechtbank heeft bepaald dat op de voet van artikel 77p, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht de bijbehorende jeugddetentie, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, ten uitvoer wordt gelegd als vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de advocaat-generaal dezelfde bijzondere voorwaarden gevorderd als de rechtbank heeft opgelegd.

De raadsvrouw heeft verzocht een (deels voorwaardelijke) taakstraf op te leggen.

Het hof overweegt ten aanzien van het toepasselijk sanctierecht het volgende. De verdachte was ten tijde van het plegen van het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde meerderjarig. Bij aanvang van het onder 2 bewezen verklaarde, te weten in de periode 1 februari 2014 tot en met 17 augustus 2014, was de verdachte minderjarig. In de daaropvolgende periode tot en met 22 maart 2015 was de verdachte meerderjarig. Uitgangspunt van de wet is dat een verdachte voor een feit tijdens minderjarigheid gepleegd, wordt bestraft overeenkomstig het strafrecht voor jeugdigen. Artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht bepaalt echter dat het hof meerderjarigenstrafrecht kan toepassen indien het hof daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het is gepleegd. Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit en de samenhang binnen dit feit en tussen dit feit en de feiten 1, 3 en 4, alsmede de omstandigheid dat de verdachte inmiddels meerderjarig is, het opleggen van één straf met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht is aangewezen. Het hof merkt in dit verband (ten overvloede) nog op dat over (de persoon van) de verdachte een rapport van 12 juni 2017 is uitgebracht door [naam 1] GZ-psycholoog en [naam 2], psycholoog NIP. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte – in ieder geval vanaf de datum van het onderzoek – haar eigen gedrag kan organiseren en zij niet jonger overkomt dan haar kalenderleeftijd, en dat pedagogische aanpak niet noodzakelijk is.

Het hof heeft, met inachtneming van het voorgaande in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Nadat de relatie van de verdachte met aangever [benadeelde 2] uitging, heeft zij hem meer dan een jaar lang vele berichten gestuurd: niet alleen onder haar eigen naam maar ook, op verhullende wijze, met gebruikmaking van een alias: ‘[naam 3]’. De berichten vormden niet alleen wegens het (deels dreigende) karakter, maar ook wegens de veelheid en variëteit daarvan op indringende, angstaanjagende en vervreemdende wijze een uiterst belastende inbreuk op het privéleven van het slachtoffer. De verdachte heeft bovendien op naam van de aangever erotische bestellingen bij webwinkels gedaan hetgeen evenzeer, gelet op de aard van dergelijke artikelen, een ongewenste inmenging in het persoonlijke leven van de verdachte vormde, terwijl hem daarmee eveneens veel overlast is bezorgd.

Na de belaging van [benadeelde 2] heeft de verdachte zich gedurende een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan belaging van aangever [benadeelde 1], nadat deze de relatie met de verdachte beëindigde. Zij stuurde berichten en gebruikte ook het alias: “[naam 4]’. In deze berichten werden intieme details van de relatie tussen de verdachte en de aangever genoemd. Ook leek het er, in strijd met de waarheid, op, dat “[naam 4]” bedreigingen met de dood uitte richting de verdachte zelf. De belaging intensiveerde toen de verdachte de aangever een rouwkaart stuurde waarin, wederom in strijd met de waarheid, stond dat zij zou zijn overleden en er op social media op zijn naam nepprofielen verschenen van personen die zich voordeden als de aangever en beweerden dat hij achter de vermeende belaging van de verdachte zat. Het behoeft geen betoog dat dergelijke gedragingen: het “framen” als dader op angstaanjagende wijze diep hebben ingegrepen in het (privé)leven van het slachtoffer, zeker toen derden naar diens woning kwamen om verhaal te halen. Terwijl de aangever werd lastig gevallen en oprecht vreesde voor het leven van de verdachte, dacht de buitenwereld dat hij de stalker was.

De verdachte heeft daarnaast opzettelijk in strijd met een gedragsaanwijzing gehandeld.

Daardoor heeft zij niet alleen blijk van gegeven zich niets gelegen te laten aan een beslissing van het bevoegde gezag maar ook gehandeld in strijd met de belangen die deze gedragsaanwijzing trachtte te beschermen.

Ook heeft zij een valse aangifte gedaan. Daarmee heeft zij justitie kunnen misleiden en de politie extra werk bezorgd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof uitvoerig met de verdachte gesproken. Uit haar verklaring, evenals uit de rapporten van psycholoog [naam 2] van 12 juni 2017 en de reclassering van 19 januari 2017 en 3 juli 2017, komt het volgende naar voren. Ten tijde van de belaging van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] was de verdachte een jong en deels minderjarig meisje. Zij kampte met negatieve ervaringen uit haar jeugd en beschikte niet over de juiste vaardigheden om het beëindigen van de relaties met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te verwerken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ze spijt heeft van wat ze [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft aangedaan. Ook heeft ze verklaard dat ze de laatste jaren een sterke persoonlijke groei heeft doorgemaakt. Ze heeft meer zelfvertrouwen gekregen en heeft sinds kort een relatie. De verdachte realiseert zich dat ze hulp nodig heeft om de positieve ontwikkelingen door te zetten en om te voorkomen dat ze een terugval krijgt.

De ernst van de feiten rechtvaardigt, zelfs indien de jeugdige leeftijd van de verdachte (ten tijde van de bewezenverklaarde feiten) in aanmerking wordt genomen, het opleggen van een gevangenisstraf. Deze straf zal echter in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, waarbij enerzijds wordt beoogd de verdachte in de gelegenheid te stellen de positieve ontwikkelingen in haar leven voort te zetten terwijl daarmee anderzijds wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het hof zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd en door de rechtbank zijn opgelegd. Hoewel de verdachte te kennen heeft gegeven dat zij professionele hulp kan gebruiken en dat zij dat zelf kan regelen, is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat zij daartoe (nog steeds) geen stappen heeft ondernomen. Om die reden zal een meldplicht, een ambulante behandeling en (eventueel) een persoonlijkheidsonderzoek als bijzondere voorwaarden worden gesteld.

Daarnaast zal het hof met het oog op de ernst van het feiten een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf als hieronder aangegeven en een taakstraf als hieronder vermeld passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een (deels voorwaardelijke) taakstraf, zoals door de raadsvrouw verzocht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.800,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in haar geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij de gestelde schade met onvoldoende concrete gegevens heeft onderbouwd. Bij gebreke van een rapport van een deskundige kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden en – als dat al het geval is – dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze schade en het handelen van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het hof de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk houdt voor het bewezen geachte feit, is daarmee de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade gegeven. De wet regelt in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Wanneer sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze (zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW), komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking. Belaging kan een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren dat ook zonder geestelijk letsel sprake is van aantasting in de persoon.

Zoals overwogen is door de verdachte op indringende wijze een grote inbreuk op het persoonlijk leven van [benadeelde 1] gemaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer maken dat de gevorderde immateriële schade toewijsbaar is. Het hof zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid schatten op € 1.800,00 waarbij in het bijzonder is gelet op de volgende omstandigheden:

  • -

    de kwaliteit van het leven van het slachtoffer is aangetast;

  • -

    de verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen van het slachtoffer en zijn leven op een ernstige manier beheerst;

  • -

    de reputatie van het slachtoffer is beschadigd doordat derden dachten dat hij de verdachte stalkte en met de dood bedreigde en bij hem langs zijn geweest om verhaal te halen;

De verdachte is tot dat bedrag tot vergoeding van die immateriële schade gehouden.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 77b, 184a, 188 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland ([adres 2]), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen, teneinde zich ambulant te laten behandelen.

- dat de veroordeelde, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, moet meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek.

Geeft aan de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.800,00 (duizend achthonderd euro) ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1, 3, 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.800,00 (duizend achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 4 oktober 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. F.M.D. Aardema en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juli 2019.

De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.