Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:303

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
29-01-2020
Zaaknummer
200.241.836/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Ondernemingskamer verwerpt het beroep tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms van 26 februari 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2019/63
AR-Updates.nl 2020-0230
Onderwijs Totaal 2020/1044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer : 200.241.836/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 10 januari 2019

inzake

de stichting

STICHTING VECHTDAL COLLEGE,

gevestigd te Hardenberg,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. J. Streefkerk, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

DE MEDEZEGGENSCHAPSRAAD VAN HET VECHTDAL COLLEGE,

gevestigd te Hardenberg,

VERWEERDER,

advocaat: mr. H.R.T.M. van Ojen, kantoorhoudende te Nijmegen.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zal verzoekster worden aangeduid als de Stichting en verweerder als de MR.

1.2

De Stichting is bij op 29 juni 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift, met producties, in beroep gekomen tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms (hierna: de commissie) van 30 mei 2018 met nummer 107952, voor zover gewezen tussen de MR als verzoeker en de Stichting als verweerster. In deze uitspraak heeft de commissie kort gezegd geoordeeld dat het besluit van 20 juli 2017 met betrekking tot de wijziging van het beleid in de duurzame samenwerking van het Vechtdal College met de Landstede Groep niet in stand kan blijven en de Stichting de verplichting opgelegd geen handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit. De Stichting heeft de Ondernemingskamer verzocht de bestreden uitspraak te vernietigen en de voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer in het belang van de Stichting en het Vechtdal College geraden acht.

1.3

De MR heeft bij op 9 oktober 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer primair verzocht de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de MR verzocht het beroep ongegrond te verklaren.

1.4

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 1 november 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en wat de Stichting betreft, onder overlegging van een op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere productie. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De vaststaande feiten

2.1

De Stichting vormt het bevoegd gezag van het Vechtdal College, een school voor voortgezet onderwijs met locaties in Hardenberg, Ommen en Dedemsvaart.

2.2

Op 21 maart 2013 heeft de Stichting de MR gevraagd om advies en instemming ter zake van het voorgenomen besluit “Versterking van het Vechtdal College door samenwerking met de Stichtingen van de Landstede-groep”, waarbij de Stichting onderdeel zou worden van de Stichting Bestuur Landstede Groep (hierna: Landstede Groep), waartoe meerdere onderwijsstichtingen behoren die elk het bevoegd gezag vormen voor een of meer scholen.

Het voorgenomen besluit houdt onder meer het volgende in:

“De samenwerking krijgt gestalte door het benoemen van de bestuurders van de Landstedegroep, als College van Bestuur van het Vechtdal College (verder te noemen “de bestuurders”).

Het Vechtdal College:

-behoudt hierbij zijn zelfstandigheid zoals die zich uit in

* eigen Statuten die ongewijzigd blijven bij aanvaarding van dit besluit

* eigen brinnummer 02UX

* eigen MR

-verkrijgt onder brinnummer 02UX bekostiging; alle gelden van de bekostiging komen ten goede aan het Vechtdal College zoals zal blijken uit de Vechtdal College-begrotingen die door de bestuurders worden vastgesteld. (…)

Samenvatting van de toelichting op de keuze

(…)
De zorg dat de samenwerking leidt tot “opgaan in een grote groep” of “verlies aan autonomie” (…) behoeft (…) echter ook niet groot te zijn, aangezien de Stichting Vechtdal College zelfstandig blijft, zijn eigen geldstroom behoudt en een zelfstandige MR heeft die zich uitspreekt over het beleid ten aanzien van het Vechtdal College. Samenwerking, die moet leiden tot voordelen voor allen, houdt in dat het Vechtdal College in zekere mate in het gareel van de Landstede groep moet lopen. Maar de mate waarin dat gebeurt is steeds een beslissing van de school zelf. (…)”

2.3

De MR heeft positief geadviseerd over en ingestemd met het voorgenomen besluit tot samenwerking. Sindsdien valt het bestuur van en het toezicht op het Vechtdal College onder de verantwoordelijkheid van het college van bestuur van de Landstede Groep, dat een personele unie vormt met het college van bestuur van de Stichting. De aansturing van de drie locaties van het Vechtdal College valt onder de verantwoordelijkheid van de op die locaties aangestelde directeuren, die samen het Directieteam vormen.

2.4

Op 5 november 2014 heeft het Directieteam aan de MR voor zover van belang het volgende geschreven:

“Vanaf 1 juli 2013 is het CvB Landstede ook ons CvB. We zijn gestart in een bijzondere constructie (vaker omschreven als status aparte) die is vastgelegd in een startdocument (…) in het voorjaar van 2013. Na anderhalf jaar maken we de balans op.

(…)

De eerder genoemde status aparte hebben we leren waarderen als een soort Geuzennaam. Die aparte status betrof met name de bijzondere positie ten opzichte van de overige scholen van Landstede en (niet in het minst) de serviceorganisatie. (…)

Enkele voorbeelden:

- ons financieel beleidsplan met een eigen allocatie-systematiek geldt nog steeds;

- er is geen verplichte afname van diensten bij Landstede en dus ook geen verplichte bijdrage in de kosten ervan;

- een nieuw directiestatuut werd opgesteld en geeft grote mate van zelfstandigheid (…)

Hoe verder?

Wat ons betreft gaan we op de ingeslagen weg verder. Ruimte voor ontwikkeling is er zeker. (…) Maar dat alles gebaseerd op een besturingsfilosofie waar we ons allen wel bij voelen: maximaal decentraal, zonder dat dat apart is.”

2.5

Op 20 juli 2017 heeft [A] , bestuurssecretaris van het college van bestuur van de Stichting, aan [B] , lid van het Directieteam, voor zover van belang het volgende geschreven:

“Hierbij ook nog even via de e-mail de terugkoppeling uit het CvB overleg van 18-7-2017 ten aanzien van de integratieopdracht aan de projectdirecteur bedrijfsvoering Vechtdal College (i.c. [C] ).

Inhoudelijk

Het CvB wil graag dat de basis voor de opdracht van [C] gestoeld is op de synergie-opdracht die (…) destijds heeft geschreven. (…) Het kader van de opdracht is daarmee niet de overeenkomst uit 2013, maar de oude synergie-opdracht en alles wat daarna in beleidsmatige afspraken is vervat. Te hanteren uitgangspunten zijn:
(…)
1. Vervolg op de ovk 2013; namelijk het beleid dat voortschrijdend is vastgesteld (…)

3. Vervolg op fase 1 uit de synergie-opdracht (…), uitvoering van de opdracht van het CvB naar aanleiding van opdrachten van de accountant en RvT.

4. Het Vechtdal College doet volwaardig mee binnen de Groep en dat houdt in dat het niet een cafetaria model is. Mee doen is met alle plussen/lusten en minnen/lasten.

(…)

In de opdracht aan [C] ziet het CvB het opstellen van een projectplan terugkomen die in ieder geval de volgende onderdelen bevat:

A. Uiteenzetting van de opdracht en te integreren onderdelen (…)

F. Communicatieplan met formele momenten medezeggenschap (…)”

2.6

In september 2017 is de MR om advies gevraagd ter zake van het voorgenomen nieuwe functieprofiel voor een directeur voortgezet onderwijs van het Vechtdal College, waarin is opgenomen dat - anders dan voorheen - niet de directeur van het Vechtdal College, maar het directieberaad OV, het overlegorgaan van alle directeuren van de Landstede Groep, beslist samen met het college van bestuur van de Stichting over de van de Landstede Groep af te nemen diensten.

2.7

Op 29 september 2017 heeft de MR aan [B] , voor zover van belang het volgende geschreven:

“Op 22 september jl. heeft u ons medegedeeld opdracht van het College van Bestuur te hebben ontvangen om de Medezeggenschapsraad (MR) mee te nemen in een aantal vanuit het College van Bestuur in gang gezette ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen betreffen, zo begrijpt de MR althans, dat het Vechtdal College voortaan volledig mee dient te gaan doen binnen de Landstede Groep en dat er geen sprake meer zal zijn van het cafetariamodel of de status aparte. (…) Van u begrepen wij dat er een document zou zijn waarin een “synergieopdracht” staat geformuleerd. (…) Uw mededeling heeft bij de MR veel vragen opgeroepen. De MR legt hierbij de volgende vragen en verzoeken aan u, dan wel het College van Bestuur voor: (…)”

2.8

Op 4 oktober 2017 heeft het College van Bestuur van de Stichting laten weten dat het verwacht de tweeëntwintig door de MR gestelde vragen eind oktober/begin november 2017 te zullen beantwoorden.

2.9

De MR heeft op 31 oktober 2017 een verzoekschrift ingediend bij de commissie waarin - kort gezegd en voor zover hier nog van belang - wordt verzocht te bepalen dat de Stichting de uitvoering van het besluit tot verdere integratie van het Vechtdal College in de Landstede Groep dient te staken, de daartoe strekkende opdracht aan de directeur bedrijfsvoering van het Vechtdal College dient in te trekken en te bepalen dat de Stichting bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.

2.10

In de (aangepaste) begroting van de Stichting voor 2018 bedraagt de afdracht van het Vechtdal College aan de Landstede Groep € 490.527, waar de afdracht over 2017 nog € 247.100 bedroeg. Voor de jaren 2019 tot 2023 zal de afdracht volgens die begroting jaarlijks € 848.177 gaan bedragen.

2.11

Nadat partijen geprobeerd hebben een minnelijke oplossing te bereiken heeft de commissie op 30 mei 2018 uitspraak gedaan. De commissie heeft onder meer het volgende overwogen:

“Verzoekers hebben gesteld dat sprake is van een besluit van het bevoegd gezag tot verdergaande integratie van het Vechtdal College in de Landstede Groep. (…)

Het besluit tot verdergaande integratie van het Vechtdal College in de Landstede Groep is naar het oordeel van de Commissie (…) te beschouwen als een besluit over de aangelegenheid genoemd in artikel 11 lid 1 onder d Wms: ‘het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake’, waarvoor de MR op grond van artikel 22 aanhef onder d van het medezeggenschapsreglement adviesrecht heeft.

Met het besluit tot verdergaande integratie wordt immers de samenwerking tussen het Vechtdal College en de Landstede Groep beleidsmatig verder vormgegeven en ingevuld.

In de samenwerkingsovereenkomst van 2013 is een aantal afspraken vastgelegd, waarin onder meer is aangegeven dat het Vechtdal College zijn zelfstandigheid behoudt en dat alle gelden van de bekostiging ten goede komen aan het Vechtdal College. (…)

De achtergrond voor de afspraken, zo is ter zitting gebleken, was de wens van de MR ten tijde van het overleg over de op te starten samenwerking, om maximale decentralisatie te bewerkstelligen. Deze wens was mede ingegeven vanuit de gevoelde noodzaak te bewaken dat de kosten die verbonden zijn aan de samenwerking voor het Vechtdal College overzichtelijk en beheersbaar zouden zijn.

In de integratieopdracht zoals verwoord in de e-mail van 20 juli 2017 is een vijftal uitgangspunten geformuleerd. Punt 4 luidt: “Het Vechtdal College doet volwaardig mee binnen de Groep en dat houdt in dat het niet een cafetaria model is. Meedoen is met alle plussen/lusten en minnen/lasten”. Voorts is in de e-mail aangegeven dat het kader van de integratieopdracht niet de overeenkomst uit 2013 is. Het feit dat het bevoegd gezag op 20 juli 2017 heeft aangegeven dat het Vechtdal College volwaardig mee zal doen binnen de Landstede Groep alsmede het feit dat de bijdrage van het Vechtdal College aan de Landstede Groep het komende schooljaar naar verwachting substantieel hoger zal uitvallen, maken naar het oordeel van de Commissie dat met het besluit een wijziging in het beleid ten aanzien van de duurzame samenwerking tussen het Vechtdal College en de Landstede Groep is bewerkstelligd. Dat met het besluit niet een integratie binnen de Landstede Groep is beoogd, zoals het bevoegd gezag heeft betoogd, kan het geval zijn, maar dat laat onverlet dat sprake is van een wijziging in het beleid ten aanzien van de duurzame samenwerking.

Over deze wijziging had het bevoegd gezag op grond van artikel 22 aanhef onder d van het medezeggenschapsreglement de MR om advies moeten vragen. Dat is niet gebeurd waarna de MR het geschil binnen de in artikel 34 lid 3 Wms gestelde termijn van zes weken aan de Commissie heeft voorgelegd. Aldus is het adviesgeschil ten aanzien van de beleidswijziging in de duurzame samenwerking ontvankelijk.

(…)

De Commissie moet overeenkomstig artikel 34 lid 4 Wms beoordelen of het bevoegd gezag bij het niet volgen van het advies van de MR bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. Hierover overweegt de Commissie dat het op zich niet onbegrijpelijk is dat het bevoegd gezag de in 2013 in gang gezette samenwerking tegen het licht wenst te houden. Echter, de integratieopdracht gaat verder dan dat omdat daarin is aangegeven dat uitgangspunt is dat het Vechtdal College volwaardig meedoet binnen de Landstede Groep. Dat standpunt verdraagt zich niet met de samenwerking en de uitgangspunten zoals beschreven in het document van 21 maart 2013 waarop de MR destijds positief heeft geadviseerd. Het is niet onwaarschijnlijk dat in de uitvoering van de integratieopdracht stappen gezet worden die hiermee strijdig zijn en tot een onomkeerbare situatie leiden. De zorgen die de MR hierover heeft, acht de Commissie reëel.

Het lag op de weg van het bevoegd gezag om vooraf met de MR overleg te voeren over de

integratieopdracht. Alles overziende oordeelt de Commissie dat het bevoegd gezag bij het niet volgen van het advies van de MR bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel (te lezen als besluit) heeft kunnen komen en dat het betrokken besluit niet in stand kan blijven. De Commissie zal het bevoegd gezag conform het verzoek van de MR de verplichting opleggen na te laten handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van de integratieopdracht of onderdelen daarvan.

5. BESLISSING

Op grond van bovenstaande overwegingen oordeelt de Commissie dat:

- het verzoek van de MR tot behandeling van het adviesgeschil met betrekking tot de

wijziging van het beleid in de duurzame samenwerking van het Vechtdal College met de

Landstede Groep ontvankelijk en gegrond is. De Commissie spreekt daarbij uit dat het

besluit van 20 juli 2017 niet in stand kan blijven en legt het bevoegd gezag de verplichting

op na te laten handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het

besluit of onderdelen daarvan (…).”

3 De gronden van de beslissing

3.1

De Stichting verzoekt in deze procedure de uitspraak van de commissie te vernietigen en te bepalen dat met de e-mail van 20 juli 2017 geen sprake is geweest van besluitvorming waarover de MR krachtens de Wms een adviesrecht heeft. Zij legt daaraan ten grondslag dat in de gegeven omstandigheden (i) geen sprake is geweest van besluitvorming over een nadere invulling van de samenwerking, (ii) geen wijziging van de samenwerking aan de orde is en (iii) de adviesrechten van de MR worden nageleefd.

3.2

De MR heeft verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.

3.3

Ingevolge artikel 3 Wms is aan een school voor voortgezet onderwijs, zoals het Vechtdal College, een medezeggenschapsraad verbonden. In artikel 11, lid 1 onder d, Wms is bepaald dat de medezeggenschapsraad vooraf in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake. In artikel 22 onder d van het medezeggenschapsreglement van het Vechtdal College is eenzelfde bepaling opgenomen. Op grond van artikel 34 lid 3 Wms kan de medezeggenschapsraad in het geval het bevoegd gezag ten onrechte geen advies heeft gevraagd een geschil voorleggen aan de commissie. De medezeggenschapsraad verstrekt daarbij het advies dat zou zijn gegeven indien advies zou zijn gevraagd. Voor de behandeling van het geschil geldt het advies als niet (geheel) gevolgd. De commissie beoordeelt of het bevoegd gezag bij het niet (geheel) volgen van het advies bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen (lid 5) en doet vervolgens uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven en kan daarbij aan het bevoegd gezag de verplichting opleggen geen handelingen te (doen) verrichten ter uitvoering van het besluit (lid 6).

3.4

De MR heeft allereerst aangevoerd dat de Stichting niet ontvankelijk is in haar verzoek omdat zij daarbij geen belang heeft, nu zij ook zelf stelt dat de uitgangspunten van de in 2013 afgesproken samenwerking ongewijzigd zijn gebleven. De Ondernemingskamer volgt de MR daarin niet. De Stichting heeft voldoende toegelicht dat zij belang heeft bij een beoordeling van de vraag of ten deze al dan niet sprake is van een adviesplichtig besluit, teneinde haar toekomstig beleid daarop te kunnen afstemmen.

3.5

Daarmee wordt toegekomen aan de kern van het onderhavig geschil, te weten de vraag of in dit geval sprake is geweest van een door de Stichting genomen besluit dat een belangrijke wijziging meebrengt van (het beleid ter zake van) de samenwerking met de Landstede Groep.

3.6

Anders dan de Stichting betoogt is voor de vraag of sprake is (geweest) van een besluit van de Stichting niet van doorslaggevend belang of al dan niet is voldaan aan formele vereisten voor besluitvorming. Een door de Stichting genomen besluit kan ook een meer feitelijk karakter hebben en het bestaan daarvan kan worden afgeleid uit de concrete omstandigheden van het geval.

3.7

In dit geval is tussen partijen niet in geschil dat bij de totstandkoming van de samenwerking in 2013 het uitgangspunt was dat het Vechtdal College binnen de Landstede Groep een bijzondere positie zou innemen, in die zin dat het Vechtdal College zijn eigen geldstroom en een zelfstandige MR zou behouden. Het Vechtdal College zou weliswaar in zekere mate in het gareel van de Landstede Groep moeten lopen, maar de mate waarin dat zou gebeuren zou een eigen beslissing van de school zelf blijven. In de jaren daarna hebben partijen deze bijzondere positie – ook wel ‘status aparte’ genoemd – onder meer vormgegeven door jaarlijks te bezien of en in hoeverre ten behoeve van het Vechtdal College gebruik gemaakt zou worden van de door de Landstede Groep aangeboden facilitaire diensten (het ‘cafetariamodel’). Volgens de Stichting is naar aanleiding van het door de Inspectie van het Onderwijs gehanteerde toezichtkader en herhaalde adviezen van accountant KPMG in loop der tijd behoefte ontstaan aan een verdere afstemming van de ondersteunende taken binnen het Vechtdal College op door de serviceorganisatie van de Landstede Groep aangeboden diensten. Uit het e-mailbericht van 20 juli 2017 blijkt dat het college van bestuur van de Stichting op 18 juni 2017 heeft besloten onderzoek te laten verrichten naar een verdere integratie van het Vechtdal College in de Landstede Groep. Blijkens het e-mailbericht was het kader van de integratieopdracht niet de overeenkomst uit 2013 en gold als uitgangspunt: “Het Vechtdal College doet volwaardig mee binnen de Groep en dat houdt in dat het niet een cafetaria model is. Mee doen is met alle plussen/lusten en minnen/lasten.”

3.8

De Ondernemingskamer is met de commissie van oordeel dat uit de hiervoor genoemde gang van zaken blijkt dat de Stichting voorafgaand aan het e-mail bericht van 20 juli 2017 het besluit had genomen dat de wijze waarop de in 2013 overeengekomen samenwerking met de Landstede Groep was vormgegeven, niet zou worden voorgezet. De Ondernemingskamer volgt de Stichting niet in haar betoog dat slechts sprake is geweest van een min of meer vrijblijvende opdracht om de mogelijkheden van een toekomstige verdere integratie te verkennen; dat voorafgaand aan het verstrekken van die opdracht geen besluitvorming omtrent de daarbij te hanteren uitgangspunten zou hebben plaatsgevonden is, mede gelet op de tekst van opdracht, eenvoudigweg niet aannemelijk. De Ondernemingskamer wordt in dit oordeel gesterkt door de omstandigheid dat, zoals de MR onbetwist heeft aangevoerd, de (voorlopige) begroting voor 2018 voorziet in een forse toename van de afdracht van het Vechtdal College aan de Landstede Groep en door het feit dat het in september 2017 voorgestelde functieprofiel voor de directeur voortgezet onderwijs voorziet in een wijziging van de beslissingsbevoegdheid dienaangaande. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de Stichting op enig moment vóór 20 juli 2017 heeft besloten tot een verdere integratie van het Vechtdal College in de Landstede Groep, waarbij anders dan voorheen, niet meer de vrijheid zou bestaan om jaarlijks te bezien of en in hoeverre ten behoeve van het Vechtdal College gebruik gemaakt zou worden van de door de Landstede Groep aangeboden diensten.

3.9

Anders dan de Stichting meent, heeft de commissie niet geoordeeld dat het e-mailbericht van de bestuurssecretaris van 20 juli 2017 zélf moet worden aangemerkt als een besluit van de Stichting. De commissie heeft slechts vastgesteld dat uit de in dat e-mailbericht geformuleerde uitgangspunten voor het te verrichten onderzoek naar een verdere integratie moet worden afgeleid dat de Stichting een daartoe strekkend besluit had genomen. De Ondernemingskamer is verder met de commissie van oordeel dat dit besluit zodanig afwijkt van het tot dan toe – in aansluiting op de in de overeenkomst van 2013 neergelegde uitgangspunten – gevoerde beleid, dat het moet worden aangemerkt als een besluit tot een belangrijke wijziging van het beleid ter zake van een duurzame samenwerking met een andere instelling. Dit betekent dat de Stichting op grond van het bepaalde in artikel 11, lid 1 onder d, Wms en artikel 22, onder d van het medezeggenschapsreglement, de MR vooraf in de gelegenheid had moeten stellen daarover advies uit te brengen en dat zij dit ten onrechte niet heeft gedaan.

3.10

De Ondernemingskamer stelt ten slotte vast dat de Stichting geen zelfstandige bezwaren heeft aangevoerd tegen de beslissing van de commissie dat het besluit niet in stand kan blijven, noch tegen de aan de Stichting opgelegde verplichting na te laten handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of onderdelen daarvan.

3.11

De slotsom is dat het beroep tegen de uitspraak van de commissie zal wordt verworpen.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verwerpt het beroep tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms van 26 februari 2018.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. J. den Boer en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en drs. C. Smits-Nusteling en prof. dr. mr. S. ten Have, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk en A. el Bably, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 10 januari 2019.