Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3026

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
23-002184-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van 489,7 gram hennep. OM N-O; artikel 197 Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002184-16

datum uitspraak: 3 juli 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-069261-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1962,

adres: [adres]).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 31 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

2.
hij op of omstreeks 31 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 489,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter, met name ten aanzien van feit 1.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd het openbaar ministerie niet‑ontvankelijk te verklaren in de vervolging van feit 1 en heeft daartoe –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de verdachte inmiddels EU-onderdaan is en (naar het hof begrijpt: gelet op het beleid van het openbaar ministerie) in de onderhavige situatie niet vervolgd had mogen worden.

De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Sinds 20 oktober 2008 bestaan voor het openbaar ministerie gedragsregels, waarin onder meer is ingegaan op de invoering van de Richtlijn 2004/38 en de gevolgen daarvan voor ongewenst verklaarde burgers van de Europese Unie. Deze interne gedragsregels zijn weergegeven in een beleidsbrief van het College van Procureurs-Generaal van 20 oktober 2008 inzake de opsporing en vervolging ter zake van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, de ongewenstverklaarde vreemdeling (PaG/HB/13161-beleidsbrief).

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting houdt het hof het ervoor dat deze interne beleidsregels niet zijn ingetrokken en dat deze thans nog geldend zijn.

Het hof constateert dat in onderhavige zaak niet is voldaan aan de in deze gedragsregels genoemde uitgangspunten die kortgezegd inhouden dat in een geval als het onderhavige: de aangehouden verdachte is na het besluit tot ongewenstverklaring EU-onderdaan geworden, geen sprake kan zijn van vervolging.

Het hof zal het openbaar ministerie daarom – zoals gevorderd – in die vervolging niet-ontvankelijk verklaren.

Bewezenverklaring feit 2

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 maart 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 489,7 gram hennep.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een geldboete ter hoogte van € 750.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 489,7 gram hennep. Hennep bevat voor de gezondheid van gebruikers daarvan schadelijke stoffen en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het voorhanden hebben van 300-500 gram softdrugs, als uitgangspunt voor de straftoemeting een geldboete van € 750 genoemd. Het hof acht deze straf in beginsel passend.

In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn is in hoger beroep overschreden. Bij het bepalen van de straf houdt het hof ten voordele van de verdachte rekening met deze overschrijding, met dien verstande dat het hof in plaats van een geldboete van € 750 een geldboete van € 650 zal opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. P. Greve en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2019.