Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:302

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
200.248.260/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:6408
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening partneralimentatie, verzoek voor het eerst in hoger beroep. Het hof gaat uit van de huidige situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.248.260/02

zaaknummer rechtbank: C/15/263013/ FA RK 17-4824 en C/15/266484/ FA RK 17-6594

beschikking van de meervoudige kamer van 29 januari 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Strijbis-van der Raaij te Grootebroek.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 18 juli 2018 uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 18 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 juli 2018. Hij heeft daarbij tevens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.2.

De vrouw heeft op 13 november 2018 een verweerschrift tegen het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de man van 3 december 2018 met bijlagen, ingekomen op 4 december 2018;

- een brief van de zijde van de man van 12 december 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 14 december 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de advocaat van de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2.5.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, (met bericht) niet verschenen ter zitting in hoger beroep.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn gehuwd [in] 1992. Zij zijn in oktober 2016 uiteengegaan. Bij de bestreden beschikking van 18 juli 2018 is de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 9 november 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het huwelijk van partijen per die datum is ontbonden.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [kind A] (hierna: [kind A] ), geboren [in] 1994;

- [kind B] (hierna: [kind B] ), geboren [in] 1997;

- [kind C] (hierna: [kind C] ), geboren [in] 2000.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1961. Hij is alleenstaand.

Hij woont bij zijn moeder.

De man is 100% eigenaar van de aandelen in [B.V. 1] . Deze B.V.is voor 75 % eigenaar van [B.V. 2] De heer [X] houdt de overige 25 % van de aandelen.

Het bedrijfsresultaat van [B.V. 1] bedroeg in 2015 en 2016 respectievelijk € 12.500,- en - € 128,- (negatief). Het bedrijfsresultaat van [B.V. 2] bedroeg in 2015 en 2016 respectievelijk € 21.865,- en - € 3.182,88,- (negatief).

De man heeft op 17 oktober 2015 een ernstig ongeluk gehad. Volgens de betreffende aangiften IB bedroeg zijn fiscaal loon in 2014 € 30.000,- en in 2015 € 13.333,-. In 2016 heeft hij volgens de aangifte IB geen inkomen meer. Hij werkt thans ongeveer acht uur per week in zijn bedrijf.

De letselschade advocaat van de man voert onderhandelingen met de verzekeringsmaatschappij van de veroorzaker van het ongeluk. De verzekeringsmaatschappij heeft in de jaren 2015 tot en met 2018 een aantal voorschotten uitgekeerd, van in totaal € 75.000,-. De laatste twee betalingen zijn gedaan in 2018, te weten € 12.500,- op 9 maart 2018 en € 25.000,- op 27 augustus 2018.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 152,- per maand.

3.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1963. Zij is alleenstaand. [kind B] en [kind C] wonen bij haar.

Zij is werkzaam bij [bedrijf] Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2016 in dat jaar € 88.967,-. Haar salaris bedraagt thans € 6.941,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering.

Aan premie voor een ziektekostenverzekering betaalt zij € 97,- per maand.

Aan rente in verband met de hypothecaire lening van de door haar bewoonde woning betaalt zij € 5.864,- per jaar. De WOZ waarde bedraagt in 2018 € 408.000,-. Zij is een heffing verschuldigd van € 147,- per jaar.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de man tot een door de vrouw te betalen uitkering in zijn levensonderhoud van € 1.800,- per maand zolang hij bij zijn moeder inwoont en van € 2.717,- per maand zodra hij zelfstandige woonruimte heeft betrokken, afgewezen.

4.2.

De man verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking een bedrag van € 2.717,- bruto per maand aan hem dient te voldoen als voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht. De advocaat van de man heeft het verzoek ter zitting in hoger beroep gewijzigd in die zin dat de man thans verzoekt dat de vrouw aan hem een bijdrage van € 1.821,- bruto per maand zal voldoen. De advocaat van de man heeft ter zitting in hoger beroep voorts toegelicht dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is gegrond op artikel 822 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en niet op artikel 223 Rv zoals in het verzoekschrift staat vermeld.

4.3.

De vrouw verzoekt de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Op grond van artikel 822 lid 1 sub e Rv kan de rechter bij beschikking voor de duur van het geding het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot. Deze voorlopige voorziening behoudt op grond van artikel 826 lid 1 sub c Rv haar kracht totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek (BW) bij toewijzing voor ten uitvoerlegging vatbaar wordt, dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat.

Op grond van artikel 821 lid 1 Rv kan een verzoek tot een verzoek tot voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 Rv worden gedaan tot het tijdstip waarop een zodanige voorziening ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest.

5.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoek tot een voorlopige voorziening voert de man het volgende aan.

Hij heeft geen middelen om in eigen levensonderhoud te voorzien en van hem kan niet worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. Hij dient over middelen te beschikken om zijn eigen kosten van levensonderhoud te betalen en aan zijn moeder een vergoeding te betalen vanwege de kosten die zij voor hem maakt. De man zal bij zijn moeder vertrekken zodra dat mogelijk is. Hij heeft een behoeftelijst opgesteld waaruit een behoefte volgt van € 3.035,98 netto per maand. De kosten van vervangende woonruimte zijn in dat bedrag begrepen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de man hieraan het volgende toegevoegd. De man woont nog steeds bij zijn moeder, maar hij wil zo snel mogelijk een eigen woning betrekken. Op dit moment kan hij geen huurwoning toegewezen krijgen omdat hij geen inkomsten heeft. Zodra een bedrag aan alimentatie is vastgesteld zal hij een woning kunnen huren. De man heeft voorts tot dusver in totaal € 75.000,- aan letselschade uitkeringen ontvangen. Rekening houdend met zijn advocaatkosten en een bedrag dat de vrouw hieruit naar zichzelf heeft overgemaakt heeft de man over een periode van drie jaar gemiddeld € 1.000,- per maand aan inkomsten (gehad). De man heeft gelet daarop en uitgaande van een behoefte volgens de hofnorm van € 2.648,- netto per maand nog ruim € 1.600,- netto extra per maand nodig. De man is ten aanzien van de draagkracht van de vrouw van mening dat bij de berekening daarvan alleen rekening dient te worden gehouden met een bijdrage voor het jongste kind van partijen, nu partijen ten aanzien van de twee oudste kinderen niet langer onderhoudsplichtig zijn. De advocaat van de man heeft voorts toegevoegd dat zij de draagkracht van de vrouw, in afwijking van het aanvankelijk verzochte bedrag van € 2.717,- per maand, thans berekent op € 1.821,- bruto per maand en haar verzoek om die reden verlaagt.

5.4.

De vrouw betwist de (aanvullende) behoefte van de man. Uitgaande van de hofnorm, is zij van mening dat zijn behoefte € 668,- per maand bedraagt. Uitgaande van de door de man overgelegde behoeftelijst, komt zij na correctie van de daarop vermelde posten tot een behoefte van € 1.391,- per maand wanneer hij een eigen woning heeft en van € 791,- per maand zolang hij bij zijn moeder woont.

Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat de man in staat geacht moet worden in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De man geeft geen inzicht in zijn financiële situatie. De vrouw heeft de indruk dat de man inkomsten achterhoudt. Volgens haar is sprake van een geldstroom tussen de eigen bankrekening van de man en de en/of rekening van partijen. In de periode van 1 januari 2018 tot 29 oktober 2018 heeft de man bijvoorbeeld een bedrag van € 25.087,- overgeboekt van zijn privébankrekening naar de en/of rekening. Ook in 2017 heeft de man bedragen overgeboekt. Daarnaast heeft de man in de letselschadeprocedure een vordering ingediend vanwege gestelde inkomensderving. Voorts betwijfelt de vrouw of de man arbeidsongeschikt is en niet in staat is meer dan acht uur per week te werken. De man heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het daadwerkelijk niet goed gaat met zijn onderneming. De meest recente informatie dateert uit 2016. De vrouw betwist daarom dat de man niet voldoende inkomsten kan genereren uit zijn eigen ondernemingen. Ook betwist zij dat hij niet elders aan de slag zou kunnen gaan. Zij is van mening dat de verdiencapaciteit van de man op € 3.000,- per maand gesteld dient te worden, afgezien nog van het voorschot op de schade uitkering dat de man jaarlijks ontvangt.

De vrouw is voorts van mening dat zij geen draagkracht heeft om enige bijdrage te voldoen. Zij draagt alle kosten van de kinderen die volgens haar neerkomen op ongeveer € 3.000,- netto per maand. De kinderen volgen allemaal een opleiding, [kind A] aan de Universiteit van Wageningen, [kind B] aan de TIO Hogere Hotelschool en [kind C] aan de Hogeschool van Amsterdam.

De vrouw heeft hier (bij monde van haar advocaat) ter zitting in hoger beroep het volgende aan toegevoegd. De man heeft een eigen vermogen; na afrekening met de vrouw op grond van huwelijkse voorwaarden zou er een vermogen resteren van € 58.823,-. De man moet dit vermogen aanwenden om in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft desgevraagd erkend dat dit vermogen uit polissen bestaat, maar het is volgens haar de vraag of dat betekent dat het ‘vastzit’ in polissen. Ten aanzien van de kosten van de oudste kinderen wijst de vrouw op jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 27 juni 1980, NJ 1981/113 en Hoge Raad 29 juni 1984, NJ 1985/14), waaruit volgt dat ook rekening dient te worden gehouden met de kosten die zij voor hen voldoet.

5.5.

Het hof stelt voorop dat het hier gaat om een vaststelling van partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een eventuele bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure.

Ten aanzien van de behoefte van de man overweegt het hof als volgt. Het hof zal de behoefte van de man beoordelen op basis van de door hem overgelegde behoeftelijst, nu er discussie bestaat tussen partijen over het netto gezinsinkomen. De vrouw heeft in eerste aanleg de behoefte op grond van de hofnorm betwist. De man heeft in zijn hoger beroepsschrift en verzoek voorlopige voorzieningen zijn behoefte met een behoeftelijst onderbouwd, die op verschillende punten door de vrouw is betwist. Het hof zal deze behoeftelijst hieronder puntsgewijs bespreken.

Huur en servicekosten

De man heeft een bedrag opgevoerd aan huur van € 1.125,- per maand en € 105,- per maand aan servicekosten. De vrouw heeft dit betwist en gesteld dat rekening dient te worden gehouden met een bedrag aan huur van € 600,- per maand, inclusief servicekosten.

Het hof acht het gelet op de huurprijzen in de regio redelijk rekening te houden met een bedrag aan huurlasten, inclusief servicekosten van in totaal € 1.000,- per maand.

Water en Energie

Het hof zal uitgaan van het door de man gestelde (gemiddelde) bedrag van € 124,- per maand. De vrouw heeft hier onvoldoende tegenover gesteld.

Afvalstoffenheffing

Het door de man opgevoerde bedrag van € 16,50 is door de vrouw niet, althans onvoldoende betwist, zodat het hof hiervan uit zal gaan.

Televisie/internet en telefoonabonnement

Het hof is van oordeel dat de door de man opgevoerde bedragen van respectievelijk € 65,- en € 45,- per maand gelet op de gangbare tarieven niet onredelijk hoog zijn, zodat het hof hiervan uit zal gaan.

Verzekeringen

Tussen partijen is het door de man ter zake opgevoerde bedrag van € 152,48 niet in geschil.

Huishoudelijke uitgaven: voeding, verzorging, kapper/kleding/vakantie/uitjes/cadeaus

De man voert ten aanzien van deze kosten een bedrag op van in totaal € 1.108,- per maand. De vrouw heeft alle posten in deze categorie betwist en is van mening dat met maximaal een totaal bedrag van € 412,- per maand rekening dient te worden gehouden.

Het hof acht het redelijk om ten aanzien van de huishoudelijke uitgaven rekening te houden met een bedrag van € 800,- per maand in totaal.

Auto

De man heeft ter zake een bedrag van in totaal € 295,- per maand opgevoerd, waaronder € 73,- per maand aan benzine. De vrouw heeft de kosten betwist. De man rijdt in de auto van zijn moeder en heeft al jaren geen eigen auto gehad. De vrouw meent dat uitsluitend met een bedrag van € 50,- per maand aan benzine rekening dient te worden gehouden.

Het hof overweegt dat nu de man zelf niet over een auto beschikt en gesteld noch gebleken is dat hij voor het gebruik van een auto kosten betaalt, er – in het kader van de voorlopige voorzieningen - alleen rekening wordt gehouden met de door hem gestelde kosten aan benzine van € 73,- per maand.

Het hof komt zo tot een behoefte van de man van (afgerond) € 2.276,- netto per maand.

5.6.

Tussen partijen is in geschil in hoeverre de man zelf in deze behoefte kan voorzien. Het hof overweegt in dit verband dat de voorlopige voorzieningen-procedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar een eventuele verdiencapaciteit van de man. Het hof zal zoals gebruikelijk in een procedure als de onderhavige uitgaan van de feitelijke inkomenssituatie van de man, zoals deze zich thans voordoet. Het hof is van oordeel dat de man met de door hem overgelegde stukken voldoende heeft aangetoond dat hij thans niet in staat is meer dan acht uur te werken en dat hij geen inkomsten uit zijn ondernemingen genereert. Daarnaast is door de advocaat van de man ter zitting voldoende toegelicht dat de door de vrouw gestelde geldstromen de bedragen betreffen die de man aan voorschot op de letselschade uitkeringen heeft ontvangen. Dat de man, naast die voorschotten, nog andere inkomsten zou ontvangen, is in de onderhavige procedure, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, niet aannemelijk geworden.

Het hof is voorts van oordeel dat niet van de man gevergd kan worden dat hij inteert op zijn vermogen, dat bestaat uit verschillende polissen, om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Het hof zal aan de zijde van de man derhalve uitsluitend rekening houden met de inkomsten uit de letselschade uitkeringen. Het hof volgt de stelling van de man ter zake en houdt rekening met een gemiddeld bedrag van € 1.000,- netto per maand aan inkomsten. Gelet op het voorgaande, heeft de man een aanvullende behoefte van € 1.919,- bruto per maand, zodat het door hem verzochte bedrag van € 1.821,- bruto per maand zijn (aanvullende) behoefte niet overstijgt. Gelet op het hiernavolgende zal het hof geen aparte behoefteberekening maken voor de periode dat de man nog geen eigen woonruimte heeft.

5.7.

Thans is de draagkracht van de vrouw aan de orde. Het hof gaat bij het berekenen van de draagkracht uit van de feiten en omstandigheden zoals genoemd onder 3.5., behoudens voor zover hier in het navolgende vanaf wordt geweken en met inachtneming van het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan de zijde van de vrouw rekening dient te worden gehouden met de kosten van [kind C] . Wel verschillen partijen van mening over de hoogte van deze kosten. Voorts is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening moet worden gehouden met de kosten van [kind A] en [kind B] .

Ten aanzien van de kosten van [kind A] en [kind B] overweegt het hof als volgt. [kind A] en [kind B] zijn respectievelijk 24 en 21 jaar oud. Er bestaat derhalve geen wettelijke onderhoudsplicht meer van de ouders jegens hen. Dat is op zichzelf echter geen reden om bijdragen ten behoeve van levensonderhoud en studie van meerderjarige kinderen buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder. Beoordeeld moet worden of er zodanige omstandigheden zijn dat aan deze bijdragen geen betekenis behoort te worden toekend bij de bepaling van de draagkracht. Maatgevend daarbij is of de alimentatieplichtige ouder zich redelijkerwijs gehouden kan achten in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn of haar meerderjarig geworden kind te blijven voorzien en of hij of zij daar in feite in voorziet. In het onderhavige geval kan uit de wederzijdse stellingen van partijen worden afgeleid dat zij ten tijde van hun uiteengaan in elk geval bepaalde kosten die verband hielden met het levensonderhoud en de studies van de meerderjarige kinderen voor hun rekening namen. Vaststaat dat deze studies thans nog niet zijn voltooid, terwijl gesteld noch gebleken is dat de meerderjarigen thans in hun eigen levensonderhoud voorzien.

Het hof is in deze omstandigheden van oordeel dat er voldoende grond bestaat om – in ieder geval in het kader van de onderhavige procedure - bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw rekening te houden met een bijdrage ten behoeve van de meerderjarige kinderen. De stellingen van partijen over de hoogte van de bijdragen die de vrouw ten behoeve van hen voor haar rekening neemt, lopen uiteen en lenen zich in deze procedure niet voor nader onderzoek. Het hof zal in de onderhavige procedure uitgaan van de kosten die de vrouw thans maakt voor [kind A] en [kind B] , zoals blijkt uit het door haar overgelegde overzicht. Deze kosten zijn door de man in deze procedure onvoldoende betwist. Ook wat [kind C] betreft zal het hof uitgaan van de door de vrouw gestelde kosten. Naast de studiefinanciering die [kind A] en [kind B] ontvangen, betaalt de vrouw in totaal een bedrag van (gemiddeld) € 3.000,- per maand ten behoeve van de kinderen. Wanneer met dit bedrag rekening wordt gehouden, is de vrouw niet in staat is een uitkering tot levensonderhoud aan de man te voldoen. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

5.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. A. van Haeringen en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 29 januari 2019 uitgesproken in het openbaar door de voorzitter.