Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3008

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
23-000141-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met een in de artikelen 2 onder B en 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000141-18

datum uitspraak: 8 maart 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-075456-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 17 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt (aan [naam 1]) en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,42 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2:
hij op of omstreeks 17 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 0,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal vanwege proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De politie heeft niet waargenomen dat er drugs zijn overhandigd. De vermeende koper, [naam 1], is een vriend van de verdachte die zijn voor de verdachte belastende verklaring bij de rechter-commissaris heeft ingetrokken. [naam 1] heeft geld aan de verdachte gegeven omdat hij een schuld bij hem had. ‘[naam 2]’ is na de aanhouding van de verdachte nog online geweest op WhatsApp. De politie heeft niet in de telefoon van de verdachte gekeken of hij ‘[naam 2]’ was.

Het hof overweegt als volgt.

Op 17 maart 2016 rond 21.10 uur heeft verbalisant [verbalisant] terwijl hij over het Marie Heinekenplein in Amsterdam fietste waargenomen dat de verdachte iets aan [naam 1] overhandigde. [naam 1] stopte dat in zijn jaszak. Vervolgens liep [naam 1] weg en ging achter een container staan. De verdachte pakte zijn scooter en gebaarde [naam 1] dat hij bij hem achterop moest stappen, hetgeen hij deed. De mannen reden daarna naar een andere straat. Daar ging [naam 1] in een portiek staan, haalde iets uit zijn jaszak en hield dit omhoog, kennelijk om dit beter te bekijken. Vervolgens gaf [naam 1] de verdachte een bankbiljet waarna de verdachte weg reed.

Om 21.15 uur heeft de politie de verdachte en [naam 1] afzonderlijk aangehouden. In de onderbroek van de verdachte zijn onder andere twee wikkels cocaïne aangetroffen. Deze wikkels waren voorzien van een gietertje en het opschrift “cook book”. Bij [naam 1] werd één wikkel cocaïne, eveneens voorzien van een gietertje en het opschrift “cook book”, aangetroffen. Hij verklaarde dat hij deze net had gekocht. Bij zijn verhoor op het politiebureau verklaarde [naam 1] dat hij met zijn telefoon een afspraak had gemaakt, voor € 25 cocaïne had gekocht van een jongen die daarna tegen hem zei: “Stap maar achterop, dan kan je het verderop even bekijken”, hetgeen hij vervolgens heeft gedaan.

In de telefoon van [naam 1] is een WhatsApp-gesprek met ene ‘[naam 2]’ aangetroffen, waarin afgesproken wordt in de buurt van het Heinekenplein en ‘[naam 2]’ om 20.58 uur appt dat hij buiten is.

Gelet op het WhatsApp-gesprek, de waarnemingen van [verbalisant], de omstandigheid dat bij [naam 1] en de verdachte dezelfde wikkels zijn aangetroffen en de genoemde verklaringen van [naam 1], acht het hof bewezen dat de verdachte de bij [naam 1] aangetroffen wikkel cocaïne aan hem heeft verkocht. Het hof schuift [naam 1] verklaring bij de rechter-commissaris, waarin hij zijn voor de verdachte belastende verklaringen intrekt, als ongeloofwaardig terzijde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 17 maart 2016 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht aan [naam 1] ongeveer 0,42 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

2:
hij op 17 maart 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,78 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 0,81 gram van een materiaal bevattende MDMA.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van MDMA en cocaïne en het verkopen van cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof, nu deze stof sterk verslavend is en regelmatig gebruik hiervan in de regel lichamelijk, psychisch en sociaal schadelijke gevolgen met zich brengt. De verspreiding van cocaïne gaat doorgaans gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verdachte heeft door de verkoop van cocaïne een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het harddrugscircuit.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslissingen omtrent het beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bij de verdachte in beslag genomen geldbedrag, te weten
€ 82, verbeurd wordt verklaard.

Onder de verdachte is € 82 in beslag genomen. [naam 1] heeft verklaard dat hij € 25 aan de verdachte heeft betaald voor de wikkel cocaïne, zodat dit geldbedrag verbeurd zal worden verklaard, aangezien het door middel van het onder 1 bewezen verklaarde is verkregen. Ten aanzien van de rest van het in beslag genomen geldbedrag, te weten € 57, staat niet vast dat dit door middel van misdrijf is verkregen, zodat het aan de verdachte zal worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd een deel van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 25,00 (PL1300-2016060287-5155716).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het resterende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 57,00 (PL1300-2016060287-5155716).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.C.A.E. van Binnebeke, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 maart 2019.

Mr. van Binnebeke is niet in de gelegenheid dit arrest mede te ondertekenen.