Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3005

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
23-000352-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugwijzing HR. Mishandeling. Onvoldoende gebleken omtrent de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel om het letsel, in het bijzonder de hersenkneuzing, aan te kunnen merken als zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000352-18

datum uitspraak: 8 maart 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 23 januari 2018 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-710389-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres 1],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord, [adres 2].

Procesgang

De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 22 april 2015 van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien weken, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Tegen dit vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 17 februari 2016 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en voor het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien weken, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof op 23 februari 2016 onbeperkt beroep in cassatie ingesteld. Op 14 september 2016 is het beroep in cassatie ingetrokken voor zover dat was gericht tegen de beslissing van het hof tot vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 23 januari 2018 het bestreden arrest van het gerechtshof vernietigd maar uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Gelet op de gedeeltelijke intrekking van het beroep in cassatie van 14 september 2016 en de beslissing van de Hoge Raad van 23 januari 2018 zijn, gelet op artikel 429 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu alleen het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde en de strafoplegging aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, Sv naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 22 november 2014 in de gemeente Haarlem een persoon, genaamd [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld door toen en daar die [slachtoffer] (met gebalde vuist) (met kracht) in het gezicht/tegen het hoofd te slaan of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een zware hersenschudding, althans hersenkneuzing en/of stoornis in het korte termijn geheugen en/of een gat in het hoofd, althans enig lichamelijk letsel en/of pijn, ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof heeft te oordelen op grondslag van een in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij [slachtoffer] ontstane letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, nu uit de mondelinge toelichting van de raadsvrouw van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat sprake is geweest van een storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Uit haar toelichting volgt namelijk dat het slachtoffer nog steeds last heeft van zijn kortetermijngeheugen en van karakterveranderingen.

De raadsman heeft bepleit dat het door de verdachte veroorzaakte letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Vast staat dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van de verdachte op 22 november 2014 een hersenkneuzing, een gat in zijn hoofd en een tongbeet heeft opgelopen en dat hij van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014 in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Uit een brief van de neuroloog [naam] blijkt dat de ziekenhuisopname geen neurologisch vervolg behoeft. Hoewel het letsel van het slachtoffer zonder meer als bijzonder naar moet worden beschouwd, is uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken omtrent de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel om het geconstateerde letsel, in het bijzonder de hersenkneuzing, aan te kunnen merken als zwaar lichamelijk letsel. De stelling van de raadsvrouw van de benadeelde partij dat sprake is geweest van een storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd, is daartoe onvoldoende, nu deze niet is onderbouwd met enig objectief bewijs, zoals medische stukken.

Gelet op het vorenoverwogene zal de verdachte worden veroordeeld voor mishandeling en worden vrijgesproken van het strafverzwarende gevolg van zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2014 in de gemeente Haarlem een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer] met gebalde vuist en met kracht in het gezicht te slaan, terwijl het feit letsel, te weten een hersenkneuzing en een gat in het hoofd, en pijn ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Inleiding

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien weken, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het plegen van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, te weten een mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken. De advocaat-generaal heeft daarbij toegelicht dat zij de straf die de rechtbank bij het bestreden vonnis voor het onder 2 bewezenverklaarde heeft opgelegd, bepaald wil zien op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.

De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Bepaling van straf

Nu het hoger beroep is gericht tegen het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv eerst de straf bepalen ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde misdrijf. Het hof bepaalt deze straf, gelet op de door de rechtbank gebezigde strafmotivering, op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.

Oplegging van straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft, zonder dat daartoe enige aanleiding bestond, op straat - in het uitgaansleven - onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol het slachtoffer een dermate harde vuistslag in zijn gezicht gegeven dat hij achterwaarts met zijn hoofd op de grond is gevallen en direct bewusteloos is geraakt. Door zo te handelen heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hierdoor zodanig hoofdletsel opgelopen dat hij niet meer in staat was zijn studie [studie] voort te zetten. Bij slachtoffers van dergelijke feiten kunnen lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid blijven bestaan. Daar komt bij dat door een dergelijk feit de in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid worden versterkt.

Gelet op de ernst van het feit en gezien een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 februari 2019, waaruit blijkt dat hij eerder voor diverse geweldsdelicten is veroordeeld, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie komt dan de advocaat-generaal kan, ook gelet op de toepasselijkheid van artikel 63 Sr, niet worden volstaan met een lagere vrijheidsbenemende straf dan die door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.953,65, bestaande uit € 2.337,65 aan materiële schade en € 1.616,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.368,50, bestaande uit € 368,50 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in haar geheel wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft uitsluitend de post studiekosten ten bedrage van € 1.969,15 betwist. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde gedurende de maanden voorafgaand aan het feit onderwijs heeft genoten en dat niet is onderbouwd hoe groot de studievertraging is en hoe deze is opgebouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Namens de benadeelde partij is gemotiveerd aangevoerd dat [slachtoffer] per 31 januari 2015 in overleg met zijn studieadviseur is uitgeschreven van de studie [studie] van [plaats], omdat hij als gevolg van letsel ontstaan door het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte een niet meer in te halen studievertraging heeft opgelopen. De benadeelde heeft vijf maanden collegegeld betaald en in die periode gebruik gemaakt van studiefinanciering en het studentenreisproduct. Bij het hervatten van zijn studie zal hij hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Gelet op het vorenoverwoge is, anders dan de raadsman heeft betoogd, het causale verband tussen het handelen van de verdachte en de geleden schade voldoende vast komen te staan, zodat het hof van oordeel is dat de gevorderde studiekosten integraal kunnen worden toegewezen.

Voor het overige heeft de raadsman namens de verdachte de vordering niet betwist. Mede gelet hierop is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

De gevorderde reiskosten ten bedrage van € 17,69 en parkeerkosten ten bedrage van € 10,50 kunnen niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen. Anders dan de rechtbank zal het hof de vordering tot schadevergoeding in zoverre dan ook afwijzen. Voormelde kosten dienen echter aangemerkt te worden als kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken ten behoeve van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 592a Sv. Het hof zal de verdachte dan ook verwijzen in die kosten.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

De (hoogte van de) gevorderde proceskosten zijn van de zijde van de verdachte niet weersproken. Het hof zal overeenkomstig de vordering van de benadeelde partij beslissen en de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij toewijzen tot het bedrag van € 28,19.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2 bewezen verklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.925,46 (drieduizend negenhonderdvijfentwintig euro en zesenveertig cent), bestaande uit € 2.309,46 (tweeduizend driehonderdnegen euro en zesenveertig cent) aan materiële schade en € 1.616,00 (duizend zeshonderdzestien euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 28,19 (achtentwintig euro en negentien cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 3.925,46 (drieduizend negenhonderdvijfentwintig euro en zesenveertig cent) bestaande uit

€ 2.309,46 (tweeduizend driehonderdnegen euro en zesenveertig cent) aan materiële schade en

€ 1.616,00 (duizend zeshonderdzestien euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 22 november 2014.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.C.A.E. van Binnebeke, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 maart 2019.

Mr. Van Binnebeke is niet in de gelegenheid dit arrest mede te ondertekenen.