Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3000

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
23-000566-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“De verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan de diefstal van een kluis met sieraden door middel van een babbeltruc. Gedurende een achtervolging door de politie is deze ruim 50 kg wegende kluis door de verdachten uit een rijdende auto op een 70 km/u-weg geduwd. De verdachte heeft hiermee bewust de aanmerkelijke kans op de dood en op zwaar lichamelijk letsel bij andere weggebruikers aanvaard. Het verweer dat aan de verdachte – gezien de familierelatie waarin zij staat tot (een aantal van) haar medeverdachten – het verschoningrecht toekomt, wordt verworpen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000566-17

datum uitspraak: 22 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654183-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1964,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
zij op of omstreeks 28 oktober 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, en/of te Amsterdam en/of te Diemen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [verbalisant 1] en/of [slachtoffer 1] en/of overige weggebruiker(s) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van haar mededader(s), althans alleen vanuit een rijdende personenauto een kluis, in elk geval een hard en/of stevig voorwerp, op de openbare weg (Gooiseweg) heeft/hebben gegooid, tengevolge waarvan voornoemde [verbalisant 1] (met een motor) en/of [slachtoffer 1] (met een personenauto) tegen voornoemde kluis is/zijn aangereden;

en/of

zij op of omstreeks 28 oktober 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, en/of te Amsterdam en/of te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een motor, geheel of ten dele toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam en/of een personenauto, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , en/of een (geluids)scherm en/of wegdek, geheel of ten dele toebehorende aan de gemeente Amsterdam, in elk geval (telkens) enig goed, in elk geval (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2:
zij op of omstreeks 28 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 2] ) heeft/hebben weggenomen sieraden en/of een of meer horloge(s) en/of een pinpas, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte en/of haar mededader(s);

en/of

zij op of omstreeks 28 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 2] ) heeft/hebben weggenomen een kluis (inhoudende sieraden), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte en/of haar mededader(s), waarbij zij, verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot die kluis (inhoudende sieraden) heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen kluis (inhoudende sieraden) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking, door voornoemde kluis (inhoudende sieraden) (uit een kast en/of van een muur) los te trekken en/of te rukken;

en/of

zij op of omstreeks 28 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamenen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, sieraden en/of een of meer horloge(s) en/of een pinpas en/of een kluis (inhoudende sieraden) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl zij, verdachte, en/of een of meer van haar mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen, goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bespreking van bewijsverweren

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde diefstal in de woning van mevrouw [slachtoffer 2] is aangevoerd dat voor betrokkenheid van de verdachte het wettig en overtuigend bewijs in het dossier ontbreekt. Met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel zware mishandeling en vernieling is betoogd dat geen sprake is van medeplegen. Verder is van opzet, ook in voorwaardelijke vorm, geen sprake. Bij het uit de rijdende auto duwen van een kluis aan de rechterzijde van de weg is niet voorzienbaar – en bestaat geen aanmerkelijke kans – dat deze kluis midden op de weg terecht zal komen. Ook is er bij dit handelen geen aanmerkelijke kans dat andere weggebruikers met de kluis in botsing komen en daardoor het leven zullen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zullen oplopen dan wel dat de als vernieling ten laste gelegde schade zal optreden, terwijl van aanvaarding van een dergelijke kans door de verdachte al helemaal geen sprake is.

De feitelijke gang van zaken

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten vast.

Op 28 oktober 2016 is mevrouw [slachtoffer 2] , de toen 88-jarige bewoonster van de woning aan de [adres 2] te Amsterdam, om 17:57 uur1 gebeld door een vrouw die zei dat zij van de thuiszorg was en die meedeelde dat er zo twee dames aan de deur zouden komen om het een en ander te bespreken. Terwijl mevrouw [slachtoffer 2] met de vrouw nog telefonisch in gesprek was, werd bij haar woning aangebeld. Zij heeft twee vrouwen haar woning binnengelaten: een vrouw van ongeveer 1.57 m, beetje getint, normaal postuur, hoge zwarte laarzen tot haar knie, accentloos Nederlands sprekend, wier leeftijd door mevrouw [slachtoffer 2] achter in de twintig werd geschat, en een vrouw die volgens mevrouw [slachtoffer 2] een kop groter was, ook achter in de twintig, die helemaal niet aan het gesprek deelnam.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] passen qua geschatte leeftijd redelijk binnen dit signalement, terwijl [medeverdachte 1] – zo stelt het hof vast nu niet aannemelijk is geworden dat zij van schoeisel is gewisseld tussen haar aanhouding als bestuurster van de auto met kenteken [kenteken] en het maken van de foto van haar die zich in het dossier bevindt – bij haar aanhouding korte tijd later op dezelfde avond hoge zwarte laarzen tot haar knie droeg,2 en ook het ter terechtzitting in hoger beroep gebleken verschil in beheersing van de Nederlandse taal past in dit signalement, evenals de waarneming door het hof dat [medeverdachte 2] een flink stuk groter oogt dan [medeverdachte 1] , terwijl laatstgenoemde bij die gelegenheid heeft meegedeeld 1.58 m lang te zijn.

De vrouwen zijn geruime tijd, naar schatting van mevrouw [slachtoffer 2] zo’n 45 minuten, in de woning geweest, waarbij de kleinste vrouw maar door bleef praten en op een gegeven moment om koffie of thee vroeg en daarbij zei dat zij zelf lekkere cake bij zich had. Mevrouw [slachtoffer 2] is met hen naar de keuken gegaan om thee te zetten en de cake aan te snijden. Op een gegeven moment ging de telefoon van de grootste vrouw. Zij nam op, sprak in een voor mevrouw [slachtoffer 2] onverstaanbare taal, waarna beide vrouwen de woning uitrenden. Vervolgens constateerde mevrouw [slachtoffer 2] dat een sieradendoosje in haar slaapkamer leeg was, dat een van de laatjes van een kastje was doorzocht en dat haar kluis met daarin sieraden weg was.3

Diezelfde avond om 19:04 uur kreeg de auto met kenteken [kenteken] op de Gooiseweg te Duivendrecht een ANPR-hit onder de noemers [naam 1] en [naam 2]. De afstand van de [adres 2] naar de plaats van de ANPR-hit op de Gooiseweg is volgens gegevens van Google Maps in 15 minuten af te leggen.4 De motoragent [verbalisant 2] heeft de bestuurder van deze auto een volgteken gegeven, waaraan aanvankelijk gevolg leek te worden gegeven. Toen de motoragent op de afrit van de Gooiseweg reed, zag hij dat de auto op het allerlaatste moment vanaf de uitvoegstrook plotseling de hoofdrijbaan van de Gooiseweg weer opreed en dat op hetzelfde moment een portier aan de rechterzijde werd geopend. Ook zag hij dat de snelheid van de auto nog ongeveer 50 à 60 km/u was. Via de portofoon heeft [verbalisant 2] doorgegeven dat de auto zich aan de controle onttrok. Na weer te zijn ingevoegd op de Gooiseweg heeft [verbalisant 2] , toen hij de auto weer in zicht had, deze met optische en geluidsignalen en met ingeschakeld stoptransparant gevolgd. De auto reed eerst ongeveer 100 km/u en vervolgens ongeveer 90 km/u. Via de portofoon hoorde [verbalisant 2] dat zijn collega motorrijder [verbalisant 1] een aanrijding met het vermoedelijk uit de auto gegooide voorwerp niet kon voorkomen en dat hij daardoor bijna ten val was gekomen. Later vernam [verbalisant 2] dat op de plaats waar de auto zich aan de controle onttrok op de rijbaan van de Gooiseweg een kluis was aangetroffen.

Bij het passeren van de afrit Weesp zag [verbalisant 2] dat de bestuurster van de auto met haar arm gebaren maakte om hem duidelijk te maken dat hij moest inhalen. Naar zijn zeggen uit tactische overwegingen, is [verbalisant 2] achter de auto blijven rijden. Nadat de auto op de Diemerpolderweg tot stilstand kwam en de bestuurster door hem uit het voertuig was gehaald, hoorde hij haar meteen schreeuwen: “Ze gaat dood! Ze is ernstig ziek!”. [verbalisant 2] zag dat de bestuurster, [medeverdachte 1] , wees naar de vrouw die rechts voorin de auto zat, [medeverdachte 3] , en hoorde deze vrouw hard schreeuwen, kennelijk met de bedoeling duidelijk te maken dat ze pijn had. [verbalisant 2] hoorde dat de bestuurster vervolgens zei: “We waren op weg naar het ziekenhuis! Mijn tante gaat dood!”. Rechts achterin de auto zat [medeverdachte 4] , midden achterin [medeverdachte 2] en links achterin [medeverdachte 5] . De bestuurster zei vervolgens: “Ze is ziek! Er moet snel een ambulance komen!”. Het ambulancepersoneel dat ongeveer 10 minuten later ter plaatse kwam, concludeerde dat er hooguit sprake was van hyperventilatie en dat [medeverdachte 3] zich aanstelde en niet naar een ziekenhuis vervoerd hoefde te worden. Omstreeks 19:30 uur heeft [verbalisant 2] de sleutels uit het contactslot van de auto gehaald.5

Terwijl [verbalisant 2] in gesprek was met de bestuurster zag politieambtenaar [verbalisant 3] dat twee vrouwen op de achterbank van de auto meermalen een jas aantrokken en deze vervolgens ook weer uittrokken en dat de vrouw die rechts achterin zat constant in haar tas zat. [verbalisant 3] zag in en naast een put op ongeveer 30 tot 50 centimeter van het rechter achterportier sieraden.6 Een deel van de in de put/naast de auto aangetroffen sieraden is door mevrouw [slachtoffer 2] herkend als van haar afkomstig. Dat geldt ook voor een op of voor de bijrijdersstoel rechts voorin de auto aangetroffen ring met goudaccenten en voor de sieradenkistjes met sieraden in de kluis die zijn inbeslaggenomen. Van haar kluis heeft mevrouw [slachtoffer 2] afstand gedaan, omdat deze niet meer te gebruiken was.7

De kluis woog 54,1 kg en bleek door een politieambtenaar, die dat heeft geprobeerd, niet zonder hulp van een tweede persoon op te tillen en te verplaatsen.8

[verbalisant 1] , op dat moment op een politiemotor werkzaam bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, vernam op 28 oktober 2016 omstreeks 19:04 uur van de voormelde ANPR-hit. Kort daarop hoorde hij dat het voertuig niet voldeed aan de aanwijzingen van een motoragent en de Gooiseweg weer opreed en er vandoor ging. [verbalisant 1] reed op de Gooiseweg met zwaailicht en sirene op rijstrook één (de linker rijbaan). Ter hoogte van de afrit waar [verbalisant 2] een portier had zien open gaan nadat het voertuig niet voldeed aan zijn aanwijzingen, zag [verbalisant 1] plotseling in het midden van de linker rijbaan een grijs vierkant voorwerp, naar later bleek een kluis, liggen. Hij kon deze kluis niet meer ontwijken en is er met een snelheid van meer dan 100 km/u9 tegenaan gereden.10 Toen hij de kluis raakte, voelde hij een harde klap ter hoogte van zijn rechtervoet. Hij voelde dat zijn motor uit balans raakte, schrok hier enorm van en moest – als zeer ervaren motorrijder – heel erg zijn best doen om de motor overeind te houden. [verbalisant 1] kon net voorkomen dat hij ten val kwam. Toen [verbalisant 1] zijn rechtervoet terug wilde zetten op de voetsteun bleek deze verdwenen. Door de aanrijding met de kluis van ongeveer 50cmx30cmx30cm waren de rechtervoorzijde en zijkant van de motor beschadigd: afdekkleppen en kappen waren verdwenen, bevestigingsbeugels en valbeugels waren verbogen of verdwenen en van het motorblok was een stuk weggeslagen en andere delen waren krom. Verschillende vloeistoffen liepen uit de motor. [verbalisant 1] schatte het tijdsbestek tussen het waarnemen door [verbalisant 2] van het openen van een rechter portier van de auto en de botsing met de kluis op ongeveer 30 seconden.11

Toen [verbalisant 1] later ter plaatse terugkwam zag hij dat er een voertuig op de linker rijbaan stilstond. Dit was de personenauto van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaarde aan [verbalisant 1] dat hij op de linker rijbaan van de Gooiseweg reed en ineens iets voor zich zag op de rijbaan wat hij niet meer kon ontwijken en dat hij heeft geraakt met de rechter voorzijde van zijn auto.12 Op ongeveer twee meter van een enorme barst in een glazen geluidswand op de Gooiseweg werd een kluis met deuken gevonden. In het wegdek werden gaten geconstateerd waarvan werd vermoed dat zij zijn ontstaan door de impact van de kluis.13

[slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat een auto voor hem remde en plotseling van de linker- naar de rechter rijbaan wisselde, dat hij vervolgens op zijn rijbaan, de linker rijbaan, een vierkant voorwerp zag liggen, waarop hij heel hard heeft geremd en op het voorwerp is geklapt, dat later een kluis bleek te zijn. [slachtoffer 1] zag dat de kluis richting de rechter rijbaan/vangrail verschoof door de impact van de aanrijding en dat de geluidswand daardoor vermoedelijk kapot is gegaan. De auto van [slachtoffer 1] was door de aanrijding aan de voorzijde helemaal kapot.14

Namens de gemeente Amsterdam is aangifte gedaan van vernieling van de geluidswand en van schade aan het wegdek, te weten twintig gaten in het asfalt.15

Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA) houdt onder meer in dat op de Gooiseweg waar het ongeval plaatsvond de toegestane maximumsnelheid 70 km/u bedroeg, dat de zonsondergang die dag om 18:18 uur was, zodat de lichtgesteldheid ‘nacht’ was ten tijde van het ongeval omstreeks 19:00 uur. Over een afstand van 77 meter zijn diepe beschadigingen in het wegdek aangetroffen, die veroorzaakt moeten zijn door een zwaar voorwerp met scherpe randen en/of punten. Het eerste recente schadespoor in het wegdek bevond zich aan de rechter zijde van de rechter rijstrook. Aan het einde van de schadesporen bevond zich een verbrijzelde ruit in de geluidswal. Mede op grond van geconstateerde recente schade aan de dorpel en de binnenbekleding van het rechter achterportier van de auto met kenteken [kenteken] en het aantreffen in de dorpel van een steentje dat overeenkwam met de steentjes in het wegdek van de Gooiseweg, acht de opsteller van de VOA het zéér waarschijnlijk dat de aangetroffen kluis uit het rijdende voertuig is gegooid en daarbij deze schade heeft veroorzaakt en bij het raken van het wegdek het steentje naar binnen heeft doen spatten.16

Over de feitelijke toedracht hebben de verdachte en de medeverdachten niet of nauwelijks verklaard. Zij hebben zich allen – ook na ter terechtzitting in hoger beroep te zijn gewezen op de mogelijke consequenties daarvan – beroepen op hun zwijgrecht.

Beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden redengevend zijn voor een gang van zaken waarin overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan door vijf personen tezamen en in vereniging uitvoering is gegeven aan de diefstal van sieraden en een kluis met sieraden van mevrouw [slachtoffer 2] door middel van een babbeltruc. Onderdeel van dat gezamenlijk uitgevoerde plan vormde het door twee vrouwen – gelet op de gememoreerde overeenkomsten in signalementen staat voldoende vast dat het hier [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrof – afleiden van mevrouw [slachtoffer 2] met meegebrachte cake en het haar in de woonkamer en vervolgens in de keuken houden, zodat (gelet op het gewicht van de kluis) ten minste twee andere personen de sieraden in de slaapkamer konden wegnemen en als dragers de kluis uit de woonkamer konden verslepen, waarbij een derde andere persoon als begeleider van de verplaatsing zal zijn opgetreden door deuren van de woning en van de auto open te houden en/of als uitkijk op te treden. Mede gelet op het tijdsverloop tussen de diefstal (omstreeks 18.45 uur) en het moment waarop de verdachte en haar medeverdachten zich hebben ontdaan van de kluis (kort na 19.04 uur) en korte tijd later zijn aangetroffen in het bezit van een deel van de buit, ziet het hof geen aanleiding te veronderstellen dat de diefstal door anderen dan de verdachte en de medeverdachten is gepleegd. Een dergelijk scenario is ook door de verdachten niet geschetst.

Nu door de verdachte geen de voormelde redengevendheid ontzenuwende (aannemelijke) verklaring is afgelegd, acht het hof bewezen dat zij zich bewust en nauw samenwerkend – en aldus tezamen en in vereniging – met de medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde, zoals hierna bewezen verklaard.

Verder is het hof van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden ervoor redengevend zijn dat op het moment waarop de auto waarin de verdachten zich bevonden de motoragent [verbalisant 2] moest volgen, door de verdachten is overgegaan tot en uitvoering is gegeven aan een gezamenlijke inspanning om zich zoveel mogelijk te ontdoen van de buit. Met het oog daarop hebben de verdachten blijkens hun kennelijk onderling gecoördineerde (want nauw op elkaar aansluitende en samenhangende) gedragingen bewust nauw samengewerkt. De bestuurster van de auto heeft het voertuig aan de controle onttrokken, terwijl nagenoeg op hetzelfde moment door de personen op de achterbank de – niet door één persoon te hanteren – kluis uit de auto is geduwd, terwijl na het tot stilstand brengen van de auto door de bestuurster en haar bijrijdster is geveinsd dat sprake was van een medische noodsituatie, waarmee zij kennelijk, evenals de andere, zich aan- en uitkledende vrouwen in de auto, beoogden de aandacht af te leiden van het verder lozen van de buit via het rechter achterportier in een daarnaast gelegen put.

Nu door de verdachte ook hieromtrent geen de voormelde redengevendheid ontzenuwende (aannemelijke) verklaring is afgelegd, acht het hof bewezen dat zij zich bewust en nauw samenwerkend – en aldus tezamen en in vereniging – met de medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het uit een met aanmerkelijke snelheid rijdende auto op een 70 km/u-weg duwen van een ruim 50 kg zware kluis, met een omvang van ongeveer een halve meter bij dertig keer dertig centimeter. De verdachten deden dit terwijl het nagenoeg donker was en het evident was dat het om een tamelijk druk bereden weg ging, gezien het tijdstip en de stedelijke ligging.

Naar het oordeel van het hof is volstrekt voorzienbaar dat de onder deze omstandigheden op de weg geduwde kluis terecht zal kunnen komen op een plaats op de rijbaan waar deze het gevaar van een botsing in het leven roept met achteropkomend verkeer, zoals motorrijders en automobilisten. Net zo voorzienbaar is dat de kans aanmerkelijk is dat een motorrijder bij een botsing met de ruim 50 kg zware kluis met een snelheid van rond de 70 km/u, zal verongelukken en dat een automobilist die met de kluis in botsing komt minst genomen zwaar lichamelijk letsel zal oplopen. Nog groter was de kans op schade aan voertuigen, weg en wegmeubilair.

Nu ook op dit vlak een verklaring van de verdachte ontbreekt die in een andere richting wijst, is het hof van oordeel dat de verdachte de voormelde aanmerkelijke kans op de dood en op zwaar lichamelijk letsel, evenals de kans op de genoemde schade, bewust heeft aanvaard. Dat brengt mee dat het onder 1 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard als volgt.

De kennelijke stelling – overigens niet bij monde van de verdachte – van de verdediging dat het klaarblijkelijk de bedoeling was de kluis op een voor het verkeer niet gevaarlijke plek te deponeren (aangezien de kluis aan de rechterkant van de meest rechter rijbaan uit de auto zou zijn geduwd), doet aan het vorenstaande niet af. Het gebleken handelen was – met name gelet op het feit dat de zware kluis uit een met aanzienlijke snelheid rijdende auto is geduwd – met het oog op dat doel zó inadequaat en liet zozeer de mogelijkheid van een ander verloop open, dat deze stelling geen afbreuk kan doen aan de vastgestelde bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op onder meer de dood en zwaar lichamelijk letsel van andere weggebruikers.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat het zwijgen van de verdachte niet in de beoordeling mag worden betrokken, omdat aan haar gezien de familierelatie waarin zij staat tot (een aantal van) haar medeverdachten het verschoningrecht toekomt. Nog daargelaten de vraag of sprake is van familiebanden die vallen onder het verschoningsrecht dat een getuige in een strafzaak toekomt, wordt dit verweer door het hof verworpen gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1767). Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat door de verdachte niet is verklaard en ook niet aannemelijk is geworden dat zich de situatie voordoet dat de verdachte enkel zwijgt en er van afziet om een haar ontlastende verklaring af te leggen teneinde geen familieleden te belasten, terwijl zij bij het doorbreken van haar zwijgen zichzelf – overtuigend – (gedeeltelijk) zou kunnen ontlasten. Daarvoor bestaan te veel aanwijzingen voor een doorlopende bewuste en nauwe samenwerking in de opeenvolgende stadia van het ten laste gelegde strafbaar handelen: anders gezegd, aanwijzingen dat de verdachte intensief betrokken was bij het gezamenlijke plan en de feitelijke uitvoering daarvan, van het begin tot het einde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
zij op 28 oktober 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [verbalisant 1] van het leven te beroven en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar mededaders vanuit een rijdende personenauto een kluis op de openbare weg, Gooiseweg, heeft gegooid, ten gevolge waarvan [verbalisant 1] met een motor en [slachtoffer 1] met een personenauto tegen die kluis zijn aangereden;

en

zij op 28 oktober 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een motor, toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, en een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en een (geluids)scherm en wegdek, toebehorende aan de gemeente Amsterdam, heeft beschadigd;

2:
zij op 28 oktober 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan [adres 2] heeft weggenomen sieraden toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

en

zij op 28 oktober 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan [adres 2] heeft weggenomen een kluis (inhoudende sieraden), toebehorende aan [slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze in de voetnoten zijn opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag

en

medeplegen van poging tot zware mishandeling

en

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde – kort gezegd: medeplegen van poging tot zware mishandeling, medeplegen van vernieling en medeplegen van opzetheling – veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor kort gezegd medeplegen van poging tot doodslag, medeplegen van vernieling en diefstal in vereniging met braak zal worden veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, met aftrek van de al in detentie doorgebrachte tijd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en haar mededaders hebben op doortrapte wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de destijds 88-jarige mevrouw [slachtoffer 2] in werknemers van de thuiszorg heeft gesteld en moet kunnen stellen. In haar eigen woning hebben zij haar nauw samenwerkend volgens een vals plan bestolen van haar sieraden. Sieraden vertegenwoordigen in het algemeen niet alleen een al dan niet aanmerkelijke waarde in het economisch verkeer, belangrijker voor de eigenaar is veelal de emotionele waarde die zij voor hem of haar hebben; de verkrijging is vaak verbonden met bijzondere momenten in het leven van de eigenaar. Ook tegen die achtergrond is het – hoewel dit aan de strafwaardigheid niet veel toe of af doet – treurig om vast te stellen hoe de verdachte en haar mededaders zich op respectloze wijze hebben proberen te ontdoen van de gestolen sieraden, deels door deze in een put te gooien naast de auto waarin zij aan de kant van de weg waren gezet. Dat geeft blijk van de extreme mate waarin de verdachte en haar mededaders uitsluitend oog hebben gehad voor hun eigen belangen: eerst hun eigen belang bij het gemakkelijk bereiken van financieel gewin, en vervolgens het voorkomen van ontdekking van hun misdrijf. Van dat laatste is de manier waarop zij zich hebben ontdaan van de kluis een even treffend als schokkend voorbeeld. Door deze meer dan 50 kg zware kluis op een weg waar 70 km/u gereden mocht worden uit de auto te duwen, hebben zij een levensgevaarlijke situatie in het leven geroepen. Zij hebben door dit handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een motorrijder die met de kluis in botsing zou komen het leven zou verliezen en dat automobilisten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Verder heeft dit handelen schade aangericht aan voertuigen en wegmeubilair.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2019 is zij eerder onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in haar nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, enkel een gevangenisstraf passend en geboden, en wel voor de duur van 30 maanden.

Vordering gevangenneming

De advocaat-generaal heeft de gevangenneming van de verdachte gevorderd. Het hof gaat hiertoe niet over, omdat het daarvoor thans onvoldoende gronden ziet.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en haar mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte en haar mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk en tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering van nadere bewijsstukken zou moeten worden voorzien, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de behandeling van de zaak daarvoor zou moeten worden aangehouden. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.866,15 bestaande uit € 5.266,15 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.266,15 bestaande uit € 4.666,15 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Voorts heeft de benadeelde partij vergoeding van in hoger beroep gemaakte proceskosten gevorderd voor het bedrag van € 69,48.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en haar mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Nu het herstel van de auto van [slachtoffer 1] economisch onverantwoord was, lijdt hij door dit verlies een nadeel in zijn vermogen gelijk aan de waarde van de auto in het economisch verkeer ten tijde van het verlies. De wijze waarop [slachtoffer 1] in dit verband zijn vordering ter zake van materiële schade van € 4.599,67 heeft gemotiveerd acht het hof toereikend en redelijk. Ook de vordering van € 600,00 ter zake van door [slachtoffer 1] geleden immateriële schade acht het hof toereikend gemotiveerd en voor toewijzing vatbaar.

De verdachte en haar mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk en tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voorts zal de verdachte worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de benadeelde partij gemaakt om de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep bij te wonen van in totaal € 135,96.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.329,25. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in haar geheel toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en haar mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte en haar mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk en tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287, 302, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededaders aan een van beide betalings-verplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 28 oktober 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.199,67 (vijfduizend honderdnegenennegentig euro en zevenenzestig cent), bestaande uit € 4.599,67 (vierduizend vijfhonderdnegenennegentig euro en zevenenzestig cent) aan materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 135,96 (honderdvijfendertig euro en zesennegentig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.199,67 (vijfduizend honderdnegenennegentig euro en zevenenzestig cent), bestaande uit € 4.599,67 (vierduizend vijfhonderdnegenennegentig euro en zevenenzestig cent) aan materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededaders aan een van beide betalings-verplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 28 oktober 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.329,25 (duizend driehonderdnegenentwintig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.329,25 (duizend driehonderdnegenentwintig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededaders aan een van beide betalings-verplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 28 oktober 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 februari 2019.

1 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. G 204.

2 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, met fotobijlage, doorgenummerde p. E 1.1 035 – E 1.1 036.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. C1 001-C1 004.

4 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. G 204, met bijlage p. G 207.

5 Proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. B 001 – B 003.

6 Proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. B 007 – B 008 en proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. G 107 – G 108.

7 Proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, met bijlage, doorgenummerde p. G 103 – G 106; proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. G 106 en proces-verbaal van bevindingen in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde p. G 45.

8 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde p. G 180.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 1] , in de wettelijke vorm opgemaakt door de raadsheer-commissaris belast met behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam, p. 4.

10 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. B 005 – B 006.

11 Proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. C 001 – C 003.

12 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. B 005 – B 006.

13 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. B 022.

14 Proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. C 004 – C 005.

15 Proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, met bijlagen, doorgenummerde p. C 06 – C 12.

16 Proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. G 50 – G 73, in het bijzonder p. G 54, G 57, G 66 en G 72.