Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2941

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
15-08-2019
Zaaknummer
23-000094-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrifte (valse verblijfsvergunning) en opzetheling identiteitskaarten. Verwerping verweer psychische overmacht. Hoewel het hof wil aannemen dat bij de verdachte de sterke wens leefde zijn familieleden uit Syrië naar Nederland te laten komen, rechtvaardigt dit op zichzelf nog niet de conclusie dat sprake was van dusdanig benarde omstandigheden dat de verdachte op andere dan legale wijze mocht handelen en van hem in redelijkheid niet te vergen viel dat hij naliet de feiten te plegen. Nu ook overigens geen concrete aanknopingspunten bestaan dat hiervan sprake was, waarbij het hof betrekt dat evenmin voldoende is geconcretiseerd en aannemelijk geworden dat de verdachte sprake was van pressie van psychische aard waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden, kan zijn beroep op psychische overmacht niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000094-18

datum uitspraak: 10 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-000766-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 31 december 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verblijfsvergunning van België (voorzien van het nummer [nummer] en op naam gesteld van [naam]) heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst;

2.
hij op of omstreeks 31 december 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (een) goed(eren) te weten een nationale identiteitskaart van Bulgarije en/of nationale identiteitskaart van Griekenland heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 31 december 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een valselijk opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verblijfsvergunning van België, voorzien van het nummer [nummer] en op naam gesteld van [naam], voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dit geschrift bestemd was om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst;

2.
hij op 31 december 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, goederen, te weten een nationale identiteitskaart van Bulgarije en een nationale identiteitskaart van Griekenland voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte feit 1 en feit 2

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu sprake was van psychische overmacht.

Door de verdachte en de raadsman zijn de volgende omstandigheden aangevoerd. De moeder en broers van de verdachte verbleven in Syrië. Op dat moment was de situatie in Syrië dusdanig ernstig dat (vrijwel) iedereen die in Nederland arriveerde en uit Syrië afkomstig was, een verblijfsvergunning kreeg. Het was niet mogelijk om de familie op legale wijze, door middel van gezinshereniging, te laten overkomen, omdat gezinshereniging alleen mogelijk is voor partners of minderjarige kinderen. De verdachte heeft daarom een valse verblijfsvergunning en van misdrijf afkomstige identiteitskaarten voorhanden gehad, omdat hij daarmee hoopte zijn familie te kunnen laten overkomen.

Het hof overweegt als volgt.

Hoewel het hof wil aannemen dat bij de verdachte de sterke wens leefde zijn familieleden uit Syrië naar Nederland te laten komen, rechtvaardigt dit op zichzelf nog niet de conclusie dat sprake was van dusdanig benarde omstandigheden dat de verdachte op andere dan legale wijze mocht handelen en van hem in redelijkheid niet te vergen viel dat hij naliet de feiten te plegen. Nu ook overigens geen concrete aanknopingspunten bestaan dat hiervan sprake was, waarbij het hof betrekt dat evenmin voldoende is geconcretiseerd en aannemelijk geworden dat de verdachte sprake was van pressie van psychische aard waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden, kan zijn beroep op psychische overmacht niet slagen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

Oordeel van de politierechter en standpunten van partijen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat, indien aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd, deze geheel voorwaardelijk wordt opgelegd, eventueel in combinatie met een taakstraf.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een valse verblijfsvergunning voorhanden gehad. Hij heeft daardoor het vertrouwen in de echtheid van verblijfsdocumenten en daarmee ook de belangen van een goede grensbewaking geschaad. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan opzetheling van twee identiteitskaarten. Het delict van heling bevordert het plegen van vermogensdelicten zoals diefstallen, doordat de daders van deze vermogenscriminaliteit voorzien worden van een afzetmarkt voor hun buit hetgeen bijzonder vervelende gevolgen kan hebben voor de slachtoffers.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juni 2019 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof merkt de verdachte daarom aan als first offender.

Bij het bezit van valse verblijfsdocumenten worden doorgaans fikse onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen opgelegd. Het hof acht een dergelijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in beginsel ook op zijn plaats voor de onderhavige feiten. Gelet echter op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, te weten de gezondheidstoestand van de verdachte en zijn schuldenproblematiek, zal het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf in voorwaardelijke vorm opleggen. Vanwege de ernst van het feit is daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. F.M.D. Aardema en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juli 2019.

Mr. S.M.M. Bordenga is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]