Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2937

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
18/00472
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:609
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Op grond van artikel 3.120, eerste lid onder c, van de Wet IB 2001 zijn de periodieke betalingen op grond van het erfpachtrecht aftrekbaar. Voor het overige zijn de betalingen dat niet.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-10-2019
FutD 2019-2793
V-N Vandaag 2019/2357
V-N 2019/59.1.1
Viditax (FutD), 10-04-2020
NTFR 2019/2891
NLF 2019/2417 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00472

23 juli 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[naam] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/5520 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

(gemachtigde: L.M. Kwakman).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 22 juni 2016 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.547.

1.2.

Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 31 oktober 2017, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.151.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 juli 2018 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 15 augustus 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. Van de zijde van belanghebbende, die voor de zitting is uitgenodigd bij aangetekende brief met dagtekening 13 juni 2019, verzonden naar het adres [adres] , is niemand verschenen. Blijkens gegevens van PostNL (‘Track & Trace’) is de brief bezorgd op vrijdag 14 juni 2019 en is voor de ontvangst getekend.

Namens de inspecteur is verschenen gemachtigde voornoemd vergezeld door mr. J.H. van Wier. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

Het Hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1.

Belanghebbende heeft op 12 oktober 2004 een koopovereenkomst gesloten waarbij zij van [naam verkoper 1] , [naam verkoper 2] en [naam verkoper 3] een lidmaatschap in de [vereniging] . (hierna: de vereniging) heeft gekocht. Op 23 november 2004 is de akte van levering betreffende het voornoemde lidmaatschap verleden voor de notaris. Door de aankoop van dit lidmaatschapsrecht heeft belanghebbende onder meer het recht op uitsluitend gebruik van de woning aan [adres] verkregen, zijnde een 5-kamerflat. Het terrein waarop het gebouw staat waarin de woning van belanghebbende is gelegen is eigendom van de gemeente; er is een voortdurend recht van erfpacht gevestigd dat toekomt aan de vereniging. In de akte van levering is opgenomen dat de maandelijkse contributie aan de vereniging thans € 180,27 bedraagt (zie pagina 7 van de akte, onder ‘bijzondere verklaringen verkopers’).

2.2.Belanghebbende heeft in haar aangifte IB 2013 als aftrekpost een bedrag van € 2.712 opgenomen onder de noemer periodieke betaling voor “erfpacht, opstal en beklemming EW”. Door de inspecteur zijn voorafgaand aan de aanslagregeling, maar ook in de bezwaarfase, vragen gesteld omtrent deze aftrekpost.

2.3.Tot de gedingstukken behoren twee brieven aan “de bewoners” (- naar het Hof begrijpt -van het flatgebouw waarin belanghebbende woont) van “ [naam persoon] ” (- naar het Hof begrijpt -van de vereniging). Het betreft een brief inzake “Fiscale gegevens t.b.v. inkomstenbelasting 2004”, gedagtekend 1 februari 2005, en een brief inzake “Fiscale gegevens t.b.v. inkomstenbelasting 2005”, gedagtekend 7 februari 2006. In deze brieven staat onder meer vermeld dat de periodieke betalingen voor erfpacht ten aanzien van een 5-kamerflat voor de jaren 2004 en 2005 € 113 bedraagt.

2.4.Tot de gedingstukken behoort een aantal financiële stukken van de vereniging. Er is een document waarop de balans per 31 december 2013 en het exploitatieoverzicht 2013 van de vereniging is vermeld. Onder de lasten is in het exploitatieoverzicht 2013, naast diverse andere posten, een bedrag van € 1.571,44 voor “Erfpacht” opgenomen.

Voorts is een “Berekening Voorschot Exploitatiekosten 2014” opgenomen waarvoor, ter bepaling van het voorschot van een “Grote Flat”, als breukdeel 16/223 is genomen. Nu het totale voorschot exploitatiekosten 2014 is becijferd op € 37.797, bedraagt het voorschotbedrag per jaar voor een “Grote Flat” € 2.711,89 (per maand €225,99). Uit het daarna opgenomen overzicht “Maandelijkse bijdrage 2014” is op te maken dat belanghebbende met huisnummer [huisnummer] , voor 16/223e deelt in de uitgaven van de vereniging. De totale maandelijkse bijdrage voor nummer [huisnummer] is becijferd op € 280,45 (voorschotbijdrage € 225,99 + cv-voorschot € 54,46). Tot de gedingstukken behoort een overzicht waarop (bank)overschrijvingen in 2013 van belanghebbende aan de vereniging zijn opgenomen ter grootte van dit bedrag (€ 280,45).

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslag juist is vastgesteld. Specifiek is in geschil in hoeverre belanghebbende een aftrekpost toekomt op de voet van artikel 3.120, eerste lid, onder c, van de Wet IB 2001.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Beoordeling van het geschil

9. Op grond van het bepaalde in artikel 3.120, eerste lid, van de Wet IB 2001 geldt:

“1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:

a. de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld;

b. de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld;

c. de periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming, met betrekking tot de eigen woning.”

10. Eiseres heeft – in haar stukken en ter zitting – betoogd dat zij recht heeft op aftrek van € 2.712 (bestaande uit: 12 x € 225,99), zijnde de contributie die zij heeft betaald aan de vereniging voor het algemeen deel van het gebruik van de flat (ten tijde van de aankoop bedroeg deze contributie € 180,27, in het onderhavige jaar € 225,99).

11. De rechtbank overweegt dat de vereniging diverse uitgaven heeft gedaan en dat deze uitgaven zijn doorberekend aan eiseres. Deze uitgaven bestaan onder meer uit kosten voor erfpacht en servicekosten. De rechtbank constateert dat op grond van artikel 3.120, eerste lid, onder c, van de Wet IB 2001 de periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht aftrekbaar zijn. Uit de hierboven weergegeven stukken leidt de rechtbank af dat kosten voor erfpacht voor eiseres € 113 hebben bedragen. Voor het overige zijn de betalingen aan de vereniging niet aftrekbaar. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het door haar genoemde bedrag van € 2.712, rente van schulden of kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, Wet IB 2001 zijn begrepen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de overige betalingen aan de vereniging (contributie) zien op servicekosten, zoals kosten voor de lift, elektraverbruik, glazenwasser, centrale verwarming etc. Servicekosten zijn geen rechten van erfpacht. Deze kosten zijn niet aftrekbaar.

12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Ook in hoger beroep staat belanghebbende een aftrekpost voor van € 2.712 (bestaande uit: 12 x € 225,99). Zij voert in hoger beroep, kortgezegd, het volgende aan: “mijn bezwaar gaat dus niet over betalingen voor erfpacht maar over periodieke betalingen van opstalrecht” en “Ik betaal een retributie vanwege een opstalrecht”. Zij stelt voorts dat de exploitatieoverzichten van de vereniging niet te controleren zijn en dat daarentegen haar bankafschriften als uitgangspunt dienen te worden genomen.

5.2.

Het Hof overweegt dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen, het Hof neemt de door de rechtbank gebezigde gronden over. Ter aanvulling overweegt het Hof het volgende.

5.3.

Ingevolge artikel 5:101, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan aan een opstaller de verplichting worden opgelegd om aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - retributie - te betalen. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van door haar gedane dergelijke periodieke betalingen op grond van opstal. De betalingen aan de vereniging (in de akte van levering worden deze genoemd als de contributie aan de vereniging) worden gedaan ter dekking van de door de vereniging gemaakte kosten en het vormen van een financiële reserve van de vereniging. Zulks volgt uit de financiële stukken van de vereniging (zie onder 2.4). Voor zover de kosten in 2013 het deel van de erfpacht betreffen dat kan worden toegerekend aan de flat van belanghebbende (het in overweging 11 van de uitspraak van de rechtbank genoemde bedrag van € 113), is aftrek door de inspecteur toegestaan.

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, N. Djebali en M. Greebe, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 23 juli 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.