Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2914

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
23-001145-16 (parketnummer) en 000726-19 (rekestnummer)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling. Het hof wijst af de vordering van de advocaat-generaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

rekestnummer: 000726-19

parketnummer: 23-001145-16

BESLISSING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres],

hierna te noemen: de veroordeelde.

Procesgang

De veroordeelde is bij onherroepelijk arrest van dit gerechtshof van 13 oktober 2016 met bovengemeld parketnummer – voor zover hier van belang – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 400 dagen voorwaardelijk, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit, medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit en onder de bijzondere voorwaarden dat hij zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering te Amsterdam, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht, én zich gedurende de proeftijd onder behandeling laat stellen van een instelling van forensische ambulante zorg, door de reclassering aan te wijzen, op de tijden en plaatsen als door die instelling aan te geven.

Namens het openbaar ministerie heeft de advocaat-generaal tijdig, namelijk op 7 juni 2019, een schriftelijke vordering ingediend. Deze houdt in dat het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal gelasten, aangezien de veroordeelde zich niet aan de gestelde bijzondere voorwaarden heeft gehouden.

Het hof heeft de vordering behandeld op de openbare terechtzitting van 9 juli 2019. Daar zijn gehoord de veroordeelde, diens raadsvrouw mr. G.A. Jansen, de advocaat-generaal en [naam 1], reclasseringswerker.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd arrest voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 400 dagen gevorderd.

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft ter terechtzitting primair verzocht de vordering af te wijzen en, subsidiair, verzocht de behandeling van de zaak aan te houden.

Beoordeling


Blijkens het advies van 3 juni 2019 van de Reclassering Nederland, ondertekend door [naam 1], heeft de veroordeelde de bijzondere voorwaarden niet nageleefd. In dit advies staat dat de veroordeelde tweemaal per brief is uitgenodigd voor een gesprek, waarna de veroordeelde niets van zich heeft laten horen. Nadat de reclassering telefonisch contact met de veroordeelde had opgenomen, heeft de veroordeelde duidelijk gemaakt niet voornemens te zijn zich aan de meldplicht te houden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [naam 1] verklaard dat, gelet op het voorgaande, het niet mogelijk is te beginnen met de behandelverplichting.

De raadsvrouw heeft, kort gezegd, naar voren gebracht dat haar cliënt op verschillende momenten contact heeft gehad met de reclassering. Haar cliënt heeft in de jaren 2016 en 2017 op vrijwillige basis contact onderhouden met zijn toezichthouders bij de reclassering, te weten [naam 2] en [naam 3]. In 2016 oordeelden [naam 2] en [naam 4] van de reclassering dat een behandeling niet noodzakelijk was. Na het onherroepelijk worden van het arrest van het hof in de onderhavige zaak in 2018, heeft haar cliënt onder toezicht gestaan van [naam 4], aldus de raadsvrouw.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de contactmomenten met de reclassering steeds minder frequent werden: van één keer per week, naar twee keer per maand, naar één keer per maand. De veroordeelde heeft een baan, heeft zijn studie bijna afgerond en beschikt over een eigen (studenten)woning. Hij heeft verklaard niet terug te willen naar de gevangenis en bereid te zijn de bijzondere voorwaarden alsnog uit te voeren.

[naam 1] heeft ter terechtzitting bevestigd dat er al eerder contacten tussen de reclassering en de verdachte zijn geweest. Hij heeft verklaard dat hij het toezicht heeft overgenomen van zijn collega [naam 4], maar dat hij geen kennis heeft genomen van de volledige voorgeschiedenis. Nu sprake was van een wisseling van begeleiders heeft [naam 1] de veroordeelde opgeroepen voor gesprek. De verdachte heeft aan die oproep – eerst tweemaal schriftelijk, toen telefonisch – geen gehoor gegeven en dan schrijft het protocol voor dat er een advies om tot tenuitvoerlegging over te gaan volgt, aldus [naam 1]. [naam 1] heeft verklaard geen informatie te hebben dat er in de eerdere contacten van de reclassering problemen met de veroordeelde zouden zijn geweest en heeft verklaard het toezicht, als de veroordeelde hiervoor openstaat, te willen oppakken.

Het hof is van oordeel dat het advies van de Reclassering Nederland van 3 juni 2019 – waarop de vordering tenuitvoerlegging is gebaseerd – onvolledig is geweest, nu daarin geen melding wordt gemaakt van het door de verdediging geschetste voortraject.

Nu het hof genoegzaam is gebleken dat de veroordeelde in het verleden heeft gedaan wat de reclassering hem vroeg, dat de veroordeelde bereid is het contact voort te zetten, en het hof ook overigens geen termen aanwezig acht de tenuitvoerlegging te gelasten, zal de vordering worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

Wijst af de vordering van de advocaat-generaal.

Deze beslissing is genomen door mr. M.M. van der Nat, mr. C. Fetter en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2019.

Mr. C. Fetter en mr. M.J. Dubelaar zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.

[…]