Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2860

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
13-08-2019
Zaaknummer
200.249.522/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:1299
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ouderschapsregeling op 50/50-basis is in casu niet in het belang van het kind doordat de man blijft volharden in zijn wantrouwen jegens de vrouw. De hoofdverblijfplaats dient in het belang van het kind bij dezelfde (hoofd)opvoeder te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.249.522/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/266256 / FA RK 17-6500

Beschikking van de meervoudige kamer van 30 juli 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [Z] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.P.M. Engels te Heerhugowaard,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Y.A.R. Seen te Noord-Scharwoude.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

- de minderjarige [zoon] (hierna te noemen: [de minderjarige] );

- de gecertificeerde instelling Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de GI)

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 25 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 24 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 30 januari 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 13 maart 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de raad van 23 november 2018, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 18 januari 2019 met bijlagen, ingekomen op 21 januari 2019;

- een brief van de zijde van de raad van 7 maart 2019, ingekomen op 8 maart 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 30 april 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van de zijde van de vrouw van 30 april 2019 met bijlagen, ingekomen op 1 mei 2019;

- een faxbericht van de zijde van de man van 1 mei 2019 met bijlagen;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 3 mei 2019;

- een faxbericht van de zijde van de man van 5 mei 2019 met bijlage;

- een brief van de zijde van de vrouw van 6 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 8 mei 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 7 mei 2019 met bijlage, per faxbericht ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 mei 2019 met bijlage, per faxbericht ingekomen op diezelfde datum.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 15 mei 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en haar leidinggevende;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

Ter zitting in hoger beroep hebben beide advocaten pleitnotities overgelegd.

2.6

Het geschil tussen de man en de vrouw (hierna: partijen) met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders is ter zitting zeer uitvoerig behandeld. Ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie zijn partijen - zoals afgesproken ter zitting - in de gelegenheid gesteld na de mondelinge behandeling hun standpunten gelijktijdig schriftelijk toe te lichten en daarna nog eenmaal op elkaars stukken te reageren. Voorafgaand aan het sluiten van de zitting is partijen meegedeeld dat het hof ten aanzien van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats heden uitspraak zal doen. Het hof zal op 1 oktober 2019 (in een afzonderlijke beschikking) uitspraak doen ten aanzien van de verzoeken ter zake van de kinder- en partneralimentatie, waarbij ook die nadere stukkenwisseling betrokken zal worden.

3 De feiten

3.1

Door de inschrijving op 12 november 2018 in de registers van de burgerlijke stand van de – in zoverre niet bestreden – echtscheidingsbeschikking van 25 juli 2018, is het huwelijk van partijen, gesloten [in] 2013 in Koggenland, ontbonden. Uit dat huwelijk is [de minderjarige] geboren [in] 2014. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Naast [de minderjarige] heeft de vrouw nog drie andere kinderen uit eerdere huwelijken. Te weten;

- [kind A] , geboren [in] 2001 (hierna: [kind A] );

- [kind B] , geboren [in] 2003 (hierna: [kind B] );

- [kind C] , geboren [in] 2009 (hierna: [kind C] ).

[kind B] en [kind C] verblijven bij de vrouw. [kind A] heeft zijn hoofverblijf bij zijn vader en verblijft in het weekend en in de vakanties bij de vrouw. [kind B] heeft geen omgang met haar vader. [kind C] heeft gedurende een weekend per veertien dagen omgang met haar vader.

3.3

[de minderjarige] lijdt aan tubereuze sclerose (TSC2) en polycystic kidney disease (PKD1). Dat is een zeldzame combinatie van twee genetische ziekten. PKD1 leidt tot veel niertumoren en uiteindelijk tot het stoppen van de nierfunctie. TSC2 leidt tot tumorgroei in de hersenen, hart, nieren, longen, huid en botten. Daarnaast heeft [de minderjarige] hydrocefalus (een waterhoofd). Sinds kort kan [de minderjarige] praten, eerder communiceerde hij slechts door middel van gebarentaal. [de minderjarige] functioneert cognitief op het niveau van een driejarige.

3.4

Op 27 september 2017 heeft er een incident plaatsgevonden ten gevolge waarvan aan de man een huisverbod van tien dagen is opgelegd. De vrouw heeft de echtelijke woning op 7 december 2017 verlaten.

3.5

Bij beschikking van 1 november 2017 heeft de rechtbank [de minderjarige] ambtshalve voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 1 februari 2018.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank van 16 november 2017 is bij wijze van voorlopige voorziening – samengevat – bepaald dat:

- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning;

- [de minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;

- een zorgregeling geldt waarbij [de minderjarige] eens in de twee weken een weekend bij de man verblijft van zaterdag 09.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) van € 599,- per maand, dient te voldoen.

3.7

Bij beschikking van de rechtbank van 13 december 2017 is de raad verzocht onderzoek te doen en advies uit te brengen over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en over welke zorgregeling in zijn belang is, een en ander in aanvulling op de reeds bij beschikking van 1 november 2017 aan de raad gegeven opdracht om onderzoek te doen naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

3.8

Op 15 januari 2018 heeft de vader van de man geprobeerd de vrouw van het leven te beroven. De vrouw is naar aanleiding hiervan opgenomen in het ziekenhuis. De vader van de man is op 2 augustus 2018 wegens poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

3.9

Bij beschikking van de rechtbank van 16 januari 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij zijn vader verleend met ingang van 16 januari 2018.

3.10

Op 22 januari 2018 is [de minderjarige] teruggeplaatst bij de vrouw na haar ontslag uit het ziekenhuis.

3.11

Bij beschikking van de rechtbank van 19 januari 2018 is, naar aanleiding van een verzoek en rapport van de raad, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 19 januari 2019.

3.12

Bij beschikking van de rechtbank van 1 maart 2018 is met wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen van 16 november 2017 – samengevat –:

- bepaald dat [de minderjarige] eens in de twee weken een weekend bij de man verblijft van vrijdag uit Heliomare (12.00 uur), dan wel vanaf 1 maart 2018 vanuit de Mytylschool, tot maandagochtend naar Heliomare (09.00 uur), dan wel de Mytylschool;

- een zomervakantie- en feestdagenregeling vastgesteld;

- bepaald dat de vrouw de man in voorkomende gevallen van een acute medische bijzonderheid bij [de minderjarige] , binnen twee uren in kennis stelt;

- bepaald dat de man aan de vrouw, naast de kinderalimentatie voor [de minderjarige] van geïndexeerd € 608,- per maand, een partnerbijdrage (hierna ook: partneralimentatie) dient te voldoen van € 52,- bruto per maand.

3.13

De raad heeft op 28 maart 2018 een rapport uitgebracht, waarin de raad de rechtbank adviseert om de hoofverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw te bepalen en een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] om de veertien dagen een weekend bij de man verblijft.

3.14

Bij vonnis in kort geding van 7 juni 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank onder meer:

- bepaald dat de vrouw binnen één week na ontvangst daarvan relevante medische informatie over [de minderjarige] en relevante informatie van school, die de man niet rechtstreeks van de medici of school verkrijgt of kan verkrijgen, per mail aan de man verstrekt;

- bepaald dat de vrouw in overleg met de man afspraken met en bezoeken aan behandelend artsen van [de minderjarige] dient te maken en dat zij dient toe te staan dat de man bij dergelijke afspraken aanwezig is, en voorts dat zij eenmaal geplande afspraken niet eenzijdig mag afzeggen;

- bepaald dat de vrouw dient mee te werken aan de aanvraag van een gehandicaptenpas voor [de minderjarige] en, in geval de vrouw hiermee in gebreke blijft, – onder voorwaarden – vervangende toestemming aan de man verleend voor het aanvragen van een dergelijke pas;

- bepaald dat de gehandicaptenpas in de medicijntas van [de minderjarige] bewaard dient te worden;

- op straffe van een dwangsom de man verboden om met [de minderjarige] op bezoek te gaan in de penitentiaire inrichting bij de vader van de man.

3.15

Bij vonnis van de rechtbank van 31 juli 2018 is aan voormelde verplichtingen van de vrouw een dwangsom verbonden.

3.16

De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is laatstelijk bij beschikking van de rechtbank van 17 januari 2019 verlengd tot 19 juli 2019.

3.17

Bij de (in zoverre niet bestreden) beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de raad verzocht ten aanzien van het gezag in aanvulling op het rapport van 28 maart 2018, onderzoek te doen ter beantwoording van de vraag welke gezagsvoorziening in het belang van [de minderjarige] is, en de rechtbank ter zake te adviseren.

3.18

Bij brief aan de rechtbank van 10 april 2019 heeft de raad het verzoek tot onderzoek aan de rechtbank teruggegeven. Tot op heden heeft de rechtbank de beslissing inzake het gezag over [de minderjarige] pro forma aangehouden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op verzoek van de vrouw:

1. de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw bepaald,

2. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vastgesteld:

· Ten aanzien van de reguliere zorgregeling:

- [de minderjarige] verblijft bij de man in de oneven weken eenmaal per twee weken een weekend van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend naar school;

- indien [de minderjarige] geen school heeft op vrijdag, dan vindt de overdracht om 12.00 uur plaats door een onafhankelijke derde op een neutrale plek;

- indien [de minderjarige] geen school heeft op maandag, dan vindt de overdracht om 12.00 uur plaats door een onafhankelijke derde op een neutrale plek;

· Ten aanzien van de vakantie- en feestdagen:

Zomervakantie 2018:

- [de minderjarige] verblijft van vrijdag 20 juli 2018 uit school tot maandag 23 juli 2018 12.00 uur bij de man;

- [de minderjarige] verblijft van maandag 23 juli 2018 12.00 uur tot maandag 13 augustus 2018 12.00 uur bij de vrouw;

- [de minderjarige] verblijft maandag 13 augustus 2018 12.00 uur tot maandag 3 september 2018 naar school bij de man;

- de overdracht op maandag 23 juli 2018 en op 13 augustus 2018 vindt plaats door een onafhankelijke derde op een neutrale plek;

Zomervakantie vanaf 2019:

- [de minderjarige] verblijft de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw. Indien de laatste schooldag voor de zomervakantie valt in een oneven week en derhalve in het zorgweekend van de man, prevaleert de reguliere zorgregeling en vindt de wisseling plaats zoals hierboven onder ‘zomervakantie 2018’ vermeld;

- de overdracht, indien deze niet op school geschiedt, vindt plaats door een onafhankelijke derde op een neutrale plek;

Vakanties van één week:

- Vakanties van één week worden bij helfte gedeeld. De vakantie vangt aan op de laatste schooldag voor deze vakantie uit school en eindigt op de eerste schooldag naar school. Indien de laatste schooldag valt in een oneven week, dan verblijft [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag uit school tot de woensdag daarop bij de man. Vanaf woensdag 12.00 uur tot en met maandag naar school verblijft [de minderjarige] bij de vrouw. Indien de laatste schooldag valt in een even week, dan verblijft [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag uit school tot de woensdag daarop bij de vrouw en zal [de minderjarige] van woensdag 12.00 uur tot maandag naar school bij de man verblijven;

- de overdracht, indien deze niet op school geschiedt, vindt plaats door een onafhankelijke derde op een neutrale plek;

Vakanties van twee weken:

- Vakanties van twee weken worden bij helfte verdeeld. De vakantie vangt aan op de laatste schooldag voor deze vakantie uit school en eindigt op de eerste schooldag naar school. Indien de laatste schooldag valt in een oneven week, dan verblijft [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag uit school tot de tweede zaterdag in die vakantie bij de man. Vanaf die zaterdag 12.00 uur tot en met maandag naar school verblijft [de minderjarige] bij de vrouw. Indien de laatste schooldag valt in een even week, dan verblijft [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag uit school tot de tweede zaterdag in die vakantie bij de vrouw en zal [de minderjarige] van die zaterdag 12.00 uur tot maandag naar school bij de man verblijven;

- de overdracht, indien deze niet op school geschiedt, vindt plaats door een onafhankelijke derde op een neutrale plek;

Feestdagen:

- [de minderjarige] verblijft eerste Kerstdag bij de vrouw, tweede Kerstdag bij de man; voorafgaand en aansluitend geldt de voorgaande vakantieverdeling; wissel op een neutrale plek door een onafhankelijke derde;

- [de minderjarige] verblijft op Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag even jaren (uitgaande van oudejaarsdag) bij de man, oneven jaren (uitgaande van oudejaarsdag) bij de vrouw, wissel op een neutrale plek door een onafhankelijke derde;

- [de minderjarige] verblijft eerste Paasdag bij de vrouw, tweede Paasdag bij de man met een wissel op een neutrale plek door een onafhankelijke derde;

- [de minderjarige] verblijft eerste Pinksterdag bij de ouder waar hij conform de reguliere zorgregeling op dat moment is, tweede Pinksterdag bij de andere ouder met een wissel op een neutrale plek door een onafhankelijke derde;

- Een feestdag is van 09.00 uur ’s ochtends tot 18.00 uur ’s avonds.

Overige dagen:

- [de minderjarige] verblijft op zijn verjaardag daar waar hij volgens de gebruikelijke regeling is. Partijen vieren de verjaardag ieder in hun eigen kring en tijd;

- De verjaardag van familieleden van [de minderjarige] brengen geen wijziging in de reguliere zorgregeling. Partijen vieren de verjaardagen in hun eigen tijd;

- Vrije (school)dagen (studiedagen) brengen geen wijziging in de reguliere zorgregeling. Indien de vrije school-/studiedag een wisseldag betreft, dan vindt de wisseling om 09.00 uur plaats.

4.2

De man verzoekt in principaal hoger beroep, na aanvulling bij akte van zijn oorspronkelijke verzoek in zijn appelschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre – voor zover thans van belang:

I. vast te stellen dat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats zal hebben bij de man;

II. een zorgregeling vast te stellen tussen partijen en [de minderjarige] waarbij

primair: [de minderjarige] elke maandag van ouder wisselt, zodat hij gelijkelijk bij ieder der ouders zal

verblijven. Indien dit geen schooldag betreft, dan verblijft [de minderjarige] echter bij de ouder waar hij

op de zondag verbleef, tot aan de eerstvolgende schooldag;

subsidiair: vast te stellen dat [de minderjarige] bij de ouder zal verblijven, bij wie hij niet zijn gewone

verblijfplaats heeft (naar het hof begrijpt: de vrouw), gedurende één weekeinde per twee weken, van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsook elke dinsdag vanuit school tot donderdag naar school;

meer subsidiair: een zorgregeling vast te stellen volgens het schema van de klinisch

psycholoog, te weten:

week 1 ouder 1 ma/di/woe ouder 2 do/vrij/zat

week 2 ouder 1 zon/ma/di/woe ouder 2 do/vrij/zat/zon

week 3 ouder 1 ma/di/woe ouder 2 do/vrij/zat

week 4 ouder 1 zon/ma/di/woe ouder 2 do/vrij/zat/zon

althans die zorgregeling in goede justitie vast te stellen die naar het oordeel van het hof recht doet aan het belang van [de minderjarige] en het gelijkwaardig ouderschap van de man en de vrouw.

III. de volgende vakantieverdeling vast te stellen (waarbij [de minderjarige] bij de in het schema vermelde ouder verblijft tot aan de eerstvolgende schooldag):

MAN: VROUW:

Zomervakantie

Oneven jaren eerste drie weken,

Even jaren eerste drie weken,

waarbij er rekening wordt

waarbij er rekening wordt

gehouden dat [de minderjarige] niet langer

gehouden dat [de minderjarige] niet langer

dan 3 weken zijn andere ouder

dan 3 weken zijn andere ouder

niet ziet. In dat geval dient de

niet ziet. In dat geval dient de

vakantie gestart te worden met

vakantie gestart te worden met

een bezoek weekend aan moeder. (2021)

een bezoek weekend aan vader. (2022)

Herfstvakantie

Oneven jaren bij de man

Even jaren bij de vrouw

Kerstvakantie

Eerste week in oneven jaren

Eerste week in even jaren

Voorjaarsvakantie

Even jaren bij de man

Oneven jaren bij de vrouw

Meivakantie

Even jaren eerste week bij de man

Oneven jaren eerste week bij de vrouw

Vrije dagen school

Daar waar [de minderjarige] op dat moment verblijft

Daar waar [de minderjarige] op dat moment verblijft

IV. de volgende verdeling van feestdagen en bijzondere dagen vast te stellen:

Feestdag;

2019

2020

2021

2022

Verjaardag [de minderjarige]

vrouw

man

vrouw

man

Goede vrijdag

vrouw

man

man

man

le paasdag

vrouw

man

vrouw

man

2de paasdag

vrouw

man

vrouw

man

Koningsdag

man

vrouw

vrouw

vrouw

Bevrijdingsdag

vrouw

vrouw

man

man

Moederdag

vrouw

vrouw

man

man

Hemelvaartsdag

vrouw

man

vrouw

vrouw

1e pinksterdag

man

vrouw

man

vrouw

2e pinksterdag

man

vrouw

man

vrouw

Vaderdag

man

man

vrouw

vrouw

Sint-Maarten

vrouw

man

vrouw

vrouw

Intocht Sinterklaas (nationaal)

man

vrouw

man

vrouw

Sinterklaasavond

man

vrouw

vrouw

vrouw

Kerst

man

vrouw

man

vrouw

Oud en nieuw

vrouw

man

vrouw

man

en daartoe de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar d.d. 25 juli 2018 te dienovereenkomstig te wijzigen.

V. de raad te bevelen het onderzoek opnieuw uit te voeren althans het raadsrapport van 28 maart 2018 vervallen te verklaren althans deze buiten beschouwing laten,

VI. de verzoeken van de vrouw af te wijzen dan wel de vrouw in haar verzoeken alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

4.3

De vrouw verzoekt – voor zover hier van belang – in principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.4

In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw een verzoek gedaan ten aanzien van de kinderalimentatie. De man heeft daartegen verweer gevoerd. Zoals hiervoor is overwogen zal de beslissing daarop bij afzonderlijke beschikking plaatsvinden.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof liggen thans voor de verzoeken van de man de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling zoals hierboven omschreven vast te leggen en zijn verzoek de raad te bevelen het onderzoek opnieuw uit te voeren althans het raadsrapport van 28 maart 2018 vervallen te verklaren althans deze buiten beschouwing laten.

Raadsonderzoek

5.2

Anders dan de man ziet het hof geen aanleiding een aanvullend onderzoek door de raad te gelasten. De man stelt in dit verband dat het raadsonderzoek, dat heeft geleid tot het rapport van 28 maart 2018, slechts een zeer korte tijdsperiode beslaat, de observaties en gesprekken zeer kort geduurd hebben, en de rapportage zeer snel was afgerond. Naar het oordeel van het hof zijn dit omstandigheden die op zichzelf niets zeggen over de deugdelijkheid van het onderzoek. Het was aan de man om concrete – onderbouwde – feiten of omstandigheden te stellen, op grond waarvan kan worden beoordeeld of aan het raadsonderzoek dan wel het rapport gebreken kleven, hetgeen hij echter heeft nagelaten. De verwijzing naar een door de man van een “registerpsycholoog, tevens kinder- en jeugdpsycholoog en orthopedagoog” verkregen contra-expertise ten aanzien van het raadsrapport, is daartoe onvoldoende. Het hof kan aan deze opinie niet de conclusies verbinden die de man eraan wenst te verbinden, al was het alleen maar om het feit dat de opsteller daarvan anoniem wenst te blijven en het hof zodoende de betrouwbaarheid en authenticiteit van deze contra-expertise niet kan inschatten. De overige klachten van de man met betrekking tot het rapport zien met name op de conclusies waartoe de raad is gekomen. De enkele omstandigheid dat de man het niet eens is met deze conclusies betekent echter niet dat die conclusies gebaseerd zijn op ondeugdelijk onderzoek daarvan. Daarbij komt dat de man zelf het de raad onmogelijk heeft gemaakt een aanvullend onderzoek te verrichten, doordat hij enkel onder bepaalde voorwaarden aan dat onderzoek wilde meewerken; dit terwijl de man op grond van artikel 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht was om (zonder voorwaarden vooraf) zijn medewerking daaraan te verlenen. De raad heeft het verzoek van de rechtbank om nader onderzoek te doen om die reden aan de rechtbank moeten teruggeven, zo blijkt uit de brief van de raad van 10 april 2019 aan de rechtbank. Naar het oordeel van het hof heeft de raad grondig en zorgvuldig onderzoek gedaan en heeft de raad alle belanghebbenden in het onderzoek betrokken en informatie ingewonnen bij verschillende informanten en die in het rapport verwerkt. Het hof zal de verzoeken van de man ten aanzien van het raadsonderzoek dan ook afwijzen en het rapport van 28 maart 2018 (alsmede het raadsrapport van 18 december 2017) in de verdere beoordeling van de zaak betrekken. Daarbij overweegt het hof nog dat het verzoek van de man om het raadsrapport “vervallen te verklaren” geen steun vindt in het recht.

Zorgregeling

5.3

Partijen hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.4

Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte een zorgregeling vastgesteld die niet tegemoetkomt aan zijn verzoeken in eerste aanleg, en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] ten onrechte bij de vrouw bepaald. De man stelt zich op het standpunt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem dient te worden bepaald. De man heeft de laatste twee jaar van het huwelijk (sinds 2016) het grootste deel van de zorg over [de minderjarige] op zich genomen. Zowel thuis als tijdens ziekenhuisbezoeken was de man er voor [de minderjarige] , terwijl de vrouw zorg droeg voor haar andere drie kinderen. Bovendien heeft de man de echtelijke woning toebedeeld gekregen, zodat [de minderjarige] bij de man in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven. Voorts heeft de man geen zorg over andere kinderen en kan hij zijn werk vanuit huis doen op momenten dat [de minderjarige] zijn zorg niet behoeft. Bij de man is het dus veel rustiger voor [de minderjarige] , die die rust nodig heeft in verband met zijn ziektes. Door de cysten in zijn buik heeft [de minderjarige] een opgezwollen buik. Er lopen slagaders door de cysten. Als deze kapot gaan, kan een inwendige bloeding ontstaan. Door de druk die de cysten uitoefenen op bepaalde organen heeft [de minderjarige] regelmatig epileptische aanvallen. De epilepsie dient extra aandachtig te worden voorkomen en onderdrukt, [de minderjarige's] buik dient altijd te worden beschermd en [de minderjarige] is sneller vatbaar voor bacteriën, zo benadrukt de man. Daarbij komt dat ondanks de informatieverplichting van de vrouw, de man geen kopie van de post met betrekking tot [de minderjarige] ontvangt. Ook om die reden verzoekt de man dat [de minderjarige] op zijn adres wordt ingeschreven, zodat de man de post over [de minderjarige] ontvangt.

Voorts verzoekt de man een verdeling bij helfte van de zorgtaken in een parallel ouderschap, omdat dit in het belang is van [de minderjarige] , nu dit meer overeenkomt met de voormalige rol van de man in het leven van [de minderjarige] . Thans ziet [de minderjarige] de man slechts één keer in de twee weken. [de minderjarige] functioneert op het niveau van een driejarige waardoor deze frequentie te weinig is voor hem. [de minderjarige] laat in zijn gedrag merken behoefte te hebben aan meer contact met de man. Ook komt deze ouderschapsregeling meer tegemoet aan de behoefte van partijen en [de minderjarige] om elkaar veel te zien nu [de minderjarige] niet oud zal worden. Bovendien blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat het voor kinderen in een echtscheidingssituatie belangrijk is voor hun cognitieve ontwikkeling dat zij beide ouders evenveel zien. Door middel van een communicatieplan zal de informatievoorziening over [de minderjarige] in goede banen worden geleid.

Ook kan de man zich niet verenigen met de verdeling van de feestdagen in de bestreden beschikking omdat deze volgens de zorgregeling slechts van 09.00 uur tot 18.00 uur duren. Dit levert een onnodig extra wisselmoment op terwijl de wisselingen zeer stressvol zijn voor partijen en [de minderjarige] . Daarbij zou de man op de feestdagen graag wat meer tijd met [de minderjarige] hebben.

Tevens verlopen de overdrachtsmomenten door een onafhankelijke derde op een neutrale plek, door toedoen van de vrouw, niet goed. Het zijn meer dan eens bekenden van de vrouw en de al dan niet onafhankelijke derden hebben de man reeds meermaals in aanwezigheid van [de minderjarige] bedreigd en aangevallen. Inmiddels zijn de overdrachtsmomenten daarom enkel nog bij de school, aldus de man.

5.5

De vrouw voert verweer als volgt. [de minderjarige] heeft twee ziektes, maar kan daarmee goed leven. Het is onjuist dat de man alle zorgtaken voor [de minderjarige] op zich zou hebben genomen gedurende het huwelijk. Juist zij zorgde met name voor [de minderjarige] , aangezien de man fulltime werkte. Ook wanneer de man vanuit huis werkte, droeg de vrouw de zorg voor [de minderjarige] . Het is evenmin juist dat de andere kinderen van de vrouw teveel drukte zouden veroorzaken. Op school komt [de minderjarige] ook in contact komt met andere kinderen en dat is geen probleem voor [de minderjarige] . Daarbij zijn de andere kinderen van de vrouw opgegroeid met [de minderjarige] en hebben zij van de vrouw geleerd hoe zij met hem moeten omgaan. Tevens betwist de vrouw dat de man beter in staat zou zijn de medische veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. De vrouw was altijd de mantelzorger van [de minderjarige] , waardoor onder andere het PGB op haar naam stond. Ook blijkt uit de overgelegde berichten dat de man enkel in de weekenden en de avonden bij [de minderjarige] in het ziekenhuis was.

Ten aanzien van de beslissing over de hoofdverblijfplaats meent de vrouw dat zolang de rechtbank geen beslissing heeft genomen inzake het gezag, het hof geen beslissing kan nemen over de hoofverblijfplaats van [de minderjarige] . Desondanks dient, ook indien het gezamenlijk gezag in stand blijft, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw te blijven. De vrouw betwist dat zij zich niet aan de informatieverplichting zou houden. Partijen verschillen van mening omtrent de inhoud van de informatieverplichting. De GI heeft overigens bevestigd dat het gezag van de man niet meebrengt dat hij recht heeft op zeer uitvoerige informatie over alledaagse dingen.

Co-ouderschap is voorts niet in het belang van [de minderjarige] , omdat teveel wisselingen onrust zullen opleveren voor [de minderjarige] . De vrouw heeft altijd de meeste zorg voor [de minderjarige] gedragen en ook thans beschikt zij nog steeds over meer tijd voor hem. De huidige zorgregeling is dan ook het meest in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] is gewend bij zijn broer en zussen te zijn. Bovendien is voor een co-ouderschapsregeling een goede communicatie tussen de ouders nodig; hiertoe zijn partijen thans niet in staat.

De verdeling van de feestdagen vindt de vrouw in de bestreden beschikking duidelijker verdeeld dan in het voorstel van de man, hetgeen rust geeft, zodat ook deze regeling in stand dient te blijven, aldus de vrouw.

5.6

De GI heeft ter zitting in hoger beroep gemeld geen aanleiding te zien de huidige situatie te veranderen. Hoewel de man in staat is adequate zorg te bieden aan [de minderjarige] , diskwalificeert hij de vrouw zodanig in haar moederrol, dat langdurig verblijf van [de minderjarige] bij de man schadelijk zal zijn voor [de minderjarige] . Enerzijds functioneert [de minderjarige] op het niveau van een driejarige, waardoor korte, frequente contacten in zijn voordeel zouden kunnen zijn. Anderzijds heeft [de minderjarige] behoefte aan structuur. Hij is gewend bij de vrouw en zijn broer en zussen, zodat het op dit moment het meest in zijn belang is de huidige zorgregeling te continueren. Bovendien blijken de beschuldigingen van de man aan het adres van de vrouw, na navraag bij de school en de arts, niet waar te zijn, aldus de GI.

5.7

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij zich bij zijn onderzoeken door de voortdurende discussies met de man over de wijze waarop het onderzoek zou moeten plaatsvinden geen goed beeld heeft kunnen vormen van de persoonlijkheid van de man en de opvoedmogelijkheden van partijen. Om een gefundeerde beslissing over het hoofdverblijf en de verdere zorgregeling te kunnen nemen, adviseert de raad een NIFP-onderzoek te gelasten.

Desondanks volhardt de raad in het advies uit zijn rapport dat het zwaartepunt van de zorg voor [de minderjarige] bij de vrouw dient te liggen. Partijen verschillen van inzicht over wat [de minderjarige] nodig heeft. De zorgen die de man over [de minderjarige] heeft zijn in het raadsonderzoek niet bevestigd. Een frequent contact met de man is op zichzelf in het belang van [de minderjarige] , maar daaraan staat de verstoorde verstandhouding tussen partijen in de weg. Bovendien komt de huidige weekendregeling tegemoet aan het belang van [de minderjarige] bij continuïteit en het zien van zijn broer en zussen. Wel zou de GI een frequentere zorgregeling in de toekomst kunnen onderzoeken, aldus de raad.

5.8

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet thans geen aanleiding om een onderzoek door het NIFP te gelasten. Het hof acht zich thans op basis van de stukken in het dossier, waaronder de twee raadsrapporten, voldoende voorgelicht om over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats te beslissen. Daarnaast acht het hof het zowel voor partijen als voor [de minderjarige] van belang dat er spoedig meer duidelijkheid komt. Daarbij komt dat het hof betwijfelt of een dergelijk voor partijen kostbaar onderzoek daadwerkelijk tot meer onderling begrip en een verbetering van de verstandhouding tussen partijen zou (kunnen) leiden. Wat daarvan zij, voor de beslissing van het hof is een dergelijk onderzoek niet nodig. Het hof zal daarom dit advies van de raad niet volgen en thans beslissen ten aanzien van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats.

5.9

Het hof is van oordeel dat een ouderschapsregeling op 50/50-basis, zoals door de man is verzocht thans niet in het belang is van [de minderjarige] . Het hof overweegt daartoe als volgt.

De man wijst er terecht op dat de wet als uitgangspunt heeft dat, ook na een scheiding, beide ouders zoveel mogelijk een gelijkwaardige rol als opvoeder dienen te behouden. Volgens vaste jurisprudentie betekent dit uitgangspunt echter niet dat een ouderschapsregeling op 50/50-basis uitgangspunt is. Bij de vaststelling van een zorgregeling dient immers het belang van het kind een eerste overweging te zijn. Wat dat belang vergt, verschilt van geval tot geval.

De man blijft volharden in zijn wantrouwen jegens de vrouw, waardoor de ouderschapsregeling die de man verzoekt thans onmogelijk is. Co-ouderschap vergt een behoorlijke communicatie tussen partijen gebaseerd op basaal onderling vertrouwen. De stelling van de man dat dit kan worden ondervangen door middel van solo parallel ouderschap en een communicatieplan volgt het hof niet. Wil solo parallel ouderschap kans van slagen hebben, dan dienen de ouders tenminste, bij alle verschillen van opvatting die er tussen hen bestaan op ex-partnerniveau, elkaar kunnen erkennen in hun rol als ouder van het kind. Partijen verschillen sinds hun uiteengaan op 28 september 2017 van mening over wie tijdens hun samenzijn de hoofdverzorger van [de minderjarige] is (geweest) en hoe moet worden omgegaan met [de minderjarige] en zijn ziekte. Wat er zij van de stellingen van de man hierover, vaststaat dat de vrouw in ieder geval sinds de beschikking van de rechtbank van 16 november 2017 de voornaamste zorg voor [de minderjarige] draagt en dat de man [de minderjarige] sindsdien om het weekend ziet. Bovendien blijkt uit de door de vrouw in eerste aanleg als productie 16 ingediende ziekenhuisrapportage, dat de vrouw gedurende het huwelijk wel degelijk aanwezig was bij [de minderjarige] in het ziekenhuis. De stelling van de man dat wetenschappelijk vaststaat dat in iedere echtscheidingssituatie co-ouderschap noodzakelijk is in het belang van de cognitieve ontwikkeling van het kind, onderschrijft het hof niet, reeds nu die stelling onderbouwing ontbeert.

Ook volgt het hof de man niet in zijn stelling dat de vrouw niet goed voor [de minderjarige] zou zorgen. Bij de stukken bevindt zich een e-mailbericht van 30 april 2018 van de voormalig gezinsmanager, waaruit blijkt dat dokter Jansen en dokter Buter het oneens zijn met mededelingen van de man dat [de minderjarige] , wanneer de andere kinderen van de vrouw griep hebben, bij de man dient te verblijven, alsook dat inentingen van [de minderjarige] altijd moeten plaatsvinden in een ziekenhuis. Gebleken is dat het op dit moment naar omstandigheden goed gaat met [de minderjarige] . Uit de raadsrapporten van 18 december 2017 en 28 maart 2018 blijkt dat de toenmalige school van [de minderjarige] , Heliomare, geen verandering in het gedrag van [de minderjarige] heeft gezien als gevolg van de echtscheidingssituatie. Zij zag zelfs dat [de minderjarige] een groei heeft doorgemaakt in zijn ontwikkeling. Daarnaast merkt zij op dat [de minderjarige] veel baat heeft bij een duidelijke structuur. Voorts heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep onweersproken gesteld dat de nierfunctie van [de minderjarige] recent is verbeterd. Ook uit de verklaringen van de GI ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [de minderjarige] het in de huidige situatie bij de vrouw goed doet en gewend is aan de aanwezigheid van zijn broer en zussen. Het hof maakt hieruit op dat [de minderjarige] goed gedijt in de thuissituatie bij de vrouw en bij de huidige zorgregeling. En hoewel vaststaat dat de overdrachtsmomenten niet goed verlopen, is het hof niet gebleken dat dit (met name) door toedoen van de vrouw wordt veroorzaakt.

De GI en de school zien dat [de minderjarige] blij is wanneer hij de man ziet. Dit maakt echter, los nog van het voorgaande, niet dat een ouderschapsregeling op 50/50-basis thans in het belang is van [de minderjarige] . Ter zitting in hoger beroep is namelijk gebleken dat de vrouw, anders dan de man, in staat is een neutraal ouderschap in te vullen. Ondanks het wantrouwen uit het verleden, heeft de vrouw haar beeld van de man aangepast. Hiertoe is de man (nog) niet in staat gebleken. Een voorbeeld hiervan is de mededeling van dokter Jansen van het UMC, zoals opgenomen in het raadsrapport van 18 december 2017, dat de man graag ziet dat dokter Jansen een verklaring afgeeft ten aanzien van de prikkelbaarheid van [de minderjarige] , maar dat zij dat niet kan omdat zij daar geen zekerheid over heeft.

Het hof volgt de man ook niet in zijn stelling dat de vrouw hem niet afdoende zou informeren. Zo zegt dokter Buter in het raadsrapport van 28 maart 2018 dat de man wel degelijk op tijd is ingelicht over de epileptische aanval van [de minderjarige] op 30 januari 2018. Daarbij is de vrouw bij vonnis in kort geding van 7 juni 2018 bevolen de man van informatie te voorzien, zodat het hof ervan uitgaat dat de vrouw hieraan zal voldoen.

Dat de man de voormalig echtelijk woning toebedeeld heeft gekregen legt evenmin veel gewicht in de schaal. Voor en kind als [de minderjarige] , die op het niveau van een driejarige functioneert, wordt de vertrouwde omgeving vooral bepaald door zijn opvoedomgeving. Dat betekent dat [de minderjarige] niet zozeer belang heeft bij het blijven wonen in hetzelfde huis, maar veeleer bij dezelfde opvoeder.

Het hof komt tot de conclusie dat in een situatie zoals de onderhavige een ouderschapsregeling op 50/50-basis, ook wanneer dat via solo parallel ouderschap wordt ingevuld niet in het belang van [de minderjarige] is. Het hof zal het verzoek van de man een co-ouderschapsregeling vast te stellen dan ook afwijzen.

5.10

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de raad, de GI en de school geen contra-indicaties zien ten aanzien van de opvoedvaardigheden van de man. Zij zien allemaal dat [de minderjarige] het naar zijn zin heeft, wanneer hij bij de man is. Om deze redenen ziet het hof wel aanleiding de zorgregeling thans zo uit te breiden, dat [de minderjarige] om de week bij de man verblijft vanaf donderdag na school tot en met maandag naar school. Door deze regeling wordt de man in enige mate tegemoet gekomen in zijn wens tot uitbreiding van de zorgregeling zonder dat partijen meer met elkaar moeten communiceren dan in het kader van de huidige zorgregeling reeds nodig is en zonder dat extra (belastende) wisselingen nodig zijn.

5.11

Het hof ziet geen aanleiding om de vakantie- en feestdagenregeling te verdelen op de wijze zoals door de man verzocht, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem voorgestelde regeling meer in het belang van [de minderjarige] is dan de huidige. Het hof zal de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgelegde vakantie- en feestdagenregeling dan ook bekrachtigen nu deze naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk is en structuur schept.

Hoofdverblijfplaats

5.12

Anders dan de vrouw stelt, kan het hof, zo lang partijen het gezamenlijk gezag hebben, wel beslissen op het verzoek van de man tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de zorgregeling is overwogen, zal het verzoek van de man de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen, worden afgewezen. Dit alles laat onverlet dat de rechtbank nog een beslissing zal nemen omtrent het gezag over [de minderjarige] .

5.13

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

In principaal hoger beroep (ter zake van de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag):

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het (de reguliere) zorgregeling betreft; en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [de minderjarige] aldus vast dat [de minderjarige] bij de man verblijft in de oneven weken, dus eenmaal per twee weken, van donderdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend naar school. Wanneer [de minderjarige] geen school heeft op donderdag, vindt de overdracht plaats op donderdag om 14.30 uur door een onafhankelijke derde op een neutrale plek;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de vakantie- en feestdagenregeling zoals vastgelegd in de beschikking waarvan beroep;

wijst af het omtrent de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag meer of anders verzochte;

In principaal en incidenteel hoger beroep:

houdt de beslissing ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie aan tot 1 oktober 2019.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.R. Sturhoofd en
mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 30 juli 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.