Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
13-08-2019
Zaaknummer
200.247.992/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:7253
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:2830
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Samenwonen met een ander als waren zijn gehuwd. Art. 1:160 BW. Voor het hof staat vast dat tussen de vrouw en haar nieuwe partner sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard en van samenwoning. Daarnaast acht het hof voorshands bewezen dat zij elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Met betrekking tot deze beide laatste punten zal hof de vrouw toelaten tot het leveren van tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/108
EB 2019/96
Prg. 2019/285
FJR 2020/7.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.247.992/01

zaaknummers rechtbank: C/15/263457 / FA RK 17-5040 en C/15/265579 / FA RK / 17-6167

beschikking van de meervoudige kamer van 30 juli 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L. Bosch te Hoorn,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), van 22 augustus 2018 uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 12 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 22 augustus 2018.

2.2

De vrouw heeft op 6 december 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 15 januari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de man van 26 april 2019 met bijlagen, ingekomen per faxbericht op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 mei 2019 met bijlagen, ingekomen per faxbericht op dezelfde datum.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 15 mei 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn [in] 2010 gehuwd. Het huwelijk is op 6 december 2018 ontbonden door inschrijving van de – in zoverre niet bestreden – echtscheidingsbeschikking van 22 augustus 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de (in zoverre niet) bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man € 1.655,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens is de wijze van verdeling gelast van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] , gemeente [gemeente] , zoals overwogen onder 2.8.6 ad a, b en c van de bestreden beschikking.

De vrouw heeft in eerste aanleg, voor zover thans van belang, verzocht een partneralimentatie te bepalen van € 2.210,- per maand.

De man heeft in eerste aanleg, voor zover thans van belang, primair verzocht het verzoek van de vrouw tot betaling van partneralimentatie af te wijzen, subsidiair een bijdrage aan de vrouw te limiteren in tijdsduur tot één jaar, meer subsidiair de bijdrage na één jaar op nihil te stellen. Tevens heeft de man verzocht de wijze van verdeling van onder andere de echtelijke woning te gelasten.

4.2

De man verzoekt thans in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud alsnog af te wijzen c.q. deze op nihil te stellen, dan wel de partnerbijdrage aan de vrouw te limiteren in tijdsduur van één jaar, meer subsidiair de bijdrage na één jaar op nihil te stellen, dan wel een in goede justitie te bepalen limiteringstermijn en bedrag vast te stellen.

Bij brief van 26 april 2019 heeft de man zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat de man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd en dat zij is gehouden aan de man te betalen een bedrag van € 4.969,14 (zijnde de kosten van het recherchebureau) en te bepalen dat de vrouw de ten onrechte ontvangen partneralimentatie vanaf 6 december 2018 – naar het hof begrijpt, nu dit de ingangsdatum van de partneralimentatie is – aan de man dient terug te betalen, dan wel een in goede justitie te bepalen veroordeling.

4.3

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep het door de man verzochte af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, met vernietiging van de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing onder 3.5 genomen, opnieuw rechtdoende te gelasten dat de wijze van verdeling van de voormalig echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] , gemeente [gemeente] (hierna: de voormalig echtelijke woning), is zoals overwogen onder 2.8.6 ad a, b en c van de bestreden beschikking met dien verstande dat de man gehouden is om aan de juridische levering van de woning mee te werken binnen één maand nadat hij zich heeft uitgesproken over de mogelijkheid om de woning over te nemen dan wel dat de man aan de juridische levering dient mee te werken binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn en dat de overwaarde van de woning inclusief de afkoopwaarde van de opbouwspaarrekening eindigend op .403 (hierna: de opbouwspaarrekening) tussen partijen bij helfte wordt afgerekend ter gelegenheid van de juridische levering.

4.4

De man verzoekt in incidenteel hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken (gedeeltelijk) af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties.

5 De motivering van de beslissing

In principaal hoger beroep

5.1

Aan de orde is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Het hof dient allereerst te beoordelen of de verplichting van de man om de vrouw levensonderhoud te verschaffen is geëindigd, dan wel nooit heeft bestaan, ingevolge het bepaalde in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

5.2

De man stelt dat de vrouw en [partner] (hierna: [partner] ) sinds 22 augustus 2018, dan wel 6 december 2018, samenleven als waren zij gehuwd. Dit blijkt uit onderzoek van een door de man ingeschakeld recherchebureau. [partner] is dag en nacht aanwezig in de woning van de vrouw, hij heeft een eigen sleutel van de woning, zij nemen zorgtaken voor elkaar waar, doen gezamenlijk klusjes in en rondom de woning, brengen de kinderen samen naar zwemles en school, doen gezamenlijk boodschappen, gaan op gezinsvakantie, de dochter van [partner] heeft een eigen kamer in de woning van de vrouw en de vrouw is in verwachting van [partner] . De vrouw heeft derhalve onterecht partneralimentatie ontvangen vanaf de datum van de echtscheidingsbeschikking. Mocht dit desondanks onvoldoende bewezen worden geacht, dan volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid dat de bewijslast omgekeerd dient te worden, aldus de man.

5.3

De vrouw erkent dat zij een relatie heeft met [partner] en dat zij samen een kind verwachten, maar betwist dat sprake is van een samenleving als waren zij gehuwd. Hij woont niet bij haar, er is geen gezamenlijke huishouding, hij heeft geen financiële ruimte om haar te onderhouden en er is geen sprake van wederzijdse verzorging. Dit blijkt ook niet uit de observaties van het recherchebureau. Er is selectief geobserveerd (alleen bij de voordeur en niet bij de achterdeur) en de foto’s zijn vaag, ongedateerd en zonder tijdstipvermelding. Verder zijn de observaties onrechtmatig, omdat deze een ernstige inbreuk op haar privacy opleverden. Daarnaast ligt volgens vaste jurisprudentie de lat voor het door de alimentatie-plichtige te leveren bewijs hoog. Tot slot is in het onderhavige geval geen reden om af te wijken van de hoofdregel met betrekking tot de verdeling van de bewijslast zoals neergelegd in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), aldus de vrouw.

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleven van de vrouw met een ander in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen hen een affectieve relatie bestaat van duurzame aard, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen (vgl. onder meer HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724 en HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1246).

Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de man bepleit, de bewijslast omtrent dit een en ander om te keren. De man heeft onvoldoende onderbouwd waarom in het onderhavige geval uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid omkering van de bewijslast voortvloeit. Stelplicht en bewijslast rusten dus op hem.

5.5

Nu de verplichting tot betaling van partneralimentatie is ingegaan op 6 december 2018, gaat het om de vraag of vanaf die datum, dan wel een latere datum, sprake is van samenwoning in de zin van genoemde bepaling.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw en [partner] al op 6 december 2018, een relatie hadden. In geschil is of zij toen of later ook samenleefden als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW.

5.6

Het hof is van oordeel dat in het licht van de stellingen van de man, de vrouw onvoldoende heeft weersproken dat sprake is van een duurzame en affectieve relatie tussen de vrouw en [partner] en dat zij samenwonen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vrouw en [partner] sinds het uiteengaan van partijen een relatie hebben en dat zij samen een kind verwachten. Dit is door de vrouw ter zitting in hoger beroep erkend. Uit de observaties en foto’s van het recherchebureau in de periode van 7 februari 2019 tot en met 24 april 2019 blijkt verder dat [partner] tijdens alle waarnemingen aanwezig was in of rondom de woning van de vrouw en dat hij de woning betrad met een eigen sleutel. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw desgevraagd erkend dat [partner] te zien is op een deel van de foto’s. Voor het overige deel van de foto’s heeft zij onvoldoende weersproken dat het [partner] betreft; zo heeft de vrouw desgevraagd met betrekking tot een aantal foto’s niet verklaard wie er dan wél op die foto’s staat afgebeeld. Het feit dat [partner] ook nog een kamer huurt, zoals de vrouw heeft aangevoerd, sluit op zichzelf niet uit dat er sprake is van samenwoning. Partijen hebben ieder een verklaring overgelegd van de heer [S] (de verhuurder van de kamer van [partner] ). Omdat deze verklaringen onderlinge tegenstrijdigheden bevatten, is de bewijskracht daarvan gering. Daarbij komt dat [S] , in zijn door de vrouw overgelegde verklaring, geen informatie verschaft over de vraag hoe vaak [partner] daadwerkelijk op de kamer aanwezig is, omdat hij dat niet bijhoudt. De vrouw heeft voorts een verklaring overgelegd van [O] . Deze verklaart dat [partner] in de periode van januari 2019 tot eind april 2019 in zijn woning heeft geslapen. Hoe vaak dat is gebeurd, wordt uit die verklaring echter niet duidelijk, hetgeen temeer klemt omdat [O] eveneens verklaart vanwege zijn werk als buschauffeur vaak dagen of weken in het buitenland te zijn. Onduidelijk is dus in hoeverre de verklaring van [O] berust op eigen waarneming.

5.7

Voorts is het hof van oordeel dat de man voorshands heeft bewezen dat sprake is van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Uit de observaties van het recherchebureau is gebleken dat de vrouw en [partner] onder andere samen boodschappen doen, gezamenlijk de kinderen wegbrengen en ophalen, samen naar het gezondheidscentrum gaan en [partner] de auto van de vrouw repareert en/of onderhoudt.

Door het recherchebureau is waargenomen dat:

- [partner] en de vrouw vijf maal samen kinderen brengen of halen naar of van school of zwemles (ook op drie achtereenvolgende dagen);

- [partner] en de vrouw één maal samen boodschappen doen

- [partner] één maal alleen boodschappen heeft gedaan maar daarna wel de vrouw ontmoette;

- [partner] één maal de auto van de vrouw heeft gerepareerd;

- [partner] en de vrouw één maal samen naar een gezondheidscentrum zijn gegaan.

Ook is gebleken, uit een facebookbericht van 3 januari 2019, dat de vrouw en [partner] voor elkaar hebben gezorgd tijdens ziekte. Verder heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep bevestigd dat zij met [partner] op vakanties is gegaan. Daarbij overweegt het hof dat de omstandigheid dat [partner] geen financiële bijdrage zou kunnen leveren, zoals door de vrouw aangevoerd, niet doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van wederzijdse verzorging tussen de vrouw en [partner] . Het gaat daarbij immers niet enkel om de vraag of [partner] haar financieel ondersteunt.

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof tegenover de onderbouwde stellingen van de man weinig ingebracht. Zij heeft enkel ontkend dat zij en [partner] samenwonen en dat er sprake is van wederzijdse verzorging, zonder nader toe te lichten op welke wijze zij en [partner] hun relatie vormgeven. Zij heeft ter onderbouwing van haar ontkenning verwezen naar een concept rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 maart 2018 (pagina vijf, vijfde alinea), maar dit betreft een passage waarin is weergegeven dat de vrouw zelf heeft aangegeven dat zij niet samenwoont; het betreft geen eigen waarneming van de raadsonderzoeker. Daarnaast gaat het raadsrapport over de periode voorafgaand aan de periode die in deze procedure van belang is. Verder is de door de vrouw overgelegde huurovereenkomst van de kamer die [partner] volgens haar huurt, niet ondertekend door [partner] .

5.8

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, staat voor het hof vast dat tussen de vrouw en [partner] in elk geval vanaf 6 december 2018 sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard en van samenwoning. Daarnaast acht het hof voorshands bewezen dat de vrouw en [partner] , vanaf genoemde datum althans in de periode waarop het rechercheonderzoek betrekking heeft, elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Met betrekking tot deze beide laatste punten zal hof de vrouw toelaten tot het leveren van tegenbewijs.

5.9

In afwachting hiervan wordt iedere verdere beslissing in principaal appel aangehouden.

In incidenteel hoger beroep

5.10

In incidenteel hoger beroep is de wijze van verdeling van de voormalig echtelijke woning, met inbegrip van de opbouwspaarrekening aan de orde.

De man voert verweer, stellende dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar verzoek in incidenteel hoger beroep, omdat genoemde woning inmiddels aan hem is toebedeeld en de waarde van de woning gedeeld.

5.11

Nu dit punt ter zitting onbesproken is gebleven, stelt het hof de vrouw in de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten omtrent de actuele stand van zaken en over de vraag of zij haar verzoek handhaaft. De man zal daarop kunnen reageren.

5.12

Iedere verdere beslissing in incidenteel appel wordt aangehouden.

6 De beslissing

Het hof:

In principaal hoger beroep

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van de man dat tussen haar en [partner] in de periode vanaf 6 december 2018 althans in de periode waarop het rechercheonderzoek betrekking heeft sprake is van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;

bepaalt dat de vrouw uiterlijk 15 september 2019 dit hof en de wederpartij op de hoogte stelt van de wijze waarop zij dit tegenbewijs wil leveren;

bepaalt dat, indien de vrouw getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen plaatsvinden voor het lid van dit hof mr. A.R Sturhoofd, die bij deze wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, die tijd en plaats zal bepalen na schriftelijke opgave door de vrouw aan de griffie van het hof van de verhinderdata van partijen en van de te horen getuigen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

In incidenteel hoger beroep

stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen drie weken na heden zich schriftelijk uit te laten overeenkomstig hetgeen hiervóór onder 5.11 is overwogen;

stelt de man in de gelegenheid om binnen drie weken na voornoemde uitlating van de vrouw schriftelijk daarop te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 30 juli 2019 uitgesproken in het openbaar door de voorzitter.