Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2853

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
200.262.765/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding: vervangende toestemming vakantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer : 200.262.765/01 SKG

Zaaknummer rechtbank : C/13/668428 / KG ZA 19-695 AB/TF

Arrest van de meervoudige familiekamer van 25 juli 2019

inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

APPELLANT,

advocaat: mr. S. Maachi te Amsterdam,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

GEÏNTIMEERDE,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd.

De vader is bij dagvaarding van 17 juli 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 5 juli 2019, in kort geding gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

De moeder is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

De vader heeft een memorie van grieven overeenkomstig de appeldagvaarding ingediend, met producties.

De vader heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en:

- primair zijn vorderingen in eerste aanleg alsnog toe zal wijzen en subsidiair aan de vader vervangende toestemming zal verlenen om gedurende de zomervakantie 2019 in een periode door de vader te bepalen, met de minderjarige [kind B] naar Marokko en Spanje ( [plaats] ) af te reizen en aldaar ook te verblijven, dan wel vervangende toestemming zal verlenen aan de vader voor een reis gedurende een periode door het hof in goede justitie te bepalen;

- voorts zal bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de reis en het verblijf van de vader met de minderjarige [kind B] gedurende de zomervakantie 2019, in die zin dat zij op geen enkele wijze het verblijf van de minderjarige samen met de vader in het buitenland zal belemmeren c.q. verhinderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- althans een door het hof te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat zij niet voldoet aan het gevorderde, met een maximum van € 50.000,-.

De vader heeft ter zitting van het hof van 25 juli 2019 zijn standpunt nader toegelicht en doen toelichten door zijn advocaat. Voorafgaand aan deze zitting heeft de voorzitter in raadkamer in bijzijn van de griffier gesproken met de hierna te noemen minderjarige [kind B] . Ter zitting heeft de voorzitter van de zakelijke inhoud van dit gesprek verslag gedaan.

Vervolgens is arrest gevraagd en heeft het hof mondeling uitspraak gedaan. Dit arrest vormt daarvan de schriftelijke uitwerking.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 1.1. de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook voor het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Uit het inmiddels op 14 mei 2019 door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind A] , [in] 2002 te [geboorteplaats] ,

- [kind B] , [in] 2004 te [geboorteplaats] (hierna: [kind B] ), en

- [kind C] , [in] 2013 te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk ook: de kinderen).

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 8 mei 2019 is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. De behandeling is aangehouden voor het bepalen van een zorgregeling, in afwachting van de resultaten van de resultaten van de door partijen te volgen mediation.

3.3

De vader wil met [kind B] een vakantiereis ondernemen naar Marokko en Spanje. De moeder heeft daarvoor geen toestemming gegeven.

3.4

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vader, - samengevat - hem vervangende toestemming te verlenen om van 7 juli 2019 tot en met 25 augustus 2019 met [kind B] naar Marokko en Spanje te reizen en te bepalen dat de moeder op straffe van verbeurte van een dwangsom haar medewerking moet verlenen aan deze vakantie, afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vader met twee grieven op.

3.5

De grieven komen er in de kern op neer dat de voorzieningenrechter ten onrechte de gevorderde vervangende toestemming heeft geweigerd. De vader stelt dat hij vanaf het begin van de echtscheidingsprocedure heeft geprobeerd om met de moeder in gesprek te treden over de zorg- en de vakantieregeling voor de kinderen. De moeder weigert echter te overleggen over bepaalde onderwerpen en frustreert de samenwerking. De vader heeft wel degelijk meermaals de moeder verzocht om in te stemmen met de vakantie en ook [kind B] zelf heeft hierom gevraagd. De vader heeft dus niet – zoals overwogen door de voorzieningenrechter – op ‘eigen houtje’ deze reis gepland. Omdat de moeder echter weigerde haar medewerking te verlenen zag de vader zich genoodzaakt (gelet op de kosten) om de vakantie alvast te boeken en bijzonder verlof voor [kind B] aan te vragen bij zijn school. De reis is zeer belangrijk voor de vader en [kind B] aangezien de gezondheid van de 94-jarige moeder van de vader gedurende de mediationprocedure is verslechterd. De reis naar Marokko is om die reden spoedeisend geworden. Voorts is niet komen vast te staan dat de reis naar Marokko en Spanje gedurende de zomer niet in het belang van [kind B] is, aldus de vader.

3.6

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zijn grieven nog nader toegelicht, in die zin dat hij heeft verklaard dat de gezondheidstoestand van zijn moeder achteruit is gegaan, maar thans nog wel voldoende stabiel is om hem en [kind B] te kunnen ontmoeten. Bovendien is het niet de eerste keer dat de vader met [kind B] in de zomervakantie een dergelijke reis onderneemt. Zij zijn in het verleden vaker in de zomer op lange vakanties naar Marokko en/of Spanje geweest. De moeder reisde dan telkens niet mee. De vader is in staat om de reeds aangeschafte tickets om te boeken, in die zin dat de reis dan van 30 juli 2019 tot 25 augustus 2019 zal duren. Die laatste datum is de dag voor het begin van het nieuwe schooljaar, maar de eerste schoolweek is nog maar weinig intensief. Bovendien zal [kind B] niet van school wisselen. Wel is hij blijven zitten, hij zal de derde klas HAVO moeten doubleren, aldus de vader.

3.7

[kind B] heeft in zijn gesprek met de voorzitter onder meer naar voren gebracht dat hij, net als in eerdere jaren, graag met zijn vader op vakantie wil. Hij realiseert zich dat dit mogelijk de laatste gelegenheid is om zijn oma nog te zien en verheugt zich ook op de ontmoeting met andere familieleden in Marokko en in Spanje. Hij heeft dit jaar, mogelijk als gevolg van de situatie tussen zijn ouders, minder zijn best op school gedaan. Daarom moet hij 3 HAVO overdoen. Hij zal dat doen op dezelfde school als nu.

3.8

Het hof overweegt als volgt.

De onderhavige procedure komt neer op een geschil tussen de ouders betreffende de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek dient het hof dan, ook in kort geding, een zodanige beslissing te nemen als in het belang van het kind wenselijk is. Daarbij geldt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten belangenafweging, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing daarom alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

3.9

Vaststaat dat de vader en [kind B] belang hebben bij de voorgenomen reis, alleen al omdat [kind B] daardoor de mogelijkheid krijgt om zijn zieke oma nog een keer te zien. Naar aanleiding van het verweer van de moeder ter zitting in eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter evenwel overwogen dat er teveel bedenkingen waren om de vakantie door te laten gaan. De moeder heeft toen aangevoerd dat de vader zonder haar medeweten voorbereidingen voor de reis had getroffen, zoals het aanvragen van bijzonder verlof van school. Van de plannen wist zij niets, zo heeft zij gesteld. In hoger beroep is echter onweersproken aangevoerd dat de vader en [kind B] in eerdere zomervakanties vergelijkbare lange reizen hebben ondernomen. Dat de vader dat deze zomer weer met [kind B] wilde gaan doen, kan dus niet als een volkomen verrassing zijn gekomen. Uit overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de advocaten van partijen blijkt dat de vader deze wens ook in de mediationgesprekken tussen partijen heeft geuit, en dat de moeder toen al had aangegeven haar toestemming niet te willen geven, omdat zij eerst tot de vaststelling van een ouderschapsplan wilde komen. In dit licht bezien houdt het verweer van de moeder geen steek. Inmiddels staat vast dat [kind B] niet van school zal wisselen, zodat het andere in eerste aanleg gevoerde verweer dat gedurende de zomervakantie alles rond de overgang naar een nieuwe school nog moet worden geregeld evenmin meer opgaat. Ook is voorshands aannemelijk dat een terugkeer van [kind B] daags voor de start van het nieuwe schooljaar niet onevenredig belastend voor hem zal zijn.

3.10

Alle gestelde belangen tegen elkaar afwegend komt het hof tot het oordeel dat het in het belang van [kind B] wenselijk is dat hij met zijn vader de voorgenomen reis zal maken en daarbij contact kan hebben met zijn familie, in het bijzonder zijn oma. De grieven slagen en de verweren van de moeder in eerste aanleg worden verworpen. Het hof zal het bestreden vonnis dan ook vernietigen en de vervangende toestemming verlenen in dier voege als hierna te melden. Dat partijen er nog niet in zijn geslaagd tot een ouderschapsplan te komen, maakt dit niet anders. Zij dienen daar wel naar te blijven streven.

3.11

De verhouding tussen partijen is momenteel gespannen. Tegen die achtergrond heeft de vader voldoende belang bij zijn vordering dat de moeder, op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de reis en het verblijf van de vader met [kind B] . Ter zitting heeft de advocaat van de vader verduidelijkt dat dit in elk geval inhoudt dat zij [kind B] ten behoeve van de reis aan de vader afgeeft en zijn Nederlandse paspoort ter beschikking stelt van de vader. Daarmee verenigt het hof zich. Nu [kind B] zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder, dient de vader na terugkeer met [kind B] in Nederland het paspoort wel weer af te geven aan de moeder. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd als hierna te melden.

3.12

Nu partijen ex-echtgenoten zijn, dienen zij ook in hoger beroep ieder de eigen proceskosten te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

4.1

vernietigt het vonnis waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de daarbij uitgesproken verrekening van proceskosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verleent aan de vader vervangende toestemming om vanaf 30 juli 2019 tot en met 25 augustus 2019 met [kind B] naar Marokko en Spanje af te reizen en aldaar ook te verblijven;

4.2

veroordeelt de moeder haar medewerking te verlenen aan de hiervoor genoemde reis en het verblijf, in die zin dat zij op geen enkele wijze het verblijf van de minderjarige samen met de vader in het buitenland zal belemmeren c.q. verhinderen;

4.3

bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- (vijfhonderd euro) voor elke dag of deel daarvan dat zij niet voldoet aan de veroordeling onder 4.2, met een maximum van € 10.000,- (tienduizend euro);

4.4

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V.T. de Bie, G.W. Brands-Bottema en P.J.W.M. Sliepenbeek en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.

Deze schriftelijke uitwerking van dit arrest is vastgesteld op 26 juli 2019 door voornoemde raadsheren en is op die datum ondertekend door de voorzitter en de griffier.