Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2817

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
12-08-2019
Zaaknummer
200.239.926/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring. Strook grond is door bevrijdende verjaring in eigendom verkregen. Kwade trouw van degene die strook grond in bezit nam en die zich nu beroept op verjaring. Onrechtmatige daad. Schadevergoeding anders dan in geld. Levering strook grond aan oorspronkelijke eigenaar is passende wijze van schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2019/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.239.926/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/248378 / HA ZA 16-584

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juli 2019

inzake

GEMEENTE BERGEN,

waarvan de zetel is gevestigd te Alkmaar,

appellante,

advocaat: mr. E.C.W. van der Poel te Alkmaar,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonend te [woonplaats]

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J.J. Sweens te Den Helder.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de gemeente en [geïntimeerden] genoemd.

De gemeente is bij dagvaarding van 17 april 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 januari 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen de gemeente als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 mei 2019 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De gemeente heeft nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De gemeente heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – haar vordering, met inachtneming van de aanvulling daarvan zoals geformuleerd in het petitum van de memorie van grieven, alsnog zal toewijzen en de vordering van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt en luiden, deels samengevat, als volgt.

2.1.

Sinds 8 juni 1984 zijn [geïntimeerden] eigenaar van een perceel gelegen aan de [adres ] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [nummer 1] (hierna: perceel [nummer 1] )

2.2.

[geïntimeerden] hebben aan de achterzijde van perceel [nummer 1] een strook grond van circa 61,4 vierkante meter bij hun tuin getrokken (hierna: de strook grond). Deze strook grond is onderdeel van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , voorheen nummer [nummer 2] , thans nummer [nummer 3] . De gemeente staat bij het kadaster als eigenaar van dit perceel geregistreerd. Een en ander kan als hieronder worden weergegeven. De strook grond betreft het gearceerde gedeelte binnen de stippellijntjes:

2.3.

De gemeente heeft in februari 2008 een ‘Beleidsnotitie Snippergroen’ met betrekking tot de verkoop van snippergroen opgesteld. Voor zover hier van belang luidt deze notitie als volgt:

5.2.2

Verjaring

(…)

Het enkel onderhouden van een stuk grond is niet voldoende om naar verkeersopvatting het bezit van een stuk grond te verkrijgen. Het planten van struiken, verwijderen van andere begroeiing, het plaatsen van een tuinhuisje of een erf afscheiding zal wel met zich meebrengen dat het bezit van de grond naar verkeersopvatting door middel van inbezitneming verkregen wordt. (…)

2.4.

Bij brief van 24 oktober 2014 heeft de gemeente aan [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld:

De gemeente houdt u, als bewoner van de ‘ [naam buurt] ’ in [plaats] , graag op de hoogte van de laatste stand van zaken betreffende de aankomende herinrichting. In deze brief informeren wij u over een onderdeel van het besluit dat het college van burgemeester en wethouders op 15 april 2014 heeft genomen over de in gebruik genomen gemeentegronden.

Wat vooraf ging

Bij het inventariseren van de mogelijke invullingen voor de groene velden kwam naar voren dat op een aantal velden gemeentegrond in gebruik is. Dit is ook het geval bij stukken grond die grenzen aan sloten.

Voorstel tot aankoop

Het gebruik van de gemeentegronden is op veel plaatsen versnipperd. Het college heeft daarom besloten om over te gaan tot verkoop van verschillende stukken grond, waaronder het perceel naast c.q. achter uw woning, zoals aangegeven op bijgevoegde tekening. Op de tekening vindt u een weergave van de strook grond die de gemeente aan u wil verkopen.

Opsomming afspraken

Hieronder zetten wij de voorwaarden op een rij waaronder een eventuele verkoop plaatsvindt:

• de koopsom bedraagt € 75,- per vierkante meter;

• als koper betaalt u ten minste een koopsom van € 550,- ongeacht het aantal vierkante meters dat u koopt;

• de koopsom is een ‘projectprijs’ (normaal gesproken hanteren wij een ‘snippergroenprijs’ van € 200,- p/m2), en geldt slechts gedurende het project;

• de aanbieding geldt onder de voorwaarde dat een minimum aantal bewoners in één straat of plantsoen instemt met aankoop (ten minste 90% bij velden, 100% bij slootkanten); alleen in uitzonderingsgevallen wordt hiervan afgeweken; (…)

2.5.

De grond die de gemeente bij voormelde brief aan [geïntimeerden] te koop heeft aangeboden betreft een deel van de strook grond en is drie meter diep over de gehele breedte van de achtertuin, berekend vanaf de kadastrale erfgrens.

2.6.

[geïntimeerden] hebben voormelde brief van 24 oktober 2014 voor akkoord ondertekend aan de gemeente geretourneerd, maar daarbij met pen aangetekend:

Voor akkoord mits uitgaande bestaande situatie (meer dan 20 jaar)’

2.7.

In de daarop volgende correspondentie tussen (de gemachtigde van) [geïntimeerden] en de gemeente, hebben [geïntimeerden] laten weten dat zij zich beroepen op bezit en verjaring van de strook grond, met verzoek aan de gemeente medewerking te verlenen aan het passeren van een akte van verjaring om de nieuwe eigendomssituatie formeel vast te leggen, en heeft de gemeente te kennen gegeven dit beroep af te wijzen en niet te zullen meewerken aan het passeren van een akte. Wel heeft de gemeente bij brief van 4 september 2015 geschreven bereid te zijn om op haar kosten mee te werken aan het (ver)plaatsen van de op de strook grond aanwezige beplanting en het huisje. Bij brief van 4 februari 2016 hebben [geïntimeerden] nogmaals een beroep gedaan op (bevrijdende) verjaring en in het kader van een minnelijke regeling verzocht de strook grond te mogen kopen van de Gemeente voor een prijs van € 75,= per vierkante meter. De gemeente is daarop niet ingegaan.

2.8.

In eerste aanleg heeft de rechtbank op 12 oktober 2017 een plaatsopname gehouden. Het proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

De rechter bezichtigt de tuin aan de achterzijde van het adres [adres ] . De tuin is omsloten met gaas en een hekje. Achter het hekje loopt een kort paadje naar de grasgrond en aan weerszijden daarvan staan struiken. [geïntimeerde sub 2] wijst op een biels onder de struiken die enkele meters achter het gaas/hekje op de grond ligt. De struiken groeien nu voorbij de biels maar werden volgens [geïntimeerde sub 2] eerder door haar tot aan de biels gehouden (door deze steeds te snoeien). Achter die struiken is grasland dat loopt tot aan de oever van de vijver. Ongeveer ter hoogte van de hortensia en het fonteintje, loopt de kadastrale grens. De gemeente heeft aangeboden dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tot drie meter grond erbij kunnen kopen. Daarmee zou de tuin tot ongeveer halverwege het tuinhuis komen. [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] beschouwen als hun juridisch eigendom de grond tot aan de biels (dus nog ongeveer twee meter na het hekje) maar wat hun betreft mogen alle struiken na het hekje door de Gemeente worden weggehaald. De tuin van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] is nu de enige in de huizenrij die verder doorloopt dan de andere tuinen. Volgens [geïntimeerde sub 2] was de vordering van de Gemeente bij de buren nog niet verjaard, zodat zij niet anders konden dan op het aanbod van de Gemeente ingaan en drie meter van de gemeentegrond bij te kopen en voor het overige het gebruik van de gemeentegrond te staken. De Gemeente heeft die grond met gras laten begroeien en her en der staat een boompje.

3 Beoordeling

3.1.

De vorderingen van de gemeente in eerste aanleg strekten in de kern primair tot verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de strook grond en veroordeling van [geïntimeerden] tot ontruiming daarvan. Subsidiair vorderde de gemeente, samengevat, verklaring voor recht dat [geïntimeerden] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld, veroordeling van [geïntimeerden] tot medewerking aan eigendomsoverdracht van de strook grond aan de gemeente en tot ontruiming van de strook grond. [geïntimeerden] hebben in reconventie in essentie verklaring voor recht gevorderd dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond.

3.2.

De rechtbank heeft, kort weergegeven, enerzijds overwogen dat [geïntimeerden] door verjaring verkrijger zijn geworden van de strook grond en anderzijds dat zij onrechtmatig jegens de gemeente hebben gehandeld, omdat zij vanaf het in bezit nemen van de strook grond wisten dat de gemeente hiervan de eigenaar was; zij waren daarmee te kwader trouw en hebben inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de gemeente. Dat is aan hen toe te rekenen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerden] in beginsel schadeplichtig zijn jegens de gemeente, maar dat deze geen aanspraak kan maken op de gevorderde schadevergoeding in natura (teruggave van de strook grond) omdat de gemeente, wetende van de inbreuk op haar eigendomsrecht niet eerder dan in 2014 hiertegen is opgetreden. Dit is, aldus de rechtbank, een aan de gemeente toerekenbare omstandigheid waarvan het verlies van eigendom mede het gevolg is. Daarmee ontbreekt het vereiste causale verband of heeft de gemeente eigen schuld. Voor toewijzing van de vordering tot teruggave van de gehele strook grond is volgens de rechtbank vereist dat [geïntimeerden] de gehele door de gemeente geleden schade dienen te vergoeden en die verplichting is er niet. De gemeente heeft geen stellingen ingenomen waaruit volgt dat zij bij wijze van schadevergoeding slechts een deel van de strook grond wenst te verkrijgen, zodat geen veroordeling kan worden gegeven waarbij slechts een gedeelte van de strook moet worden overgedragen. Daarop heeft de rechtbank in reconventie voor recht verklaard dat [geïntimeerden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond en in conventie dat zij onrechtmatig jegens de gemeente hebben gehandeld, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten in conventie en in reconventie. Voor het overige zijn de vorderingen van de gemeente en [geïntimeerden] afgewezen.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de gemeente met haar grieven op. De gemeente heeft de in eerste aanleg ingestelde subsidiaire vordering onder VI en VII bij memorie van grieven aldus aangevuld dat, voor het geval ook het hof tot het oordeel zou komen dat aan de zijde van de gemeente eigen schuld bestaat, een gedeelte van de strook grond aan haar in eigendom wordt overgedragen. Bovendien heeft zij in het petitum tot uitdrukking gebracht dat het nummer van het kadastrale perceel waarop de strook grond is gelegen is gewijzigd in gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer 3] (voorheen [nummer 2] ).

Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] de strook grond door verjaring in eigendom hebben verkregen en grief II tegen de afwijzing van de gevorderde schadevergoeding in natura. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep hebben partijen ieder voor zich ermee ingestemd dat grief I wordt aangemerkt als een voorwaardelijke grief, die slechts ter beoordeling voorligt wanneer grief II faalt.

3.4.

Bij de beoordeling van grief II is van belang het ook door de rechtbank tot uitgangspunt genomen arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309. Daarin heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen dat de wetgever ervoor heeft gekozen het beroep op eigendomsverkrijging (in de zin van artikel 3:314 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:105 lid 1 BW) niet te ontzeggen aan de partij zelf die de zaak te kwader trouw in bezit heeft genomen, maar dat deze keuze van de wetgever onverlet laat dat deze partij wel bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van artikel 3:105 BW. Ook heeft de Hoge Raad overwogen dat het in een dergelijk geval voor de hand ligt dat de rechter, wanneer de (voormalige) rechthebbende dat vordert en de occupant nog steeds eigenaar is, deze laatste op de voet van artikel 6:103 BW veroordeelt om bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde in eigendom over te dragen. Daarbij heeft de Hoge Raad opgemerkt dat de benadeelde, indien het gaat om een onroerende zaak, in de regel niet, bij wijze van eigen schuld of ten betoge dat causaal verband ontbreekt, kan worden tegengeworpen dat deze heeft nagelaten regelmatig onderzoek te doen naar eventuele inbezitnemingen van zijn zaak door onbevoegden en dat van een grondeigenaar niet kan worden verlangd dat hij zijn percelen periodiek op bezitsinbreuken controleert als daarvoor geen concrete aanleiding bestaat – in het bijzonder niet voor zover die percelen moeilijk begaanbaar of moeilijk toegankelijk zijn – op straffe van het verval of de beperking van zijn aanspraken op schadevergoeding jegens degenen die de hem toebehorende grond wederrechtelijk in bezit hebben genomen. Daarom kan het achterwege laten van dergelijke periodieke inspecties in de regel niet worden aangemerkt als een aan de eigenaar toerekenbare omstandigheid waarvan het verlies van de eigendom mede het gevolg is, aldus nog steeds de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad.

3.5.

Vooropgesteld wordt dat in hoger beroep niet ter discussie staat dat [geïntimeerden] de strook grond zelf te kwader trouw in bezit hebben genomen. Dit is een inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente en aan [geïntimeerden] toe te rekenen.

3.6.

Bij de comparitie in eerste aanleg hebben [geïntimeerden] verklaard dat een medewerker van de gemeente, de heer [X] , op de hoogte was van het gebruik dat zij van de strook grond maakten. De gemeente heeft gesteld dat zij in 2014 is begonnen met het onderzoek in verband met de herinrichting van gemeentegrond en dat zij pas toen bekend is geworden met de inbezitneming van de strook grond door [geïntimeerden] In hoger beroep heeft de gemeente bovendien gesteld dat eventuele kennis van de heer [X] niet aan haar kan worden toegerekend, omdat deze medewerker niet behoort tot het college van burgemeester en wethouders of een ander bestuursorgaan. [geïntimeerden] hebben dit niet bestreden. Tegen deze achtergrond en anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de gemeente geen eigen schuld kan worden tegengeworpen, noch de stelling dat causaal verband ontbreekt. De omstandigheden dat [geïntimeerden] (overigens evenals destijds hun buren) een niet onaanzienlijk deel van de gemeentelijke groenvoorziening ter plaatste bij hun tuin hadden getrokken en de aangrenzende gemeentelijke groenvoorziening wel steeds door gemeente(ambtenaren) is onderhouden, kunnen niet worden aangemerkt als concrete aanleiding voor de gemeente om periodiek onderzoek te verrichten naar bezitsinbreuken, als bedoeld door de Hoge Raad in voornoemd arrest.

3.7.

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen, ligt het ook in de onderhavige zaak voor de hand dat [geïntimeerden] , overeenkomstig de vordering van de gemeente, worden veroordeeld de door hen wederrechtelijk in bezit genomen strook grond aan de gemeente over te dragen. Dit acht het hof een passende wijze van schadevergoeding. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerden] hebben gesteld dat schadevergoeding in geld de hoofdregel is en dat zij – kennelijk – daaraan de voorkeur geven. Een belangenafweging is niet aan de orde. Wel ziet het hof aanleiding de termijn voor ontruiming van de strook grond te stellen op vier maanden. Eenzelfde termijn zal worden gehanteerd voor de medewerking door [geïntimeerden] aan de overdracht van de strook grond aan de gemeente.

3.8.

De conclusie is dat grief II slaagt en dat de voorwaarde om over te gaan tot bespreking van grief I niet is vervuld, zodat de bespreking van die grief achterwege blijft en het vonnis zoals gewezen in reconventie geacht moet worden niet aan het hof te zijn voorgelegd. De verklaring voor recht in conventie dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens de gemeente hebben gehandeld is evenmin aan het hof voorgelegd. De in conventie gegeven verklaring voor recht en de beslissing in reconventie gelden dus onverkort tussen partijen. Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover de gemeente is belast met de proceskosten in conventie en het in conventie meer of anders gevorderde is afgewezen. [geïntimeerden] zullen alsnog als na te melden worden veroordeeld tot overdracht van de strook grond aan de gemeente en tot ontruiming daarvan. Zij zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in eerste aanleg, voor zover gewezen in conventie, en van het geding in hoger beroep. Naast de veroordeling van [geïntimeerden] tot medewerking aan de overdracht van de strook grond, de toestemming aan de gemeente de overdracht eventueel zelf te bewerkstelligen op kosten van [geïntimeerden] en de bepaling dat het arrest in de plaats komt van de akte van levering, indien [geïntimeerden] niet voldoen aan de veroordeling tot medewerking aan de overdracht, bestaat geen aanleiding ook nog een vertegenwoordiger aan te wijzen om de leveringshandeling in plaats van [geïntimeerden] te verrichten. In zoverre zal de vordering van de gemeente worden afgewezen. De dwangsom verbonden aan de veroordeling tot ontruiming, zal worden gemaximeerd als na te melden.

3.9.

[geïntimeerden] hebben weliswaar bewijs aangeboden, maar geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beoordeling van het geschil kunnen leiden. Dat bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd. Het hof ziet ook geen aanleiding de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen, omdat de feitelijke situatie niets toe of af kan doen aan voornoemde inhoudelijke overwegingen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover de gemeente is belast met de kosten van het geding in conventie en het in conventie meer of anders gevorderde is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om binnen vier maanden na de betekening van dit arrest medewerking te verlenen het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer 3] (voorheen [nummer 2] ), zoals schetsmatig weergegeven op de tekening die is weergegeven onder 2.2 van dit arrest, in eigendom over te dragen aan de gemeente;

verleent de gemeente, indien [geïntimeerden] met de nakoming van deze veroordeling in gebreke mochten blijven, toestemming over te gaan tot overdracht en levering aan de gemeente van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer 3] (voorheen [nummer 2] ), op kosten van [geïntimeerden] , en bepaalt dat dit arrest dan in de plaats treedt van de akte van levering;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk binnen vier maanden na betekening van dit arrest het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer 3] (voorheen [nummer 2] ) te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag voor elke dag of dagdeel dat de ontruiming niet of niet geheel plaatsvindt, met een maximum van € 25.000,=;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in hoger beroep, in eerste aanleg aan de zijde van de gemeente begroot op € 720,= aan verschotten en € 904,= voor salaris in conventie en in hoger beroep tot op heden op € 827,81 aan verschotten en € 3.222,= voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in conventie meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, R.J.M. Smit en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.