Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2780

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
13-08-2019
Zaaknummer
23/002308-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002308-18

datum uitspraak: 12 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-061069-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is- voor zover in hoger beroep aan de orde- ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 18 maart 2018 te Medemblik, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (via WhatsApp) berichten gestuurd -daarin sprekend over voornoemde [slachtoffer]- en daarin dreigend de woorden toegevoegd: "ik ben groot geworden en het liefst trap ik je hele kanker hoofd aan puin want die heb je nog tegoed van me kanker jood" en/of "liefst knal ik een hele magazijn leeg op je", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke dreigende woorden die voornoemde [slachtoffer] op of omstreeks 18 maart 2018 te Medemblik kennis heeft genomen;

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat er geen sprake is van een bedreiging maar dat de woorden geuit door de verdachte enkel een verwensing bevatten.

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, slechts vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De door verdachte gebruikte bewoordingen kunnen in het algemene spraakgebruik niet anders dan als bedreigend worden aangemerkt. Het hof is dan ook van oordeel dat de woorden die de verdachte heeft geuit richting [slachtoffer] van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geuit dat bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte daaraan gevolg zou geven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 18 maart 2018 te Medemblik, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (via WhatsApp) berichten gestuurd -daarin sprekend over voornoemde [slachtoffer]- en daarin dreigend de woorden toegevoegd: "ik ben groot geworden en het liefst trap ik je hele kanker hoofd aan puin want die heb je nog tegoed van me kanker jood" en "liefst knal ik een hele magazijn leeg op je", van welke dreigende woorden die voornoemde [slachtoffer] op of omstreeks 18 maart 2018 te Medemblik kennis heeft genomen.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer]. De bedreigingen hebben bij [slachtoffer] de vrees opgewekt fysiek door de verdachte te worden aangevallen en hebben hem in zijn persoonlijke integriteit aangetast. Het hof rekent dit feit de verdachte aan.

Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke zaken pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een geldboete van € 250,00. In de omstandigheden die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, inhoudende dat het een langlopende familieruzie betrof en de verdachte en de aangever geen contact meer met elkaar hebben, ziet het hof aanleiding om daarvan in het voordeel van de verdachte af te wijken.

Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juni 2019.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.100,00, waarvan € 100,00 materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

De materiële schade van € 100,00 is niet nader onderbouwd. Ook de emotionele schade die de benadeelde partij heeft geleden, valt op basis van de vordering niet eenvoudig vast te stellen. Het hof kan derhalve niet – zonder toereikende onderbouwing – vaststellen dat in ieder geval enig bedrag met betrekking tot emotionele schade toewijsbaar is. De benadeelde partij kan daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat een ieder zijn eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 juli 2019.

[…]