Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2776

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
16-08-2019
Zaaknummer
23/000497-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging m.u.v. de strafoplegging. Volwassenstrafrecht van toepassing. Dat hij de risico’s van zijn handelen beperkt wist in te schatten is in dit verband te onbepaald en de verdachte staat niet open voor enige vorm van begeleiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000497-18

datum uitspraak: 23 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-654192-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de stafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiaire ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uur te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair toepassing van het jeugdstrafrecht waarbij er bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op klaarlichte dag in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft in een ruzie met twee andere jongens (waaronder het latere slachtoffer [slachtoffer]) op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte] een mes uit zijn jaszak gepakt en dat aan [medeverdachte] gegeven. Vervolgens heeft [medeverdachte] met dat mes [slachtoffer] diep in zijn been gestoken. Daarmee is er een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Het slachtoffer heeft door het misdrijf last gehad van fysiek letsel maar ook van psychische gevolgen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij behulpzaam is geweest bij het misdrijf.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht dat hij begeleid woont in een woning van Spirit en dat hij fulltime werkt in een fabriek waar pitabroodjes worden geproduceerd.

Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 april 2019, waaruit blijkt dat de verdachte op 25 oktober 2016 is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke taakstraf ter zake van een vermogensdelict dat gepaard ging met geweld. Die veroordeling is onherroepelijk geworden op de dag dat onderhavig feit is gepleegd.

Het hof heeft kennis genomen van het over de verdachte in een andere strafzaak uitgebrachte advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 april 2016, van het reclasseringsadvies van 1 maart 2017 en van het recent uitgebrachte reclasseringsadvies van 15 april 2019. Daaruit volgt dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit zelfbepalend gedrag vertoonde, zijn eigen gedrag niet organiseerde en de risico’s van zijn handelen beperkt wist in te schatten. Aan de andere kant was de verdachte zeer beperkt ontvankelijk voor sociaal/emotionele of praktische ondersteuning en stond hij niet open voor begeleiding bij de voorzetting van zijn schoolgang. Ook tijdens het opstellen van het advies van 15 april 2019 heeft de verdachte geen toestemming gegeven om referenten te benaderen en heeft de verdachte opnieuw laten weten niet open te staan voor eventuele begeleiding. De reclassering heeft geadviseerd om gelet op het bovenstaande het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Het hof kan echter besluiten voor jong volwassenen met toepassing van artikel 77c Wetboek van Strafrecht, jeugdsancties toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

Ondanks het advies van de reclassering, de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging, zijn naar het oordeel van het hof in de persoonlijkheid van verdachte en in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, onvoldoende indicaties naar voren gekomen om – in afwijking van voornoemd uitgangspunt - het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Dat hij de risico’s van zijn handelen beperkt wist in te schatten is in dit verband te onbepaald. De persoonlijkheid van de verdachte noch diens functioneren maken een pedagogische insteek noodzakelijk. Daar komt bij dat de verdachte naar voren heeft gebracht niet open te staan voor enige vorm van begeleiding.

Het hof zal dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen en een langere taakstraf dan gevorderd opleggen. Daarbij heeft het hof ook rekening gehouden met het tijdsverloop.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 45, 48 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 mei 2019.

[.........]

.