Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:277

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
200.159.999/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 20 maart 2018. Bevel deskundigenonderzoek en benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer gerechtshof : 200.159.999/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/555659/HA ZA 13-1806

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 februari 2019

inzake

JBRE B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

appellante in principaal appel,

tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht DEME BUILDING MATERIALS N.V.,

gevestigd te Zwijndrecht (België),

geïntimeerde in principaal appel,

tevens appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. E. Baghery Ziabari te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom JBRE en DBM genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 15 november 2015 en 20 maart 2018 een tussenarrest gewezen. Voor het eerdere verloop van het geding wordt verwezen naar deze tussenarresten. In het tussenarrest van 20 maart 2018 is JBRE in de gelegenheid is gesteld een akte te nemen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte na tussenarrest van de zijde van JBRE;

- akte na tussenarrest van de zijde van DBM, met producties.

Tenslotte is arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.1.

Het hof heeft in genoemd tussenarrest (hierna: het tussenarrest) overwogen dat het hof (een) deskundige(n) zal benoemen en heeft voorstellen gedaan voor de aan deze te stellen vragen. In het dictum van het tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen - bij voorkeur gemeenschappelijk - voorstellen te doen voor de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen, alsmede commentaar te geven op de door het hof voorlopig geformuleerde vragen.

2.1.2.

De door het hof in het tussenarrest voorlopig geformuleerde vragen luiden als volgt:

  • -

    Wat bedroeg de (contant gemaakte) waarde van het erfpachtrecht van de locatie [locatie] van 50.000 m2 op 9 oktober 2012 (het moment van verkrijging door DBM van de aandelen in Paes Maritiem)?

  • -

    Heeft u voor het overige nog opmerkingen die van belang zijn?

2.2.1.

JBRE stelt voor om, in een aanvullende vraag, in de vraagstelling aan de deskundige integraal aan te sluiten bij de letterlijke tekst van hetgeen partijen in de overeenkomst 8 juni 2011 zijn overeengekomen voor het geval de aanbrengvergoeding moet worden vastgesteld indien aan de verkrijging geen koopovereenkomst vooraf is gegaan, en derhalve aan de deskundige te vragen wat op 9 oktober 2012 van het desbetreffende perceel grond de waarde was “zoals die voor de betrokken grond is gedefinieerd door het Havenbedrijf Amsterdam, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst tot vestiging van de (...) erfpacht”.

Het hof verwerpt dit voorstel. In het tussenarrest van 20 maart 2018 heeft het hof vastgesteld dat partijen het niet eens zijn over de vraag wat onder de “grondwaarde” van de betrokken grond “gedefinieerd door het Havenbedrijf Amsterdam” moet worden verstaan, en heeft het vervolgens geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden partijen over en weer redelijkerwijs aan deze tekst de betekenis hebben moeten geven dat als grondslag voor de berekening van de aanbrengvergoeding moet gelden de (contant gemaakte) waarde van het erfpachtrecht van locatie [locatie] (rechtsoverweging 2.7.2 van genoemd tussenarrest). Het hof ziet geen aanleiding op deze eerdere uitleg terug te komen. Het hof merkt op dat het, uitgaande van deze vaststelling, aan de deskundige is te beoordelen of en zo ja, in hoeverre betekenis kan worden toegekend aan de in de overeenkomst opgenomen verwijzing “gedefinieerd door het Havenbedrijf Amsterdam”.

2.2.2.

DBM betoogt dat de deskundige niet moet worden gevraagd de contante waarde van het recht van erfpacht te berekenen, maar de contante waarde van de canonverplichting. Omdat de door DBM ingeschakelde deskundige van BDO deze waarde al heeft berekend, is niet noodzakelijk dat een door het hof benoemde deskundige de waarde opnieuw berekent. Voor het geval dit toch zou gebeuren, dient deze deskundige de door BDO gevolgde berekeningsmethode (opgenomen in de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971) te volgen en moet dit in de vraagstelling aan hem worden voorgeschreven, aldus nog steeds DBM.

Het hof verwerpt dit betoog. De bevindingen van BDO zijn door JBRE gemotiveerd betwist, hetgeen voor het hof aanleiding was zelf (een) deskundige(n) te benoemen. Het hof handhaaft deze beslissing en zal de deskundige geen berekeningsmethode voorschrijven, maar deze vrij laten zijn eigen methode te kiezen. Het is aan de deskundige te beoordelen of en zo ja, in hoeverre, de contante waarde van het recht van erfpacht wordt bepaald door de contante waarde van de canonverplichting. Het gaat erom dat de deskundige de contante waarde berekent van hetgeen DBM verwierf, of dit nou het recht van erfpacht wordt genoemd (hof) dan wel de canonverplichting (DBM).

2.2.3.

Nu partijen voor het overige geen bezwaar hebben tegen de door het hof voorgestelde vragen, zal de deskundige worden gevraagd een antwoord te geven op de volgende vragen:

  • -

    Wat bedroeg de (contant gemaakte) waarde van het erfpachtrecht van de locatie [locatie] van 50.000 m2 op 9 oktober 2012 (het moment van verkrijging door DBM van de aandelen in Paes Maritiem)?

  • -

    Heeft u voor het overige nog opmerkingen die van belang zijn?

2.3.1.

JBRE stelt als deskundige voor [Deskundige X], directeur van Troostwijk Groep B.V. DBM stelt voor [Deskundige Y] van Cushman & Wakefield te benoemen.

2.3.2.

Nu partijen niet in onderling overleg één (of meerdere) deskundige(n) voorstellen, heeft het hof zelf een deskundige gezocht. Ter voorkoming van het oplopen van de proceskosten en gezien de omvang van het belang in kwestie, heeft het hof ervoor gekozen één deskundige te benoemen. De volgende deskundige is bereid gevonden het onderzoek te verrichten:

J.H. Diephuis, verbonden aan Jan Diephuis Property Valuation & Consultancy

Rijksstraatweg 246

2241 BX Wassenaar.

De deskundige heeft desgevraagd laten weten dat het hem in deze zaak vrij staat als deskundige op te treden.

Het hof begrijpt dat Diephuis een deel van het onderzoek door F.G. van Hoeken wil laten verrichten. Het hof is hiermee akkoord, met dien verstande dat dit de verantwoordelijkheid van Diephuis als enig benoemde onderzoeker geheel onverlet laat en de werkzaamheden van Van Hoeken derhalve geschieden onder volledige verantwoordelijkheid van Diephuis. Diephuis heeft het hof te kennen gegeven hiermee akkoord te zijn.

2.4.

De betaling van het voorschot komt ten laste van beide partijen, ieder voor de helft (zie rechtsoverweging 3.7.5 van het tussenarrest van 20 maart 2018). Het bezwaar door DBM tegen de hoogte van het voorgestelde voorschot wordt verworpen nu het - ook in vergelijking met de door DBM genoemde honoraria van andere deskundigen - niet bovenmatig hoog voorkomt.

2.5.

Nadat de deskundige zijn rapport bij het hof heeft ingediend zal het hof partijen - eerst JBRE en daarna DBM - in de gelegenheid stellen bij memorie op het deskundigenrapport te reageren.

3 Beslissing

Het hof:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter - gemotiveerde - beantwoording van de volgende vragen:

  • -

    Wat bedroeg de (contant gemaakte) waarde van het erfpachtrecht van de locatie [locatie] van 50.000 m2 op 9 oktober 2012 (het moment van verkrijging door DBM van de aandelen in Paes Maritiem)?

  • -

    Heeft u voor het overige nog opmerkingen die van belang zijn?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

J.H. Diephuis, verbonden aan Jan Diephuis Property Valuation & Consultancy

Rijksstraatweg 246

2241 BX Wassenaar

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat beide partijen binnen twee weken na heden kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen tijdstip;

bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van € 15.881,25, inclusief BTW;

bepaalt dat partijen als voorschot op de kosten van de deskundige ieder de helft van voornoemd bedrag dienen te voldoen; partijen zullen daarvoor van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota ontvangen met betaalinstructies; het bedrag moet worden voldaan binnen twee weken na ontvangst van die nota;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 7 mei 2019;

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van zaaknummer 200.159.999/01;

verwijst de zaak naar de rol van 7 mei 2019 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en G.J. Visser, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.