Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:275

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
23-000648-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk onjuist aangifte doen door belastingconsulent, art. 69 lid 2 AWR geen kwaliteitsdelict

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-05-2019
FutD 2019-1250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000648-17

Datum uitspraak: 1 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-845013-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard voor het tweede, alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit, kort gezegd, het medeplegen van valsheid in geschrift. Door de verdediging is onbeperkt hoger beroep ingesteld, maar blijkens de tegen het vonnis aangevoerde grieven richt het hoger beroep zich niet tegen deze beslissing. Door de officier van justitie is geen hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit onderdeel van de verdenking in hoger beroep niet meer aan de orde is of hoeft te zijn. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het aan de verdachte onder het tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde in hoger beroep niet meer aan de orde is.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 februari 2015 te Utrecht en/of elders in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en),

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal, althans één of meerdere aangifte(n) inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen, over het/de jaar/jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 ten name van (een) ander(en), (waaronder):

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2010 en/of 2011 en/of 2012 ten name van [betrokkene 1] (DOC-003, DOC-004 en DOC-005) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 ten name van [betrokkene 2] (DOC-020, DOC-023, DOC-024 en DOC-025) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 ten name van [betrokkene 3] (DOC-028, DOC-031, DOC-032, DOC-033 en DOC-034) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 ten name van [betrokkene 4] (DOC-013, DOC-014, DOC-015 en DOC-016) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 ten name van [betrokkene 5] (DOC-072, DOC-073, DOC-074, DOC-075 en DOC-076) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 ten name van [betrokkene 6] (DOC-055, DOC-056, DOC-057, DOC-058 en DOC-071) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 ten name van [betrokkene 7] (DOC-107, DOC-108, DOC-109 en DOC-110) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 ten name van [betrokkene 8] (DOC-145, DOC-146, DOC-151 en DOC-152) en/of

- het/de (elektronische) aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar/de jaren 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 ten name van [betrokkene 9] (DOC-046, DOC-050, DOC-051, DOC-052 en/of DOC-054),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachte(n (telkens) opzettelijk op de/het bij de inspecteur(s) der belastingen en/of de Belastingdienst ingediende (elektronische) aangifte(n) en/of ingeleverde aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting ten name van genoemde perso(o)n(en) over genoemde periode(n) (telkens) een onjuist (belastbaar) loon en/of (belastbaar) inkomen en/of een te hoog althans gefingeerd bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten, althans persoonsgebonden aftrek en/of onjuiste (andere) aftrekpost(en) opgegeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) er toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewijsconstructie en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Gedeeltelijke vrijspraak

In navolging van de rechtbank, komt het hof tot een gedeeltelijke vrijspraak van het onder het eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde, voor zover dit ziet op de volgende aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen ten name van de volgende personen:

  • -

    [betrokkene 2] over het belastingjaar 2009;

  • -

    [betrokkene 3] over het belastingjaar 2013;

  • -

    [betrokkene 5] over het belastingjaar 2013;

  • -

    [betrokkene 6] over het belastingjaar 2011;

  • -

    [betrokkene 7] over het belastingjaar 2011;

  • -

    [betrokkene 8] over het belastingjaar 2009.

In hoger beroep gevoerde verweren

De verdediging heeft zich, aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is allereerst aangevoerd dat de verklaringen van de klanten van de verdachte onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Ter onderbouwing is naar voren gebracht dat uit het dossier blijkt dat een aantal klanten inkomsten heeft verzwegen voor de Belastingdienst. Het betreft volgens de verdediging de personen die op de aan de pleitnota gehechte lijst staan genoemd.

Het hof stelt vast dat op genoemde lijst niet de namen vermeld staan van de in de tenlastelegging genoemde personen ([betrokkenen]). Reeds daarom is er geen grond om de door hen als getuigen afgelegde verklaringen als onbetrouwbaar aan te merken. Het verweer faalt.

Ter onderbouwing van de onbetrouwbaarheid van de getuigenverklaringen is daarnaast aangevoerd dat voor zover die verklaringen inhouden dat bonnetjes bij de verdachte werden achtergelaten of dat de verdachte bonnetjes naar de Belastingdienst zou opsturen, die verklaringen onjuist zijn omdat deze gang van zaken niet in overeenstemming is met de door de verdachte gehanteerde en door de Belastingdienst voorgestane werkwijze. Wat daar van zij, deze stelling richt zich niet specifiek op de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen en is daarmee te algemeen om aan te nemen dat ook die getuigenverklaringen, reeds daarom, onbetrouwbaar zijn. Ook in zoverre faalt het verweer.

Voorts is bepleit dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting. De verdediging stelt zich daarbij op het standpunt – zo begrijpt het hof – dat in het geval een persoonsgebonden aftrek werd opgevoerd zonder dat de klant beschikte over een bonnetje of factuur, de verdachte – na doorvragen of bekendheid met de persoonlijke situatie van de klant – niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de door de klant gedane mededeling. De verdachte heeft dan ook niet de aanmerkelijke kans op eventuele foute aangiften aanvaard.

Het verweer dat voorwaardelijk opzet niet kan worden bewezen is in eerste aanleg ook gevoerd en door de rechtbank uitgebreid gemotiveerd verworpen. Het hof neemt die motivering, zoals opgenomen onder het kopje ‘Ten aanzien van het opzet’ op pagina 14 tot en met 16 van vonnis, over. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder het eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 februari 2015 te Utrecht opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een groot aantal aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van anderen, waaronder:

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2010 en 2011 en 2012 ten name van [betrokkene 1] (DOC-003, DOC-004 en DOC-005) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2010 en 2011 en 2012 ten name van [betrokkene 2] (DOC-020, DOC-023 en DOC-024) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2009 en 2010 en 2011 en 2012 ten name van [betrokkene 3] (DOC-028, DOC-031, DOC-032 en DOC-033) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2009 en 2010 en 2011 en 2012 ten name van [betrokkene 4] (DOC-013, DOC-014, DOC-015 en DOC-016) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2009 en 2010 en 2011 en 2012 ten name van [betrokkene 5] (DOC-072, DOC-073, DOC-074 en DOC-075) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2009 en 2010 en 2012 en 2013 ten name van [betrokkene 6] (DOC-055, DOC-056, DOC-058 en DOC-071) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2009 en 2010 en 2012 ten name van [betrokkene 7] (DOC-107, DOC-108 en DOC-110) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2010 en 2011 en 2012 ten name van [betrokkene 8] (DOC-145, DOC-146 en DOC-151) en

- de elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2009 en 2010 en 2011 en 2012 ten name van [betrokkene 9] (DOC-046, DOC-050, DOC-051, DOC-052 en DOC-054),

onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingediende elektronische aangiften inkomstenbelasting ten name van genoemde personen over genoemde periode een te hoog althans gefingeerd bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten, althans persoonsgebonden aftrek en/of onjuiste andere aftrekposten opgegeven, terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder het eerste alternatief/cumulatief bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder het eerste alternatief/cumulatief bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de verdediging bepleit dat indien het hof het onder het eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde bewezen acht, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij als belastingconsulent niet de door artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vereiste kwaliteit bezit. Immers rust de wettelijke aangifteplicht op degene die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, dan wel op de belastingplichtige die dat eigener beweging doet, maar in geen geval op de belastingadviseur/belastingconsulent.

Oordeel van het hof

Het hof verwerpt het verweer. Artikel 68 AWR betreft een expliciet kwaliteitsdelict. Artikel 69 ARW daarentegen is geen expliciet kwaliteitsdelict, omdat het zich niet enkel richt tot degene aan wie bij of krachtens de Belastingwet een verplichting is opgelegd. Het hof is van oordeel dat in artikel 69, tweede lid, AWR slechts sprake is van kwaliteitsdelicten indien en voor zover wordt terugverwezen naar de in artikel 68, eerste lid, AWR omschreven gedragingen. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu is bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk onjuist aangiftes inkomstenbelasting heeft gedaan, welke gedraging zelfstandig strafbaar is gesteld in artikel 69, tweede lid, AWR, zonder dat wordt terugverwezen naar de in artikel 68, eerste lid, AWR genoemde verplichtingen voor de bedoelde belastingplichtige.

Strafoplegging

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft de rechtbank een beroepsverbod opgelegd voor de duur van 3 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat indien het hof in de ontnemingszaak – in navolging van de rechtbank – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering, het hof aan de verdachte een afroomboete oplegt van € 50.000,- subsidiair 285 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft over een periode van een aantal jaren op grote schaal als belastingconsulent voor klanten bij het doen van aangifte inkomstenbelasting onjuiste – want te hoge – bedragen aan persoonsgebonden aftrek opgevoerd. Hij heeft ten onrechte geschatte bedragen opgevoerd en heeft bovendien kosten vermeld die zijn klanten in het geheel niet hadden gemaakt of waarvan zij geen bonnen konden overleggen. Het resultaat van deze werkwijze was dat het belastbaar inkomen van de klanten steeds te laag werd vastgesteld, waardoor vervolgens te weinig belasting werd geheven. Het laat zich daarbij aanzien dat de verdachte zijn klantenbestand heeft geput uit minder kapitaalkrachtigen die normaliter niet aangifteplichtig zijn. Door het opvoeren van hoge kosten – waardoor zijn klanten dikwijls geld terugkregen – werden zij elk jaar opnieuw uitgenodigd om aangifte te doen, waarvoor zij steeds weer bij de verdachte aanklopten. Op die manier lijkt de verdachte in staat te zijn geweest veel klanten aan zich te binden. Het verdienmodel van de verdachte was daarbij gestoeld op het in korte tijd afhandelen van zoveel mogelijk aangiftes, waardoor de klanten van de verdachte – die in voorkomende gevallen de Nederlandse taal überhaupt niet machtig waren – slechts in zeer geringe mate controle hebben kunnen uitoefenen op de inhoud van de aangiftes. Op deze manier heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn klanten in hun belastingadviseur hebben gesteld. Daarbij komt nog dat de procesopstelling van de verdachte allerminst een sympathieke is. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte categorisch geweigerd de hand in eigen boezem te steken en de schuld voor het gebeurde enkel gelegd bij zijn klanten en de Belastingdienst. Dit alles neemt het hof de verdachte zeer kwalijk en maakt dat het hof, alles afwegende, slechts een gevangenisstraf van na te melden duur recht vindt doen aan het verwijt dat de verdachte treft.

Het hof heeft bij de bepaling van de straf acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor zover die een uitgangspunt geven voor oplegging van straf bij fraude met een bepaald benadelingsbedrag. In de onderhavige zaak zal het hof

– in navolging van de rechtbank – uitgaan van een benadelingsbedrag van € 470.522,-. Dit bedrag ontleent het hof aan de berekening in het dossier, waaruit blijkt dat over de belastingjaren 2009 tot en met 2013 in totaal 3.427 aangiftes handmatig zijn gecontroleerd, waarna een bedrag van € 1.568.409,- aan persoonsgebonden aftrek is gecorrigeerd. Het nadeel dat is ontstaan door deze ten onrechte opgevoerde persoonsgebonden aftrek bedraagt naar redelijke schatting 30% van voornoemd bedrag, wat neerkomt op afgerond € 470.522,-. Het hof ziet onvoldoende aanleiding de beschikbare gegevens te extrapoleren met het oog op de 12.697 niet gecontroleerde aangiftes die door de verdachte zijn gedaan. Voor het vastgestelde benadelingsbedrag wordt in voornoemde Oriëntatiepunten uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden. Gelet op de hiervoor beschreven aard en ernst van het door de verdachte gepleegde feit acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het voorwaardelijk strafdeel dient ter voorkoming van recidive.

Het hof acht het niet opportuun een geldboete op te leggen als verkapte ontnemingsmaatregel.

Het hof zal tenslotte de onder verdachte in beslag genomen computer verbeurd verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder het eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder het eerste alternatief/cumulatief bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00

STK Computer HEWLETT PACKARD DESKTOP CZC107BY4D.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2.00

STK Administratie ORDNERS 2 ordners inh. documenten D-001 t/m D-238.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

1 februari 2019.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000648-17

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 1 februari 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. J. Piena, raadsheer,

J.K. Krijnen, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Spruijt, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.