Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
200.244.180/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.244.180/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/255614 / FA RK 17-1124

beschikking van de meervoudige kamer van 23 juli 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp,

en

[jongmeerderjarige A] ,

wonende te [woonplaats] , [gemeente] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: [kind A] ,

advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 18 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 18 juli 2018 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 18 april 2018.

2.2

De vrouw heeft op 15 oktober 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 4 maart 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 4 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 5 maart 2019.

2.4

De jongmeerderjarige [B] (hierna: [kind B] ) heeft bij brief, binnengekomen op 13 maart 2019, aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het hoger beroep.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 15 maart 2019 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. [kind A] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het [in] 1994 gesloten huwelijk van de man en de vrouw is op 12 juli 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van drie kinderen, onder wie:

- [kind B] , geboren op [datum] 1999 en

- [kind A] , geboren [in] 2000 (hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen).

3.3

Bij de echtscheidingsbeschikking van 6 juli 2011 is bepaald dat de regelingen, zoals tussen partijen overeengekomen en vastgelegd in het op 9 juni 2011 door hen ondertekende ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking. Partijen zijn daarin onder meer overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben en dat zij op zijn adres staan ingeschreven, alsmede dat sprake is van een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen de ene week drie en de andere week vier dagen bij de man (of de vrouw) verblijven. Voorts is in goed overleg besloten om geen kinderalimentatie te betalen/ontvangen. De kosten voor school of andere dingen aangaande de kinderen worden samen door partijen betaald. De vrouw ontvangt de kinderbijslag.

3.4

Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 18 april 2018 is de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vrouw bepaald (met ingang van 18 april 2018). De vrouw heeft haar verzoek om ook de hoofdverblijfplaats van [kind B] bij haar te bepalen ingetrokken.

De kinderen hadden vanaf medio 2014 feitelijk hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Vanaf 30 augustus 2017 woont [kind B] weer bij de man.

3.5

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind B] bepaald van € 240,- per maand van 1 september 2016 tot [datum] 2017 en van [kind A] van € 240,- per maand met ingang van 1 september 2016.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de kinderbijdrage met ingang van 1 september 2016 op € 261,- per kind per maand te bepalen. Omdat [kind B] op [datum] 2017 meerderjarig is geworden, heeft de vrouw haar verzoek voor [kind B] beperkt tot de periode van 1 september 2016 tot [datum] 2017.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de vrouw met betrekking tot de bijdrage voor de kinderen af te wijzen, althans op een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.3

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van gronden.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Niet in geschil is dat de behoefte van de kinderen na indexering in 2017 € 457,- per kind per maand bedraagt, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Partijen verschillen van mening nog over ieders draagkracht en over de ingangsdatum van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage.

5.2

De man is het er niet mee eens dat de rechtbank 1 september 2016 als ingangsdatum heeft gehanteerd, zijnde de datum die aansluit bij de door de advocaat van de vrouw aan de man gestuurde brief van 25 augustus 2016. In die brief wordt namens de vrouw – nu al langer niet meer sprake is van een co-ouderschapsregeling – aangegeven dat zij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ten laste van de man wenst te ontvangen, waarbij aan de man is verzocht nader genoemde financiële stukken toe te sturen om te kunnen berekenen wat de kosten van de kinderen zijn en hoe deze over de ouders verdeeld moeten worden. Bij de stukken bevindt zich voorts de schriftelijke reactie van de man van 1 september 2016, die er – naar het hof begrijpt – op neerkomt dat de man niet bereid is een bijdrage aan de vrouw te voldoen. Op 17 februari 2017 heeft de vrouw haar inleidend verzoek ingediend. Tussen het sturen van voornoemde brief door de advocaat van de vrouw en de indiening van het verzoek ligt relatief veel tijd, terwijl niet is gebleken van enig overleg tussen partijen in die periode. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de man in redelijkheid eerst vanaf 17 februari 2017 rekening heeft kunnen en moeten houden met de vaststelling van een onderhoudsbijdrage. Het hof zal de ingangsdatum dan ook op 17 februari 2017 bepalen.

5.3

Vervolgens zal het hof de draagkracht van de man bepalen.

De man, geboren [in] 1961, is sinds 2011 fulltime werkzaam in loondienst bij [bedrijf x] . Gezien de jaaropgaven van 2016 en 2018 had hij in die jaren een fiscaal loon van respectievelijk € 36.569,- en € 36.733,-. Nu de jaaropgave 2017 ontbreekt, zal het hof voornoemde bedragen bij het bepalen van zijn draagkracht middelen en uitgaan van een fiscaal loon in 2017 van € 36.651,-.

Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man van in 2017 van € 2.256,- per maand.

5.4

De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.575,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 905,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Dit leidt tot een beschikbare draagkracht van € 472,- per maand (€ 236,- per kind per maand).

5.5

De man stelt dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing op huwelijkse schulden, waarvoor hij verwijst naar een creditcardschuld en een doorlopend krediet bij de ING Bank. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat de creditcardschuld medio 2018 is afgelost en dat het doorlopend krediet naar verwachting medio 2019 zal zijn afgelost.

Naar de vrouw betoogt, hadden deze schulden al eerder afgelost kunnen zijn; zij heeft na de echtscheiding bedragen aan de man betaald waarmee hij zijn deel van het doorlopend krediet had kunnen aflossen.

5.6

Volgens het bepaalde in paragraaf 7.2 van het rapport alimentatienormen kan met extra lasten zoals de rente en aflossing op schulden rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen daarmee te verhogen en aldus af te wijken van het onder 5.4 weergegeven formule. Voorwaarde is dat de schulden niet als verwijtbaar en vermijdbaar zijn te beschouwen. Van vermijdbaarheid is naar het oordeel van het hof sprake indien de man over voldoende eigen middelen beschikt om zijn schulden daarmee af te lossen of anderszins in staat is zich, al dan niet tijdelijk, van die schuldenlast te bevrijden.

Gelet op de door de man niet weersproken stelling van de vrouw dat zij aan hem na de echtscheiding betalingen heeft gedaan zodat hij daarmee schulden had kunnen aflossen, gaat het hof ervan uit dat beide schulden vermijdbaar zijn in die zin dat de man zich eerder van deze schulden had kunnen bevrijden, nog daargelaten dat niet is gebleken ten behoeve van welke kosten de man de credit card en het doorlopend krediet heeft aangesproken en waarom de man deze kosten niet heeft kunnen bestrijden uit zijn inkomen.

5.7

Voor zover de man bedoeld heeft een beroep te doen op de aanvaardbaarheidstoets, slaagt dat beroep niet. Wil een dergelijk beroep slagen, dan dient de onderhoudsplichtige volledig en duidelijk - door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken - inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie, zijn bestedingen en de gestelde schuldenlast en in hoeverre deze schuldenlast in verhouding tot zijn inkomen en de vast te stellen bijdrage tot een onaanvaardbaar resultaat zal leiden. De man heeft dat inzicht onvoldoende verschaft, zodat het hof geen rekening zal houden met de rente en aflossing op de gestelde schulden van de man.

5.8

Vervolgens zal het hof de draagkracht van de vrouw bepalen. De vrouw, geboren [in] 1970, is sinds 1995 parttime werkzaam in loondienst bij [bedrijf y] . Haar fiscaal loon bedroeg van 2016 tot en met 2018 respectievelijk € 26.910,-, € 26.616,- en € 30.964,- zoals blijkt uit de aangiften IB van 2016 en 2017 en de cumulatieven op de loonstrook van december 2018. Bij het berekenen van het NBI ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Dit leidt tot een NBI van de vrouw in 2017 van € 1.814,- per maand.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw toegelicht dat zij sinds 1 april 2018 10% meer is gaan werken waardoor haar loon met 10% is gestegen. Uit de door haar overgelegde salarisafrekeningen van 2018 maakt het hof op dat zij dat jaar (in mei) een vakantie-uitkering heeft ontvangen van € 1.660,-, een eindejaarsuitkering (in december) van € 1.920,- en dat het loon tot en met maart 2018 (toen haar aanstelling nog 0,6 bedroeg) € 6.045,- bedroeg. Op grond van die bedragen stelt het hof vast dat het loon van de vrouw over april tot en met december 2018 (op grond van een aanstelling van 0,7) inclusief vaste toeslag voor ploegendienst € 21.339,- bedroeg. Wanneer dat loon wordt geëxtrapoleerd naar een volledig jaar, komt het hof uit op een bedrag van € 28.452,-. Als daarbij rekening wordt gehouden met een vakantie-uitkering van 8% en een eindejaarsuitkering op basis van 0,7 worden opgeteld, blijkt een loon van circa € 32.707,-. Bij een dergelijk bruto loon bedraagt het NBI van de vrouw, rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting € 2.095,- per maand.

5.9

De man betoogt dat de vrouw met ingang van 18 april 2018 recht heeft op een kindgebonden budget voor [kind A] , omdat zijn hoofdverblijfplaats per die datum bij haar is bepaald. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij geen kindgebonden budget heeft kunnen aanvragen, omdat de man nog steeds de aanvrager van de kinderbijslag is. Het kindgebonden budget wordt slechts verstrekt aan de aanvrager van de kinderbijslag. Nu de man de stellingen van de vrouw niet heeft weersproken zal het hof dit dus niet bij haar draagkracht betrekken.

5.10

Op grond van de onder 5.4 vermelde formule bedraagt de draagkracht van de vrouw over de periode van 17 februari 2017 tot 1 april 2018 € 255,- per maand (€ 128,- per kind per maand) en met ingang van 1 april 2018 € 382,- per maand (€ 191,- per kind per maand).

5.11

De behoefte van de kinderen bedraagt € 914,- per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen (van € 727,- per maand vanaf 17 februari 2017 en van € 854,- per maand vanaf 1 april 2018) is onvoldoende om in de volledige behoefte van de kinderen te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven. De man dient in beginsel zijn volledige draagkracht aan te wenden voor de onderhoudsbijdrage.

5.12

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Partijen zijn het erover eens dat de zorgkorting van de man voor [kind A] 15% bedraagt, ofwel € 69,- per maand. Voorts heeft de vrouw er ter zitting in hoger beroep mee ingestemd dat de zorgkorting voor [kind B] 25% bedroeg, ofwel € 114,- per maand.

5.13

Nu de onderhoudsplichtigen gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort gelijkelijk verdeeld tussen de onderhoudsplichtigen en wordt het aan de man toerekenbare deel van dat tekort in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen.

De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw van (€ 236,- + € 128,- =) € 364,- per kind per maand per 17 februari 2017 is € 93,- minder dan de behoefte van € 457,- per kind per maand. De bijdrage van de man voor [kind B] bedraagt dan € 236 - (€ 114 - € 47), ofwel € 169,- per maand. De bijdrage voor [kind A] bedraagt dan € 236 - (€ 69 - € 47), ofwel € 214,- per maand.

5.14

Op grond van artikel 1:395b BW wordt de hiervoor ten behoeve van [kind B] vastgestelde onderhoudsbijdrage van € 169,- per maand per [datum] 2017, op welke datum zij meerderjarig is geworden, omgezet in een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie, welke bijdrage de man vanaf dat moment geacht wordt rechtstreeks aan [kind B] te voldoen. Hoewel partijen geen standpunt hebben ingenomen over de behoefte van [kind B] vanaf haar meerderjarigheid alsmede het aandeel van de man (en de vrouw) daarin, gaat het hof er in redelijkheid vanuit dat [kind B] , die gestopt is met school en verschillende inkomsten uit oppasbaantjes heeft, nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ten laste van de man ( en de vrouw). Onder voornoemde omstandigheden gaat het hof ervan uit dat het aandeel van de man in de kosten voor [kind B] na 30 augustus 2017 gelijk is gebleven en dat een bijdrage voor [kind A] van € 214,- per maand derhalve nog in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

5.15

Met ingang van 1 april 2018 is de draagkracht van de vrouw gestegen als gevolg van haar gestegen inkomsten. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bedraagt vanaf die datum (€ 472,- + € 382,- =) € 854- per maand, ofwel € 427,- per kind per maand, derhalve € 37,- per maand lager dan de (voor 2018 geïndexeerde) behoefte van [kind A] van € 464,- per maand. De bijdrage van de man voor [kind A] bedraagt € 236 - (€ 70 - € 18), ofwel € 184,- per maand.

5.16

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de door de man te betalen bijdrage voor [kind B] met ingang van 17 februari 2017 bepalen op € 169,- per maand, tot [datum] 2017, en de bijdrage voor [kind A] met ingang van 17 februari 2017 op € 214,- per maand en met ingang van 1 april 2018 op € 184,- per maand.

5.17

Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalings-verplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat de vrouw beslag heeft laten leggen op zijn bankrekening en dat uit dien hoofde maandelijks € 246,- wordt ingehouden. De vrouw heeft op haar beurt verklaard dat zij de inning onmiddellijk heeft stopgezet zodra de man hoger beroep heeft ingesteld en dat zij dus niets heeft ontvangen van de man. Gelet op deze verklaring van de vrouw gaat het hof ervan uit dat zij door de uit deze beschikking voortvloeiende op een lager bedrag vastgestelde door de man te betalen bijdrage niet wordt geraakt, omdat zij geen eerdere betalingen heeft ontvangen en er dus geen sprake kan zijn van een eventuele terugbetaling.

5.18

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind B] met ingang van 17 februari 2017 tot [datum] 2017 op € 169,- (EENHONDERD NEGENENZESTIG EURO) per maand;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] met ingang van 17 februari 2017 op € 214,- (TWEEHONDERD VEERTIEN EURO) per maand en met ingang van 1 april 2018 op € 184,- (EENHONDERD VIERENTACHTIG EURO) per maand, toekomstige betalingen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.N. van de Beek en mr. A.R. van Wieren, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 23 juli 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.