Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:268

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
23-002987-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte niet ontvankelijk ex art 416,2 Sv, geen grieven. Handhaving in hoger beroep van de vordering benadeelde partij is (in dit geval) onvoldoende reden voor inhoudelijke behandeling van de strafzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002987-18

datum uitspraak: 22 januari 2019

VERSTEK (niet-gemachtigde raadsman verschenen)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-741279-17 en 13-746014-18 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van het standpunt van de gemachtigde van de benadeelde partij.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Op 21 augustus 2018 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 augustus 2018 van de rechtbank te Amsterdam. Dit hoger beroep is bij akte van 12 september 2018 ingetrokken.

De verdachte heeft beroep ingesteld op 22 augustus 2018. Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven.

De advocaat-generaal heeft daarom gevorderd de verdachte niet ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep. Hij heeft daarbij ook acht geslagen op het belang dat de benadeelde partij heeft bij een inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte in hoger beroep en daarbij betrokken dat hij bij inhoudelijke behandeling op dezelfde gronden als de rechtbank (schade geen rechtstreeks gevolg van bewezenverklaarde doorrijden na ongeval) tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering zou concluderen.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding dient te worden toegewezen en dat daarin een belang ligt dat noopt tot inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de verdachte in hoger beroep.

Naar het oordeel van het hof is, mede gelet op het standpunt van de advocaat-generaal, de in hoger beroep gehandhaafde vordering van de benadeelde partij onvoldoende reden om de zaak inhoudelijk te behandelen. Nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, wordt de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. R. Kuiper en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2019.

Mr. Baauw-de Bruijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.