Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:266

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
23-000849-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak medeplegen invoer cocaïne; bevestiging met dien verstande aanvulling en aanpassing overweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000849-18

datum uitspraak: 5 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-870361-14 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De rechtbank heeft de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfenveertig maanden.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof het door de rechtbank ten aanzien van de vrijspraak overwogene enigszins zal aanvullen en aanpassen. Voorts zal het hof geen beslissing meer nemen over de onder de verdachte in beslaggenomen voorwerpen, aangezien deze reeds aan hem zijn geretourneerd.

De tweede alinea na ‘4. Vrijspraak’ op bladzijde 2 van het vonnis waarvan beroep komt te luiden:

Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat op 30 mei 2015 in een kleedruimte van medewerkers van de KLM op Schiphol een rugzak, toebehorende aan de verdachte, met daarin zes pakketten met in totaal ongeveer zes kilogram cocaïne is aangetroffen. Het dossier bevat echter geen bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat deze pakketten met cocaïne (mede) door de verdachte in Nederland zijn ingevoerd. Dat de op 28 mei 2015 door de verdachte op zijn telefoon ontvangen tekstberichten “Ai Sitie” en “4 plus 2” betrekking hebben op de invoer van de betreffende zes kilogram cocaïne op of omstreeks 30 mei 2015, is ook na intensief recherche onderzoek niet meer dan een aanname gebleven. Het primair ten laste gelegde medeplegen van invoer van cocaïne in Nederland kan reeds daarom niet worden bewezen.

Op bladzijde 3 van het vonnis waarvan beroep wordt in de derde alinea de tekst

“De verklaring van de verdachte kan niet op voorhand als onaannemelijk worden aangemerkt op grond van de feiten en omstandigheden die blijken uit het dossier. Zo kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de cocaïne in de rugtas heeft gedaan of de rugtas zelf in de lockerruimte heeft gebracht”.

vervangen door:

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de cocaïne in de rugtas heeft gedaan of die rugtas, met daarin de cocaïne, in de lockerruimte heeft gebracht.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. F.A. Hartsuiker en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 februari 2019.

Mr. Baauw-de Bruijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.