Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2638

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
200.255.235/01 en 200.256.936/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof acht de onbetwist biologische vader die niet-juridisch ouder is nu hij de kinderen niet heeft erkend, op grond van zijn family life niet-ontvankelijk inzake de ondertoezichtstelling maar ontvankelijk inzake de machtiging uithuisplaatsing omdat de uithuisplaatsing een rechtstreekse, ingrijpende inbreuk maakt op het gezinsleven van de vader en de kinderen, gelet op de substantiële feitelijke zorgtaken die de vader voor de uithuisplaatsing uitvoerde. Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling maar wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing per datum beschikking af omdat thans de nadelen daarvan voor de kinderen zwaarder wegen dan de voordelen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 361 en 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0201 met annotatie van B. Laterveer
RFR 2020/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.255.235/01 en 200.256.936/01

zaaknummer rechtbank: C/13/660337 / JE RK 19-39

beschikking van de meervoudige kamer van 2 juli 2019 inzake

1 [de moeder] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.255.235/01,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,

2 [de vader] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verzoeker in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.256.936/01,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. O.O. van der Lee te Amsterdam,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

verweerder in beide zaken in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn in beide zaken verder aangemerkt:

- de minderjarige [A] (hierna te noemen: [kind A] );

- de minderjarige [B] (hierna te noemen: [kind B] );

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de GI);

Als informant is in beide zaken opgeroepen:

- het pleeggezin van [kind A] en [kind B] .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg in beide zaken naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 22 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 26 februari 2019 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking.

2.2

De vader is op 26 maart 2019 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking.

2.3

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting in bijzijn van de griffier met [kind A] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven. Partijen hebben gelegenheid gehad daar op te reageren.

2.4

De mondelinge behandeling heeft in beide zaken op 22 mei 2019 gevoegd plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers, in aanwezigheid van een stagiaire;

- de GI, vertegenwoordigd door een waarnemend collega van de gezinsmanager.

2.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep een update van de gezinsmanager voorgelezen, deze heeft hij nadien per mail aan het hof en partijen doen toekomen.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) zijn geboren:

- [kind A] , [in] 2006, en

- [kind B] , [in] 2013 (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).

De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen. De vader heeft de kinderen niet erkend.

3.2

Sinds augustus 2018 hebben de kinderen op vrijwillige basis bij de zus van de moeder (hierna: tante [X] ) verbleven.

3.3

De kinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter van 11 januari 2019 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI.

3.4

De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende spoedmachtiging bij beschikking van de kinderrechter van 11 januari 2019 tevens gedurende dag en nacht uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie weken. Voor het overige is de beslissing aangehouden.

3.5

De kinderen verblijven sinds 14 januari 2019 gezamenlijk in een pleeggezin waar zij voor langere tijd kunnen verblijven.

3.6

De raad heeft op 18 januari 2019 een rapport uitgebracht.

3.7

Sinds begin mei 2019 zien de kinderen de moeder iedere week vier uur onbegeleid, de vader zien zij één keer per twee weken begeleid.

4. De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 11 januari 2019 gehandhaafd, zijn de kinderen onder toezicht gesteld tot 22 januari 2020 en is een machtiging uithuisplaatsing van de kinderen verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 22 juli 2019. Deze beschikking is gegeven op het daartoe strekkende verzoek van de raad.

4.2

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de raad (alsnog) af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de raad (alsnog) af te wijzen, althans in duur te beperken.

4.4

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid van de vader

5.1

Als eerste merkt het hof ambtshalve op dat de vader bij de kinderrechter als belanghebbende in de procedure is verschenen terwijl hij de kinderen niet heeft erkend, zodat hij in de zin van de wet, op grond van artikel 1:199 van het Burgerlijk Wetboek (BW), geen juridisch vader is. Ingevolge het bepaalde in artikel 361 lid 1 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het hof gehouden de vader op te roepen in de onderhavige procedure. De vraag echter, of de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt, is een vraag waarover het hof zelfstandig (en overigens ook ambtshalve) een oordeel moet vellen. Dat de vader door de kinderrechter is aangemerkt als belanghebbende betekent niet vanzelfsprekend dat het hof de vader reeds hierom ook als belanghebbende aanmerkt. Het hof moet beoordelen of de vader als belanghebbende kan worden aangemerkt inzake de ondertoezichtstelling en/of de (spoed)machtiging uithuisplaatsing van de kinderen.

5.2

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader bij monde van zijn advocaat beargumenteerd dat hij op grond van zijn family life ingevolge artikel 8 EVRM en met een verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:2320), dient te worden aangemerkt als belanghebbende in de onderhavige zaak. Hij heeft van 2002 tot 2010 met de moeder en de kinderen in gezinsverband samengeleefd. Sinds het uiteengaan van de ouders heeft de vader de kinderen ieder weekend bij hem thuis ontvangen van vrijdag tot en met zondag. Ook gedurende de plaatsing van de kinderen bij de zus van de moeder, tante [X] , is de omgang ieder weekend bij de vader gecontinueerd.

Voorts heeft de vader ter zitting in hoger beroep verteld dat hij de kinderen niet meer kan erkennen, omdat hij dat reeds voor de geboorte van de kinderen had moeten doen. Nu hij dat niet heeft gedaan, vraagt de gemeente van hem een document betreffende zijn vader. Nu zijn vader reeds geruime tijd is overleden, en hij dit document dus niet aan de gemeente kan verstrekken, is hij niet meer in staat de kinderen te erkennen, aldus de vader.

5.3

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat de vader de biologische vader is van beide kinderen en dat zij met de vader en de kinderen in gezinsverband heeft samengeleefd tot 2010. Daarna heeft de vader de kinderen ieder weekend van vrijdag tot en met zondag bij hem thuis ontvangen in het kader van omgang, aldus de moeder.

5.4

Het hof overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of de vader belanghebbende is, onderscheid gemaakt dient te worden tussen de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing.

De vader is, onbetwist, de biologische vader van de kinderen. De vader heeft de kinderen niet erkend, naar eigen zeggen vanwege formele belemmeringen. Na het verbreken van de samenwoning met de moeder heeft hij al enkele jaren in het weekend de feitelijke zorg voor de kinderen, namelijk van vrijdag tot en met zondag. Door de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin zijn de zorgtaken van de vader ingeperkt tot 3 á 4 uur per weekend.

Als het gaat om de maatregel van de ondertoezichtstelling, kan niet worden gezegd dat de vader rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen. Immers, zelfs als hij de kinderen had erkend, kan hij op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. De rechten en verplichtingen van een ouder zonder gezag worden namelijk door de rechterlijke beslissing houdende ondertoezichtstelling niet rechtstreeks geraakt, nu die ouder vóór de ondertoezichtstelling niet het ouderlijk gezag uitoefende, en de ondertoezichtstelling niet in de weg staat aan effectuering van diens recht op gezinsleven met het kind (artikel 8 EVRM), bijvoorbeeld door omgang van die ouder met het kind. De Hoge Raad heeft dit bij uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488) nogmaals bevestigd in rechtsoverweging 3.6.5.

Naar het oordeel van het hof ligt dit anders als het gaat om de positie van de vader in de procedure met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing. In bovengenoemde uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2018 wordt duidelijk gemaakt dat alleen pleegouders op grond van artikel 798, tweede lid, Rv, als belanghebbenden worden aangemerkt. Ten aanzien van anderen dient op grond van het eerste lid beoordeeld te worden of het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt. Tot deze rechten of verplichtingen behoren de rechten die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het EVRM en het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, voor zover daarop door een burger in rechte rechtstreeks een beroep kan worden gedaan.

Een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM, kan er tevens aanspraak op maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure waardoor de in artikel 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop een belanghebbende wordt betrokken, afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen. De rechter dient de vraag of een betrokkene belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 eerste volzin, Rv, derhalve te beantwoorden met inachtneming van deze uit artikel 8 EVRM voortvloeiende eisen.

De vader heeft naar voren gebracht dat zijn feitelijke zorgtaken door de machtiging uithuisplaatsing zijn ingeperkt. Het hof volgt hem daarin. Uit de onderbouwing door de raad van het verzoek tot uithuisplaatsing blijkt dat de situatie bij beide ouders als onvoldoende veilig wordt ingeschat en hulpverlening onvoldoende zicht heeft op het vermogen en de leerbaarheid van beide ouders om een veilige opvoedsituatie te bieden. De kinderen hebben na de uithuisplaatsing hun vader beperkt gezien en zoals [kind A] heeft aangegeven, steeds met iemand erbij. Uit nadere informatie van de raad blijkt dat het contact plaatsvindt eenmaal per twee weken onder begeleiding. Het hof merkt deze situatie aan als een rechtstreekse, ingrijpende inbreuk op het gezinsleven tussen de vader en de kinderen, gelet op de substantiële feitelijke zorgtaken die de vader voorheen uitvoerde.

Het hof is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat de vader kan worden aangemerkt als belanghebbende in de kwestie van de uithuisplaatsing, nu deze de effectuering van zijn recht op gezinsleven met de kinderen op grond van artikel 8 EVRM raakt.

De (spoed)machtiging uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling

5.5

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de gronden voor de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 11 januari 2019 tot 22 januari 2019 aanwezig waren. Voorts ligt ter beoordeling aan het hof voor of de gronden voor de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking, op 22 januari 2019, aanwezig waren en of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn.

5.6

Hoewel de duur van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 11 januari 2019 tot 22 januari 2019 liep, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van deze uithuisplaatsing over te laten toetsen. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

De ondertoezichtstelling

5.7

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.8

De moeder meent dat er geen gronden zijn voor een ondertoezichtstelling. Zij is betrokken bij de kinderen, handelt in hun belang en aanvaardt noodzakelijke hulp in het vrijwillige kader. Zo hebben de ouders gezamenlijk in augustus 2018 een SOS veiligheidsplan opgesteld en zijn de zussen van de moeder ( tante [X] en tante [Y] ) betrokken bij de opvoeding van de kinderen.

De moeder betwist dat zij alcohol of drugs gebruikt. Zij gebruikte korte tijd zeer zware medicijnen voor haar PTSS. Inmiddels is zij daarmee gestopt omdat deze medicijnen te zwaar voor haar waren. Eind 2018 is door de hulpverlening in vrijwillig kader met de moeder besproken dat zou worden toegewerkt naar thuisplaatsing van de kinderen met behulp van ambulante hulp van Cordaan. De moeder heeft daarna meermaals contact gezocht met de gezinsmanager om te vragen wanneer de betrokkenheid van Cordaan zou starten. Vanwege verschillende factoren heeft de moeder de kinderen in de kerstvakantie terug in huis genomen zonder daarover in overleg te treden met de gezinsmanager. Het lukte de moeder namelijk niet om contact met de gezinsmanager te krijgen. Daarbij kwam dat de pleegmoeder tante [X] het heel druk had en de kinderen graag terug wilden naar huis. De moeder heeft voor haar optreden meermaals spijt betuigd bij de GI.

5.9

De raad persisteert bij zijn verzoeken ter zitting in hoger beroep. Het veiligheidsplan is in augustus 2018 na de vrijwillige uithuisplaatsing opgezet om veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit te creëren voor de kinderen. Doordat de kinderen zonder overleg vanuit het netwerkpleeggezin terug naar de moeder zijn gegaan, is een situatie ontstaan waarin niet werd voldaan aan genoemde veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit. De moeder hield de situatie sinds de kerstvakantie verborgen voor de GI, waardoor de GI geen zicht kon houden op de veiligheid.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep een update van de gezinsmanager voorgelezen en naderhand per mail aan het hof en partijen doen toekomen. Hieruit blijkt dat de kinderen beiden problemen vertonen op school. Er loopt dan ook een onderzoek bij De Bascule om te bekijken of de kinderen een gedragsstoornis hebben. In het pleeggezin doen de kinderen het inmiddels wel goed.

Spirit zal door middel van een beoordelingsboog in kaart brengen hoe de ouders voldoende veiligheid kunnen bieden aan de kinderen. Het OMPG-team (Overlast gevende Multiprobleemgezinnen) is betrokken en zij hebben geadviseerd om door middel van een persoonlijkheidsonderzoek inzicht te verkrijgen in de problematiek van de ouders, zodat zij de juiste hulpverlening kunnen ontvangen.

De moeder wordt tijdens de omgang begeleid door haar zussen. Ook werkt zij goed mee met de hulpverlening.

De GI heeft zorgen ten aanzien van het drugsgebruik van de vader en zijn beschikbaarheid daaromtrent naar de kinderen toe. Hij wil niet meewerken aan het persoonlijkheidsonderzoek. Daarbij vormt de vader nog steeds een risico doordat de moeder niet bestand is tegen hem, aldus de GI.

5.10

Het hof is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking en ook thans nog steeds aanwezig zijn. De kinderen zijn lange tijd geconfronteerd met ruzies en huiselijk geweld tussen de ouders. De draagkracht van de moeder was zodanig verminderd dat zij de hulp van haar zussen heeft ingeroepen om de zorg voor de kinderen tijdelijk over te nemen. Hoewel door de moeder eerst in het vrijwillig kader de zorgen over de kinderen en de huiselijke situatie zijn opgepakt en een veiligheidsplan is opgesteld, heeft dit nog onvoldoende effect gehad. Een belangrijk doel was dat de ruzies tussen de ouders over de omgang zouden stoppen en dat er meer zicht zou komen op de thuissituatie bij de ouders. Bij de vader waren zorgen over drugsgebruik als de kinderen bij hem waren. Gebleken is dat ouders zich niet hebben gehouden aan het veiligheidsplan en de moeder heeft onjuiste informatie gegeven over het verblijf van de kinderen. Daarom is een gedwongen kader nodig om voor de kinderen op structurele basis veiligheid in de thuissituatie bij de moeder en de vader te creëren. Daarvoor is ook duidelijkheid over de omgang met hun vader nodig en de wijze waarop de kinderen in het weekend worden verzorgd en opgevoed. Tevens dient de GI controle op het naleven van afspraken te verzekeren. Indien uit het onderzoek van de kinderen bij De Bascule behandeladviezen voortkomen, dienen deze voortvarend opgevolgd te worden. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de ondertoezichtstelling dan ook bekrachtigen.

De machtiging uithuisplaatsing

5.11

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.12

[kind A] heeft in gesprek met de voorzitter verteld – kort samengevat – dat het hem sinds de uithuisplaatsing niet meer lukt om goede cijfers te halen op school. Hij doet zijn best met leren maar het is heel druk bij het pleeggezin waardoor hij zich moeilijk kan concentreren. Hij wil graag snel duidelijkheid over zijn perspectief en aan het einde van het schooljaar terug naar de moeder. Als dat niet kan, wil hij naar de vader, aldus [kind A] .

5.13

De moeder voert aan dat er geen gronden zijn voor de uithuisplaatsing van de kinderen, omdat zij bij de moeder of in het netwerk kunnen verblijven. Zij voert aan dat de GI de netwerkplaatsing niet meer heeft onderzocht. Bovendien gaat het sinds de uithuisplaatsing steeds slechter met de kinderen. [kind A] haalt slechte cijfers en is druk op school. Ook [kind B] is druk op zijn nieuwe school en is veel afgevallen.

Gedurende de vrijwillige uithuisplaatsing verbleven de kinderen bovendien nog steeds ieder weekend bij de vader. De GI was hiervan op de hoogte, aldus de moeder, en kon ten tijde van de spoedmachtiging uithuisplaatsing dan ook weten bij wie de kinderen op dat moment in [woonplaats 2] verbleven.

Sinds de uithuisplaatsing eisen de GI en de raad van de moeder dat zij naar een psycholoog gaat en een persoonlijkheidsonderzoek laat afnemen. Daar de aanmelding via de GI zeer langzaam verloopt en de gezinsmanager onbereikbaar is, heeft de moeder zich inmiddels zelf aangemeld bij een psycholoog, alsmede voor een persoonlijkheidsonderzoek. Voorts heeft de GI nooit bij de moeder of haar huisarts geïnformeerd hoe het met haar gaat.

5.14

De vader voert aan dat sinds het opstellen van het veiligheidsplan er geen sprake meer is van ruzie tussen de ouders. Daarbij ontvangt de moeder vrijwillige hulpverlening, is er sprake van een betrokken netwerk en zijn de ouders liefdevol en betrokken op de kinderen. Dat de kinderen bij de vader waren ten tijde van de spoedmachtiging uithuisplaatsing was in lijn met de gemaakte veiligheidsafspraken in het veiligheidsplan van SOS. Bovendien was de GI ervan op de hoogte dat de omgangsregeling in de weekenden bij de vader plaatsvond. Ten tijde van de spoedmachtiging uithuisplaatsing kon de GI dus weten waar de kinderen verbleven.

Ook de vader wijst erop dat het sinds de uithuisplaatsing slechter gaat met de kinderen. De kinderen missen de ouders en willen terug naar huis. Bovendien zouden de kinderen bij de zus van de moeder kunnen wonen of bij de moeder van de vader.

De vader betwist dat de moeder aan het afglijden zou zijn in drugsgebruik. Dit betrof bijwerkingen van de medicatie van de moeder en vond plaats in het najaar 2018. Het drugsgebruik van de vader is niet verontrustend. Hij blowt af en toe. Hij heeft dan ook aangeboden zijn sporadische gebruik aan te tonen door middel van bloedtesten. Hier heeft de GI echter niet op gereageerd. Doordat de gezinsmanager onbereikbaar is, is onduidelijk wat van hem wordt verwacht, aldus de vader. Ter zitting heeft de vader aangegeven dat hij bereid is om te stoppen met blowen.

5.15

De raad meent dat de ouders tot op heden, ondanks hun goede intenties, onvoldoende hebben bereikt om een terugplaatsing mogelijk te maken. Voor wat betreft een netwerkplaatsing, dient eerst uitgezocht te worden hoe het mogelijk was dat de kinderen aan het zicht van de hulpverlening werden onttrokken.

5.16

Ten aanzien van de (spoed)uithuisplaatsing overweegt het hof als volgt. Zoals de moeder ook heeft erkend, heeft zij onwaarheden gesproken met betrekking tot de verblijfplaats van de kinderen. Zij heeft zich niet gehouden aan het veiligheidsplan en op het moment waarop zij duidelijkheid had dienen te verschaffen heeft zij gelogen. Hierdoor heeft de kinderrechter terecht een spoedmachtiging uithuisplaatsing toegewezen en de machtiging vervolgens voor een langere duur toegewezen. Naast de in het veiligheidsplan genoemde zorgen hebben de ouders zich immers onbetrouwbaar getoond in de naleving hiervan. De zus van de moeder heeft ouders evenmin kunnen weerhouden van het afwijken van de afspraken over de duur van de omgang tussen de vader en de kinderen. Ook is niet aangetoond dat de moeder al voldoende weerbaar was geworden om vanuit haar thuissituatie het contact met de vader aan te kunnen gaan over de omgang.

De vraag is echter of de periode van de machtiging uithuisplaatsing voor de volle toegewezen 6 maanden dient te worden bekrachtigd. Uit het gesprek met [kind A] , de informatie van de GI en hetgeen de ouders naar voren hebben gebracht, blijkt dat de uithuisplaatsing van de kinderen ook nadelige effecten heeft. Zij zijn erg gehecht aan hun ouders en missen hen erg. In het veiligheidsplan wordt deze betrokkenheid op elkaar ook als kracht benoemd. Op school vertonen de kinderen probleemgedrag. Zo is [kind B] , die in het kader van de uithuisplaatsing moest wisselen van school, opnieuw gewisseld van klas omdat de eerdere klas te druk was voor hem en hij zich niet kon concentreren. In zijn nieuwe klas doet [kind B] het beter en kan de juf hem begeleiden. [kind A] haalt sinds de uithuisplaatsing slechtere cijfers. Hij zegt dat dit komt omdat hij zich tijdens het leren niet goed kan concentreren.

Het hof constateert dat in de afweging van de voor- en nadelen van een langere uithuisplaatsing van de kinderen, de balans doorslaat naar een terugplaatsing van de kinderen. Bij de moeder thuis zou Cordaan ingezet worden. Verder is gebleken dat de ouders bereid zijn om hard te gaan werken aan de zorgpunten en dat zij hiervoor ook zelfstandig actie hebben ondernomen. Zo heeft de moeder zich zelfstandig aangemeld bij een psycholoog met wie zij wekelijks een afspraak heeft. Met deze psycholoog heeft de moeder zich eveneens aangemeld voor een persoonlijkheidsonderzoek. Ook de vader is inmiddels naar de huisarts geweest voor een doorverwijzing naar Jellinek. Hiermee tonen de ouders inzicht in hun gedrag en werken zij actief aan verbetering. Het hof gaat er vanuit dat de ouders op deze ingezette weg verder zullen gaan.

Het hof is dan ook van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van de kinderen thans niet meer aanwezig zijn. Het hof zal het verzoek van de raad de machtiging uithuisplaatsing te verlenen dan ook per datum beschikking afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

5.17

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

In beide zaken

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de (spoed) uithuisplaatsing;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep door de moeder voor wat betreft de ondertoezichtstelling;

verklaart de vader niet ontvankelijk in zijn beroep tegen de ondertoezichtstelling;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de uithuisplaatsing vanaf heden;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst af het verzoek van de raad tot verlening van de machtiging uithuisplaatsing met ingang van heden;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 2 juli 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.