Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2635

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
200.253.538/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:9105
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, verzoek tot horen minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.253.538/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/275410 / FA RK 18-3422

Beschikking van de meervoudige kamer van 2 juli 2019 inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.A. Stammes te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M.P. Gerrits te Wijchen.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna te noemen: de rechtbank) van 24 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 24 januari 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 24 oktober 2018.

2.2

De moeder heeft op 21 maart 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vader heeft op 1 mei 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overlegd.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) hebben een korte relatie gehad, waaruit [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ) is geboren [in] 2010. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder, haar partner en hun beider zoon, geboren [in] 2012.

3.2

Bij (tussen)beschikking van de rechtbank van 19 april 2011 is een tijdelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna te noemen: zorgregeling) vastgesteld, waarbij [de minderjarige] en de vader gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben iedere vrijdag van 08.30 uur tot 19.00 uur alsmede eenmaal in de drie weken ook op zaterdag tot 17.30 uur, waarbij [de minderjarige] van vrijdag op zaterdag bij de vader slaapt. De beslissing over de definitieve zorgregeling is aangehouden.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 26 juli 2011 is een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepaald van € 3.000,- over het jaar 2010, € 1.800,- over de periode januari tot en met juni 2011 en € 300,- per maand met ingang van 1 juli 2011.

3.4

Uit het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter in de rechtbank gehouden op 15 december 2011, blijkt dat de ouders in aanvulling op de tussenbeschikking van 19 april 2011, nadere afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling en dat zij zijn overeengekomen zich te zullen wenden tot een mediator om bindende afspraken te maken die ertoe zouden moeten leiden dat de ouders een voor [de minderjarige] passende zorgregeling, inclusief vakantieregeling, afspreken en die regeling vastleggen.

3.5

Bij (eind)beschikking van de rechtbank van 3 juli 2012 is een definitieve zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige] de ene week op vrijdag van 08.30 uur tot 19.30 uur bij de vader verblijft en de andere week van vrijdag 08.30 uur tot zaterdag 17.30 uur. Daarnaast is een vakantie- en feestdagenregeling bepaald.

3.6

Bij mondelinge uitspraak van 24 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank de door de vader gevraagde voorzieningen, inhoudende een wijziging van de zorgregeling, geweigerd.

3.7

Bij beschikking van de rechtbank van 13 februari 2013 is, met wijziging in zoverre van de beschikking van 26 juli 2011, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 maart 2012 op nihil gesteld.

3.8

Bij vonnis in kort geding van 11 juni 2013 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank de door de vader gevraagde voorzieningen, inhoudende een wijziging van de zorgregeling, geweigerd.

3.9

Bij (tussen)beschikking van de rechtbank van 19 februari 2014 is, met wijziging in zoverre van de beschikking van 3 juli 2012, gedurende een bemiddeling bij het Lorentzhuis en totdat nader zou worden beslist, een tijdelijke zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige] de ene week van vrijdagmiddag na school tot 19.30 uur en de andere week van vrijdagmiddag na school tot zaterdag 17.30 uur bij de vader verblijft. De beslissing over de definitieve zorgregeling is aangehouden.

3.10

Bij vonnis in kort geding van 28 december 2015 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank de door de vader gevraagde voorzieningen, inhoudende een wijziging van de zorgregeling, geweigerd.

3.11

Bij (eind)beschikking van de rechtbank van 20 april 2016 is met wijziging in zoverre van de beschikking van 19 februari 2014, een definitieve zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft. Daarnaast is een regeling voor de feestdagen en vakanties vastgesteld.

3.12

Bij beschikking van dit hof van 20 december 2016 is de door de rechtbank bij voornoemde beschikking van 20 april 2016 vastgestelde reguliere zorgregeling bekrachtigd en is, met vernietiging van de beschikking van de rechtbank in zoverre, voor wat betreft de vakanties en feestdagen bepaald dat [de minderjarige] tijdens de zomervakantie in oneven jaren de eerste drie aaneengesloten weken bij de vader verblijft en de volgende drie aaneengesloten weken bij de moeder, en in even jaren de eerste drie aaneengesloten weken bij de moeder verblijft en de volgende drie aaneengesloten weken bij de vader, dat [de minderjarige] de voorjaarsvakantie bij de moeder verblijft en de herfstvakantie bij de vader, dat [de minderjarige] tijdens de meivakantie in de oneven jaren de eerste week bij de vader verblijft en de tweede week bij de moeder en in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader, dat [de minderjarige] tijdens de kerstvakantie 2016-2017 gedurende de eerste week (waarin de kerstdagen vallen) bij de moeder verblijft en de tweede week (waarin de jaarwisseling valt) bij de vader, en verder in de oneven jaren de eerste week bij de vader verblijft en de tweede week bij de moeder, en in de even jaren de eerste week bij de moeder verblijft en de tweede week bij de vader. Feestdagen worden gevierd bij de ouder waar [de minderjarige] op dat moment in het kader van de verdeling van de zorg- en vakantieregeling verblijft.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader tot - kort gezegd - uitbreiding van de zorgregeling, zoals vastgesteld bij de beschikkingen van de rechtbank van 20 april 2016 en het hof van 20 december 2016, afgewezen. Tevens is afgewezen het verzoek van de vader om de ouders over en weer vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] vakantie te houden voor alle landen, voor zover het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken het niet afraadt om naar de door één van de ouders gekozen bestemming af te reizen.

De vader is voorts, op verzoek van de moeder, veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op de bestreden beschikking aan de zijde van de moeder begroot op € 1.086,- voor het salaris van de advocaat en € 291,- aan griffierecht.

4.2

In principaal hoger beroep verzoekt de vader, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en met wijziging van de beschikkingen van de rechtbank van 20 april 2016 en het hof van 20 december 2016 in zoverre, een zorgregeling vast te stellen, waarbij de vader [de minderjarige] de ene week op donderdagmiddag van school haalt en vrijdagochtend naar school brengt of, indien [de minderjarige] niet naar school gaat, naar de moeder brengt, en de andere week op donderdagmiddag uit school haalt en op maandagochtend naar school brengt, of indien [de minderjarige] niet naar school gaat, op dinsdag om 8.30 uur naar school, en, in aanvulling op de vigerende vakantieregeling te bepalen dat tijdens de vakanties [de minderjarige] op vrijdag van school wordt gehaald door de desbetreffende ouder en op maandag weer naar school gebracht en dat gedurende de even jaren met Pasen, inclusief Goede Vrijdag en Tweede Paasdag, bij de vader is en met Pinksteren, inclusief Tweede Pinksterdag, bij de moeder en gedurende de oneven jaren met Pinksteren, inclusief Tweede Pinksterdag bij de vader is en met Pasen, inclusief Goede Vrijdag en Tweede Paasdag, bij de moeder, eveneens met de wisselmomenten vanuit en naar school, althans een dusdanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door het hof in goede justitie te bepalen.

Voorts verzoekt de vader om de ouders over en weer vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] vakantie te houden voor alle landen, voor zover het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken het niet afraadt om naar de door één van de ouders gekozen bestemming af te reizen.

Tot slot verzoekt de vader, naar het hof begrijpt, het verzoek van de moeder om hem in de proceskosten in eerste aanleg te veroordelen, alsnog af te wijzen. Daarnaast verzoekt hij, uitsluitend voor zover de moeder in hoger beroep verzoekt de vader te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, de moeder te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

4.3

De moeder verzoekt het door de vader in principaal hoger beroep verzochte af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair de vader te veroordelen in de feitelijk door haar gemaakte proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, te weten een bedrag van € 10.756,54, subsidiair de vader te veroordelen tot een gematigde feitelijke proceskostenveroordeling van € 5.000,-, te vermeerderen met 21% btw en het griffierecht van beide instanties, en meer subsidiair de vader te veroordelen in de proceskosten van beide instanties conform het liquidatietarief.

4.4

De vader verzoekt het door de moeder in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof zal eerst beslissen op het bezwaar dat de moeder ter zitting in hoger beroep heeft gemaakt tegen het door de vader op 1 mei 2019 bij het hof ingediende verweerschrift in incidenteel hoger beroep, zoals onder 2.3 genoemd.

Het hof zal de inhoud van voornoemd verweerschrift buiten beschouwing laten voor zover hierin wordt gereageerd op het verweerschrift van de moeder in principaal hoger beroep. Een extra schriftelijke ronde is gelet op de zogenaamde “twee-conclusieregel” niet toegestaan. Weliswaar kan volgens vaste rechtspraak in een zaak als deze, die betrekking heeft op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, van de twee-conclusieregel worden afgeweken, maar dat kan niet een zodanige vorm aannemen dat dit in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde, zoals in dit geval, waarin het processtuk van de vader neerkomt op het nemen van een repliek in principaal appel. Dat andere in de rechtspraak erkende uitzonderingen op deze regel zich hier voordoen, is het hof niet gebleken. De vader heeft bij de mondelinge behandeling van het hof bovendien de gelegenheid gehad om mondeling zijn visie op het verweer van de moeder te geven.

Horen minderjarige

5.2

De vader heeft het hof, onder verwijzing naar artikel 809, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), artikel 12 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de daarmee corresponderende aanbevelingen van het VN-kinderrechtencomité (General Comments), verzocht [de minderjarige] te horen. Volgens de vader heeft [de minderjarige] de afgelopen jaren herhaaldelijk aangegeven dat hij de vader meer wil zien (en spreken). [de minderjarige] is nog nooit door een belangenbehartiger gehoord en heeft er recht op zijn mening kenbaar te maken. Het gaat goed met [de minderjarige] , hij is een slimme jongen en uit niets blijkt dat het horen van hem schadelijk zou zijn voor zijn ontwikkeling, aldus de vader.

De moeder stelt op haar beurt dat het horen van [de minderjarige] in strijd is met zijn zwaarwegende belangen. Hij is pas negen jaar oud. Het is schadelijk voor zijn ontwikkeling om hem te horen en hem daarmee onderdeel te maken van de procedure tussen de ouders. Daarnaast is het belang van [de minderjarige] reeds voldoende naar voren gekomen in de overgelegde stukken van het Lorentzhuis en het advies van de raad in eerste aanleg, waarbij is benadrukt dat [de minderjarige] gebaat is bij rust. Het verzoek van de vader [de minderjarige] te horen dient volgens de moeder dan ook afgewezen te worden.

5.3

Het hof overweegt als volgt.

In zaken betreffende minderjarigen, zoals deze zaak, kan de rechter op grond van artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt in de gelegenheid stellen zijn mening kenbaar te maken op een door de rechter te bepalen wijze. Gezien de tekst van de wet betreft dit geen verplichting, maar een bevoegdheid van de rechter. Het hof ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [de minderjarige] , die pas negen jaar oud is, zich al bijna zijn hele leven in een opvoedsituatie bevindt die gekenmerkt wordt door strijd tussen de ouders. Dat [de minderjarige] zelf de wens heeft gehoord te worden is gesteld noch gebleken. Het hof gaat ervan uit dat bij [de minderjarige] sprake is van een groot loyaliteitsconflict en dat het in zijn belang is dat er rust komt. Het Lorentzhuis heeft eind 2015 geconcludeerd dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat hij niet in conflicten tussen de ouders wordt betrokken door bijvoorbeeld met hem daarover te spreken en dat hij behoefte heeft aan rust. Gelet hierop acht het hof aannemelijk dat het horen door het hof, ook thans nog, belastend voor [de minderjarige] zal zijn en hem onrust zal opleveren. Dat het Lorentzhuis [de minderjarige] niet één-op-één heeft gesproken, maakt dit niet anders. Bovendien wil het hof van de vader aannemen dat [de minderjarige] tegen hem de wens heeft geuit hem meer te kunnen zien, hetgeen ook niet door de moeder is betwist. In dit licht bezien is de vader, die mede het gezag over [de minderjarige] uitoefent, ook in zijn rol als belangenbehartiger van [de minderjarige] gehoord (vgl. HR 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8191).

Uit artikel 12 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vloeit niet voort dat de rechter zonder meer gehouden is een minderjarige jonger dan twaalf jaar te horen, ook niet indien één van de andere betrokkenen in de zaak daarom verzoekt. Nu voor het overige niet van omstandigheden is gebleken op grond waarvan het horen van [de minderjarige] in persoon door het hof aangewezen zou zijn, is voldaan aan de eisen van artikel 12 IVRK. Tot slot overweegt het hof dat het beroep van de vader op de uitspraak van de Hoge Raad van 1 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1084) faalt, reeds omdat het in die zaak een minderjarige betrof die de leeftijd van twaalf jaar al had bereikt en artikel 809 Rv in dat geval de rechter voorschrijft dat hij in een zaak als de onderhavige de minderjarige in de gelegenheid stelt zijn mening te geven. Gelet op het voorgaande ziet het hof evenmin aanleiding om de raad op te dragen met [de minderjarige] in gesprek te gaan of om voor dat doel een bijzondere curator te benoemen, zoals de vader ter zitting in hoger beroep heeft bepleit.

in principaal hoger beroep

Zorgregeling

5.4

Ter beoordeling aan het hof ligt allereerst de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] voor. Het hof zal ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.

5.5

De vader meent dat de rechtbank zijn verzoek tot uitbreiding van de zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] ten onrechte heeft afgewezen. De vader betwist dat de door hem voorgestelde uitbreiding van de zorgregeling tot meer onrust zal leiden. Anders dan de moeder stelt, zal niet meer afstemming tussen de ouders over praktische zaken hoeven plaats te vinden. [de minderjarige] wordt steeds zelfstandiger, waardoor afstemming tussen de ouders minder nodig zal zijn. Bovendien verloopt de communicatie tussen de ouders over diverse kwesties goed. Uitbreiding van de zorgregeling is, gelet op de leeftijd van [de minderjarige] en zijn wens de vader meer te zien, in het belang van [de minderjarige] . Tevens acht de vader het in het belang van [de minderjarige] en van hemzelf dat hij [de minderjarige] naar school kan brengen in de ochtend. Uit de afsluitende brief van het Lorentzhuis van 2 december 2015 komt naar voren dat een weekendregeling waarbij [de minderjarige] tot maandag naar school bij de vader verbleef, goed bleek te werken. Dat [de minderjarige] ruim drie jaar na deze brief nog zou lijden onder de spanningen tussen de ouders, is niet door de rechtbank gemotiveerd. [de minderjarige] heeft geen last van de wisselingen van verblijfplaats. Bovendien bevat de door de vader voorgestelde zorgregeling enkel wisselingen op school in plaats van de - thans onprettig verlopende - wisselingen bij de moeder thuis.

5.6

De moeder betoogt dat de rechtbank het verzoek van de vader tot uitbreiding van de zorgregeling terecht heeft afgewezen. De moeder is met de raad, het Lorentzhuis en rechtbank van mening dat een uitbreiding van de zorgregeling tot meer onrust en conflicten tussen de ouders zal leiden, hetgeen niet in [de minderjarige] belang is. De door de vader voorgestelde zorgregeling zal leiden tot spanningsvolle situaties op het schoolplein en extra wisselingen voor [de minderjarige] , waar hij wel degelijk last van heeft. Daarnaast is bij de door de vader voorgestelde regeling meer afstemming tussen de ouders nodig over zaken zoals schoolspullen, activiteiten na schooltijd en huiswerk. Dit terwijl de communicatie tussen de ouders, anders dan de vader stelt, dramatisch verloopt. Het Lorentzhuis heeft uitdrukkelijk geconcludeerd dat de communicatie tussen de ouders zoveel mogelijk moet worden beperkt en dat zo min mogelijk contact tussen de ouders dient plaats te vinden. [de minderjarige] gedijt goed bij de huidige zorgregeling, maar heeft eronder te lijden dat de vader telkens in de gezinssituatie van [de minderjarige] en de moeder indringt en de confrontatie blijft zoeken. Zowel de raad als het Lorentzhuis zijn het erover eens dat [de minderjarige] lijdt onder de spanningen die telkens oplaaien als gevolg van de door de vader gestarte procedures. De vader weigert in te zien dat uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] heeft volgens de moeder rust en duidelijkheid nodig.

5.7

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen. Welke zorgregeling ook wordt vastgesteld, een onbelaste basis daarvoor ontbreekt. De raad kan zich voorstellen dat bij [de minderjarige] sprake is van een groot loyaliteitsconflict. Het is van belang dat het procederen tussen de ouders stopt en dat [de minderjarige] rust krijgt. Het is daarom niet in het belang van [de minderjarige] een raadsonderzoek te gelasten of om hem te horen, aldus de raad.

5.8

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord. Zij zijn al ruim acht jaar verwikkeld in een juridische strijd over onder meer de zorgregeling tussen de vader en de thans negenjarige [de minderjarige] . De onderhavige appelprocedure is de negende procedure die tussen de ouders over dit onderwerp wordt gevoerd. In het kader van de vele gerechtelijke procedures uit het verleden, hebben de nodige interventies plaatsgevonden. Zo hebben de ouders begin 2012 door middel van mediation getracht afspraken over de zorgregeling te maken en hebben zij in 2014 en 2015 deelgenomen aan het traject “Kinderen uit de Knel” bij het Lorentzhuis en aan een vervolgtraject waarbij zij met behulp van personen uit hun netwerken hebben getracht tot overeenstemming te komen. Dit alles heeft er niet toe geleid dat de ouders nader tot elkaar zijn gekomen of dat anderszins een bestendige zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] tot stand is gekomen. Zoals reeds in de beschikking van dit hof van 20 december 2016 is overwogen, heeft bemiddeling van het Lorentzhuis alle betrokkenen slechts doen inzien dat verbetering van de communicatie tussen de ouders niet haalbaar is en dat het beste is dat zij in de toekomst zo min mogelijk contact met elkaar hebben zodat de spanningen zo laag mogelijk blijven.

Het hof stelt vast dat ruim drie jaar na deze bemiddeling de situatie tussen de ouders nagenoeg onveranderd is. De communicatie tussen hen verloopt nog steeds zeer moeizaam, zo blijkt onder andere uit de overlegde e-mailcorrespondentie tussen de ouders over schoolactiviteiten en kinderfeestjes van [de minderjarige] en uit hetgeen de ouders hierover ter zitting hebben verklaard. Ook het overdrachtsmoment op de zondagavond verloopt, net zoals ten tijde van de beschikking van dit hof van 20 december 2016 het geval was, volgens beide ouders onprettig. Iedere communicatie tussen de ouders brengt spanningen bij hen teweeg. [de minderjarige] krijgt dergelijke spanningen mee. Dit blijkt uit de afsluitende brief van het Lorentzhuis, waarin naar voren komt dat zij [de minderjarige] hebben leren kennen als een gevoelige jongen die behoorlijk alert is als het gaat om spanningen bij zijn ouders. Daarnaast heeft de raad aangegeven zich te kunnen voorstellen dat bij [de minderjarige] sprake is van een groot loyaliteitsconflict. De raad heeft voorts meermalen benadrukt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de ouders stoppen met procederen en dat er rust komt. Dit is eind 2015 ook al door het Lorentzhuis benadrukt.

Teneinde de rust en de stabiliteit voor [de minderjarige] zoveel mogelijk te waarborgen acht het hof het niet in zijn belang de zorgregeling uit te breiden, zoals door de vader is verzocht. Bij het bepalen van een zorgregeling overeenkomstig de wensen van de vader zullen er meer wisselingen van de verblijfplaats van [de minderjarige] zijn, hetgeen op zichzelf al onrustig voor hem is. Ook zal, naar het hof aannemelijk acht, meer afstemming tussen de ouders moeten plaatsvinden over praktische zaken, hetgeen in de gegeven situatie zal leiden tot toenemende spanningen tussen partijen die een weerslag zullen hebben op [de minderjarige] .

Ten aanzien van een uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting van zondag op maandag na het omgangsweekend van [de minderjarige] bij de vader, zoals ter zitting in hoger beroep is besproken en welke regeling volgens het Lorentzhuis goed bleek te werken, overweegt het hof - evenals in zijn beschikking van 20 december 2016 - dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij na een omgangsweekend bij de vader op zondagavond nog even in zijn primaire opvoedsituatie bij de moeder kan verblijven en zijn halfbroertje kan zien voordat hij de volgende dag samen met zijn halfbroertje weer aan de schoolweek begint.

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de vader tot - kort gezegd - uitbreiding van de zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] is afgewezen.

Vervangende toestemming vakantie

5.9

Het hof zal het verzoek van de vader om de ouders over en weer vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] vakantie te houden voor alle landen, voor zover het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken het niet afraadt om naar de door één van de ouders gekozen bestemming af te reizen, afwijzen.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg te nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. De vader heeft zijn verzoek tot vervangende toestemming gedaan om, naar hij stelt, toekomstige conflicten tussen de ouders te voorkomen. Kennelijk gaat hij ervan uit dat de ouders niet in staat zullen zijn hierover constructief overleg te voeren en afspraken te maken over vakantiebestemmingen van [de minderjarige] , ofschoon naar zijn eigen zeggen de communicatie tussen partijen naar behoren verloopt. Toewijzing van het verzoek van de vader betekent dat het voeren van overleg en het maken van afspraken over de vakantiebestemmingen van [de minderjarige] en het informeren van elkaar daarover bij voorbaat uit de weg kan worden gegaan. Hoewel het Lorentzhuis eerder heeft geconcludeerd dat de communicatie tussen de ouders zoveel mogelijk moet worden beperkt, is het hof van oordeel dat die situatie onwenselijk is. Als er een voornemen is om [de minderjarige] mee te nemen naar het buitenland, behoren de ouders elkaar op de hoogte te stellen van de reisbestemming, de duur van de reis en het verblijf en van mogelijk andere relevante zaken, zoals bijvoorbeeld contactgegevens. Daarnaast zullen beide ouders moeten instemmen met een dergelijke reis en moeten zij, telkens op basis van de op dat moment relevante feiten en omstandigheden en belangen van [de minderjarige] , daarover kunnen beslissen. Het hof gaat ervan uit dat constructieve communicatie en afstemming door de ouders daarover in elk geval nog wel tot de mogelijkheden behoort ondanks de spanningen tussen hen.

in principaal en incidenteel hoger beroep

Proceskosten

5.10

Het hof zal de door partijen aangevoerde grieven in principaal en incidenteel hoger beroep betreffende de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, alsmede de verzoeken ten aanzien van de kosten van de procedure in hoger beroep, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk bespreken.

5.11

De vader betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte in de kosten van de procedure in eerste aanleg heeft veroordeeld. Hij voert hiertoe aan dat één van zijn verzoeken in eerste aanleg is toegewezen terwijl alle verzoeken van de vrouw zijn afgewezen en dat hij ook in diverse eerdere procedures, die niet allemaal door hem zijn gestart, in het gelijk is gesteld.

Voorts is de vader van mening dat de rechtbank zijn verhuizing naar [woonplaats] ten onrechte niet in haar oordeel betrokken heeft. Deze verhuizing houdt een wijziging van omstandigheden in die het verzoek van de vader tot uitbreiding van de zorgregeling, die bijna drie jaar geleden is vastgesteld, rechtvaardigt. Dit geldt te meer nu het verzoek van de vader in grote lijnen overeenkomt met de regeling die door het Lorentzhuis als een goede regeling werd beschouwd. De vader betwist dat van zijn zijde sprake is van onnodig en lichtvaardig procederen. De vader heeft altijd eerst contact en overleg met de moeder gezocht, maar de moeder beweegt pas mee als er een gerechtelijke uitspraak is gedaan. Hij stelt dat hij de procedure aanhangig heeft gemaakt omdat de moeder de invulling van de zorgregeling niet met hem wenst te bespreken. Om die reden verzoekt hij de moeder in de proceskosten in beide instanties te veroordelen, echter alleen in het geval de moeder dit in het hoger beroep eveneens ten aanzien van hem verzoekt.

5.12

De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader terecht in de proceskosten in eerste aanleg is veroordeeld, maar dat de veroordeling ten onrechte niet ziet op alle feitelijk door haar gemaakte proceskosten, maar slechts op de aan de hand van het liquidatietarief begrote kosten. Zij verzoekt de vader te veroordelen tot betaling van de feitelijk door haar gemaakte proceskosten in beide instanties. Zij voert hiertoe aan dat de vader oneigenlijk gebruik maakt van het recht op procederen. Hij is in de afgelopen jaren negen procedures gestart jegens de moeder, tegen de uitdrukkelijke adviezen van rechtbanken, de raad en het Lorentzhuis in. Deze verzoeken zijn telkens grotendeels of volledig afgewezen. De vader weigert zich neer te leggen bij de rechterlijke uitspraken en blijft onnodig procedures voeren, terwijl hij hiermee het tegendeel bereikt van wat hij wenst en [de minderjarige] welzijn willens en wetens schade toebrengt. De vader moet stoppen met het juridisch stalken van de moeder en het onnodig op kosten jagen van haar. Er moet een krachtig signaal aan de vader te worden afgegeven dat hij moet stoppen met het onnodig voeren van procedures met als enkel doel de moeder op kosten te jagen en kapot te procederen, aldus de moeder.

Het (voorwaardelijke) verzoek van de vader om de moeder in de proceskosten in beide instanties te veroordelen, dient volgens de moeder te worden afgewezen,

5.13

Het hof overweegt als volgt.

Nu de moeder heeft verzocht de vader in de proceskosten in beide instanties te veroordelen, gaat de voorwaarde waaronder de vader zijnerzijds in principaal hoger beroep heeft verzocht de moeder in de proceskosten in beide instanties te veroordelen, in vervulling. Het hof ziet echter gelet op de uitkomst van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep geen aanleiding om de moeder in de kosten van deze procedures te veroordelen. De verzoeken van de vader worden dan ook afgewezen.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ouders al bijna het hele leven van [de minderjarige] verwikkeld zijn in een juridische strijd over (onder meer) de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] . In het verleden hebben zowel het Lorentzhuis als de raad benadrukt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat partijen stoppen met procederen en dat er rust komt. Gelet hierop hebben de rechtbank en het hof in 2016 getracht een duidelijke regeling vast te leggen, die volgens partijen op zichzelf bezien nog steeds positief verloopt. Met het starten van deze procedure in eerste aanleg en met het instellen van hoger beroep doorbreekt de vader telkenmale de rust die zo in het belang van [de minderjarige] wordt geacht. De onderhavige appelprocedure in hoger beroep is de achtste procedure - van de in totaal negen procedures over de zorgregeling - die de vader aanhangig heeft gemaakt. Het voorgaande geeft er naar het oordeel van het hof blijk van dat de vader niet voldoende rekening houdt met de lastige situatie waarin [de minderjarige] zich bevindt en de negatieve effecten daarvan op [de minderjarige] . Dat wordt nog verder geïllustreerd door het gegeven dat de vader na de eerdere beschikking van dit hof, in weerwil van de bij hem bekende bezwaren van de moeder hiertegen en - naar hij ter zitting heeft desgevraagd heeft verklaard - zonder enig overleg met haar, naar [woonplaats] is verhuisd en thans op loopafstand van de moeder en [de minderjarige] woont. Kennelijk ging de vader ervan uit dat de afstand tussen de woonplaatsen van partijen destijds de enige aanleiding was voor het hof om zijn verzoeken tot uitbreiding van de zorgregeling af te wijzen. Daarmee heeft hij blijk gegeven van een onjuiste lezing van de overwegingen in die beschikking.

Dit een en ander overziende, verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank om de vader in de kosten van de procedure in eerste aanleg te veroordelen. Voorts ziet het hof op dezelfde gronden aanleiding de vader te veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep.

Voor de door de vrouw bepleite integrale kostenveroordelingen ziet het hof echter onvoldoende aanleiding. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828) is dat alleen mogelijk onder buitengewone omstandigheden, zoals wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. Daarvan is sprake als het instellen van een verzoek, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Daarvan kan sprake zijn als de eiser zijn verzoek baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op stellingen en omstandigheden waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daarbij past terughoudendheid gelet op het recht tot toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. In het licht van deze strenge maatstaf heeft de moeder onvoldoende naar voren gebracht om een veroordeling in de werkelijke proceskosten te rechtvaardigen.

Het hof zal het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder in incidenteel hoger beroep dan ook afwijzen.

5.14

De bestreden beschikking zal dus ook op het punt van de proceskostenveroordeling worden bekrachtigd. Het hof zal de kosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van de moeder vaststellen op € 324,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief II) in hoger beroep.

5.15

De kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.16

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de vader in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de moeder vastgesteld op € 324,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. G.W. Brands-Bottema en mr. L. van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 2 juli 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.