Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2624

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
200.233.891/01 en 200.246.378/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:10905
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van de vrouw om vervangende toestemming verhuizing afgewezen omdat de noodzaak daartoe niet aannemelijk is gemaakt en het belang van de kinderen dichtbij de man te wonen zwaarder weegt. Verzoek van de man een co-ouderschapsregeling vast te leggen afgewezen omdat het hof dit thans (nog) te belastend acht voor de kinderen, de zorgregeling wel uitgebreid in het belang van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummers: 200.233.891/01 en 200.246.378/01

Zaaknummers rechtbank: C/15/264900 / FA RK 17-5797 en

C/15/275181 / FA RK 18-3304

Beschikking van de meervoudige kamer van 2 juli 2019 inzake

In de zaak met zaaknummer 200.233.891/01:

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [Z] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.F. Roelink te Hoofddorp,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] , gemeente [Z] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.M. Buitenhuis te Nieuw-Vennep.

In de zaak met zaaknummer 200.246.378/01:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] , gemeente [Z] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. A.M. Buitenhuis te Nieuw-Vennep,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [Z] ,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. W.F. Roelink te Hoofddorp.

In beide procedures zijn verder als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [A] (hierna te noemen: [kind A] );

- de minderjarige [B] (hierna te noemen: [kind B] ).

In zijn adviserende taak is in beide procedures gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van de gedingen in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 200.233.891/01 naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 22 november 2017, uitgesproken onder zaaknummer C/15/264900 / FA RK 17-5797.

1.2

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 200.246.378/01 naar de beschikking van de rechtbank van 15 augustus 2018, uitgesproken onder zaaknummer C/15/275181 / FA RK 18-3304.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.233.891:

2.1

De man is op 21 februari 2018 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van 22 november 2017.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 12 maart 2018 met bijlagen, ingekomen op 13 maart 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 18 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 19 oktober 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 18 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 19 oktober 2018.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

In de zaak met zaaknummer 200.246.378/01:

2.4

De vrouw is op 21 september 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 augustus 2018.

2.5

De man heeft op 20 december 2018 een verweerschrift ingediend.

In beide zaken met zaaknummers 200.233.891/01 en 200.246.378/01:

2.6

Ter zitting in hoger beroep op 31 oktober 2018 is in overleg met partijen en de raad besloten in de zaken met zaaknummers 200.233.891/01 en 200.246.378/01, een raadsonderzoek te gelasten waarin de raad advies uitbrengt over de navolgende vragen:

- is een wijziging van de verdeling van de dagelijkse zorg, conform het verzoek van de man, in het belang van de kinderen;

- verzet het belang van de kinderen zich tegen een verhuizing naar [plaats] , conform het verzoek van de vrouw?

2.7

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

- een faxbericht van de zijde van de man van 25 maart 2019 met bijlagen;

- een brief van de zijde van de raad gedateerd 26 maart 2019 met als bijlage het raadsrapport van 29 maart 2019, ingekomen op 1 april 2019.

2.8

Het vervolg van de mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, die pleitaantekeningen heeft overgelegd;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer R. Koops.

3 De feiten

In beide zaken met zaaknummers 200.233.891/01 en 200.246.378/01:

3.1

Uit het [in] 2009 gesloten en op 26 juli 2016 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de man en de vrouw (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn geboren:

- [kind A] [in] 2008;

- [kind B] [in] 2011 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven bij de vrouw.

3.2

Bij de echtscheidingsbeschikking van 6 juli 2016 is bepaald dat het ouderschapsplan van partijen onderdeel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen bij de man zijn van vrijdag 18.00 uur tot maandag naar school, alsmede op de ATV-dagen van de man tot 19.00 uur en een regeling van de vakanties en feestdagen.

4 De omvang van het geschil

In de zaak met zaaknummer 200.233.891/01:

4.1

Bij de bestreden beschikking van 22 november 2017 is een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de man zijn een weekend per twee weken van donderdag 18.00 uur tot maandag naar school, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking en het ouderschapsplan in zoverre.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week bij hem en vervolgens bij de vrouw verblijven van zaterdagochtend 10.00 uur tot vrijdagavond 19.00 uur, alsmede de helft van de vakanties, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking en het ouderschapsplan in zoverre.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.246.378/01:

4.3

Bij de bestreden beschikking van 15 augustus 2018 zijn de verzoeken van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen en de kinderen in te schrijven op [de basisschool] in [plaats] , afgewezen.

4.4

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en haar bovengenoemde verzoeken (alsnog) toe te wijzen.

4.5

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt voor, enerzijds het verzoek van de man de zorgregeling uit te breiden naar een co-ouderschapsregeling, anderzijds het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen en hen aldaar in te schrijven op [de basisschool] .

Omdat vervangende toestemming tot verhuizing directe invloed heeft op de te bepalen zorgregeling, zal het hof het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming eerst behandelen.

Vervangende toestemming verhuizing, in de zaak met zaaknummer 200.246.378/01:

5.2

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.3

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

In deze zaak spitst het debat tussen de ouders zich toe op:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de

verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in

een vertrouwde omgeving;

- de leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate waarin zij geworteld zijn

in hun omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen.

Hierbij is ook van belang dat de ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de vrouw om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.

De noodzaak om te verhuizen

5.4

De vrouw stelt dat zij, ondanks haar pogingen daartoe, niet in staat is gebleken alternatieve woonruimte te vinden die groot genoeg is voor haar samengestelde gezin met haar huidige partner, in de gemeente [Z] . Zij heeft met haar partner een grote woning gehuurd in [plaats] , zodat zijn twee kinderen ook bij hen kunnen verblijven.

5.5.

Volgens de man heeft de vrouw onvoldoende moeite gedaan vervangende woonruimte te vinden in de regio [Z] . Bovendien is de huidige woning van de vrouw groot genoeg om ruimte te bieden aan de vrouw, haar huidige partner en hun beider kinderen, gelet op de tussen de nieuwe partner en zijn kinderen geldende zorgregeling. De oudste dochter van de huidige partner van de vrouw, verblijft slechts om het weekend bij de huidige partner van de vrouw en zijn jongste dochter slaapt nooit bij hem. De nieuwe partner kan dan ook gemakkelijk bij de vrouw intrekken.

5.6

Het hof wijst erop dat in deze zaak ook van belang is dat partijen na de echtscheiding moeite hebben gedaan om in de buurt van elkaar te gaan wonen en dat de noodzaak om te verhuizen daarom evident dient te zijn. Omdat partijen de echtelijke woning in [woonplaats 1] hebben verkocht, heeft de vrouw haar huidige huis in [woonplaats 2] in juni 2016 met urgentie verkregen. De man heeft rondom de echtscheiding anderhalf jaar bij zijn ouders ingewoond, waarna hij eind 2016 met zijn huidige partner een woning heeft gekocht in [woonplaats 1] , dicht bij de kinderen, die in [woonplaats 2] wonen. Volgens de man heeft zijn partner haar woning opgegeven om zo de man in de gelegenheid te stellen de zorg voor de kinderen in hun vertrouwde omgeving te dragen.

5.7

De door de vrouw aangedragen argumenten ter onderbouwing van de noodzaak van een verhuizing naar [plaats] overtuigen het hof niet. Dat de vrouw en haar huidige partner een samengesteld gezin zouden vormen, is tot heden beperkt tot een weekend per veertien dagen. Immers ziet de huidige partner zijn oudste dochter eens per twee weken een weekend, en met betrekking tot zijn jongste dochter loopt er nog een procedure over de hoofdverblijfplaats. Maar zelfs als alle kinderen vaker per week bij de vrouw en haar huidige partner zouden verblijven, dan is nog niet aangetoond dat dit in [plaats] zou moeten zijn en dat de huidige woning van de vrouw daarvoor ongeschikt zou zijn. De vrouw heeft in [woonplaats 2] een woning met drie slaapkamers zodat voor [kind B] , [kind A] , de vrouw en haar partner voldoende slaapkamers beschikbaar zijn. Als het gezin in [plaats] verblijft, slapen de oudste dochter van de partner en [kind A] zonder problemen samen op één kamer. Niet valt in te zien dat een zelfde constructie niet in [woonplaats 2] mogelijk is.

Er zijn geen overwegingen van economische aard die een verhuizing naar [plaats] noodzakelijk maken. De vrouw is niet gebonden aan [plaats] . Zij heeft in [woonplaats 2] een baan op het gebied van organisatie van evenementen terwijl haar achtergrond in de zorg ligt. Daarbij heeft zij meegedeeld dat voor haar in [plaats] een baan in de zorg in het verschiet ligt, maar dat nog niets zwart op wit staat in afwachting van de vervangende toestemming tot de verhuizing. Dit vooruitzicht op een baan in de zorg in [plaats] , staat dus niet vast en de vrouw heeft niet gesteld of laten blijken dat als zij een andere baan zou willen uitoefenen, zij geen baan in de zorg zou kunnen vinden in de regio [woonplaats 2] .

Ook voor de huidige partner van de vrouw bestaat geen economische gebondenheid aan [plaats] . Hij is sinds oktober 2018 een eigen klusbedrijf begonnen dat niet plaatsgebonden is aan [plaats] .

De belangen van de kinderen en mogelijke compensatie

5.8

Volgens de vrouw komen de kinderen nu al zeer frequent in [plaats] waardoor zij daar een netwerk hebben opgebouwd. Ook kunnen zij het goed vinden met de huidige partner van de vrouw en zijn kinderen.

Tevens is de huidige school van de kinderen van mening dat de kinderen het aankunnen om naar een nieuwe school te gaan. Sinds de echtscheiding zijn de kinderen reeds twee keer van school gewisseld en verhuisd. Dit verliep in onderling overleg tussen partijen goed. Ook de kinderen hebben altijd goed op deze wijzigingen gereageerd.

De vrouw biedt de man aan om de kinderen op de woensdagmiddag bij hem te brengen en hen meer vakantiedagen met de man door te laten brengen.

5.9

De man wijst erop dat de stelling van de vrouw dat de kinderen reeds een netwerk hebben in [plaats] een direct gevolg is van het feit dat zij al vaak met de kinderen naar [plaats] gaat. De kinderen zijn opgegroeid in de huidige omgeving en hebben het naar hun zin op de huidige school. Bovendien is het door de vrouw aangeboden alternatief van de woensdagmiddag geen volwaardig alternatief nu de man niet zal worden betrokken bij de schoolgang van de kinderen en het avondeten en ontbijten daaromheen. De man verwacht dat de omgang tussen hem en de kinderen en de mogelijke uitbreiding daarvan zal worden bemoeilijkt door de afstand. Bovendien haalt en brengt de man de kinderen altijd, ook wanneer zij in [plaats] zijn. Hij acht het aanbod van de vrouw om dit op zich te nemen dan ook niet aannemelijk.

5.10

De raad heeft in zijn rapport geadviseerd de vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving op de basisschool te verlenen, omdat de kinderen consistent zijn in hun verhaal dat zij graag naar [plaats] willen verhuizen. Daarbij ziet de school van de kinderen dat zij dit aankunnen. Vanuit het perspectief van de kinderen is de verhuizing dus mogelijk. Ter zitting in hoger beroep heeft de raad volhard in dit advies en benadrukt dat de huidige situatie waarin de kinderen ’s ochtends vroeg, voordat school begint, met de auto van [plaats] naar [woonplaats 2] gaan, onwenselijk is en dat daaraan snel een eind moet komen.

5.11

Het hof overweegt dat de kinderen een groot incasseringsvermogen lijken te hebben. In hun jonge leven hebben zij al een aantal verhuizingen meegemaakt en zij hebben voldoende veerkracht om een dergelijke verandering aan te kunnen. De raad heeft in zijn advies dan ook geen kindsignalen gevonden die tegen een nieuwe verhuizing zouden pleiten. Het advies van de raad om toestemming te verlenen voor de verhuizing is echter mede ontleend aan de onwenselijke situatie dat de vrouw de kinderen reeds vanuit [plaats] een aantal keren per week naar de huidige school dient te brengen, waardoor zij al heel vroeg moeten vertrekken. Deze omstandigheden staan in onderhavige procedure echter ter discussie en zijn dus per definitie tijdelijk. Zij vormen niet een zelfstandige grond in de afweging.

5.12

Wat zwaar telt naar het oordeel van het hof zijn de belangen van de kinderen om op een korte afstand van hun vader te mogen blijven wonen, zodat hun contact niet belast hoeft te worden door autoreizen in een filegevoelige regio. In de huidige situatie kunnen de kinderen ook als zij wat ouder worden, gemakkelijk even bij hun vader langskomen. Ook kan de man aanwezig zijn of hen brengen naar sportactiviteiten en andere gebruikelijk evenementen op hun school.

Slotsom

5.13

Na een weging van bovengenoemde factoren slaat de balans door ten nadele van de vrouw. De noodzaak voor een verhuizing naar [plaats] is niet aangetoond en het belang van de man en de kinderen om in elkaars directe omgeving te mogen blijven wonen weegt

naar het oordeel van het hof zwaarder. Het hof zal de verzoeken van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen te verhuizen naar [plaats] en de kinderen in te schrijven bij [de basisschool] te [plaats] , dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

De zorgregeling, in de zaak met zaaknummer 200.233.891/01:

5.14

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

5.15

De man betoogt dat partijen tijdens de echtscheidingsprocedure steeds voor ogen hebben gehad dat de kinderen zoveel mogelijk gelijkelijk bij de man en de vrouw zouden zijn en dat er voor de kinderen zo min mogelijk zou veranderen. Aangezien de man echter tijdelijk, in afwachting van een eigen woning, bij zijn ouders was ingetrokken, hebben partijen in het ouderschapsplan de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald, waarbij zij in het kader van een zorgregeling om het weekend bij de man zouden verblijven. Toen de man eenmaal zijn woning in [woonplaats 1] had gekocht, reageerde de vrouw echter negatief op zijn verzoek om alsnog een co-ouderschapsregeling te bepalen. Daarbij liet zij weten voornemens te zijn bij haar huidige partner in [plaats] te gaan wonen. Het is volgens de man in het belang van en overeenkomstig de wens van de kinderen dat zij de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man zullen verblijven.

De man bevestigt dat de vrouw thans meer betrokken is bij de school van de kinderen. Gedurende het huwelijk was dit ook reeds het geval doordat de man meer uren werkt dan de vrouw. Inmiddels wil de man graag meer betrokken worden bij de school en heeft zijn werkgever toegezegd dat hij de mogelijkheid krijgt om de week twee dagen voor de kinderen te zorgen. Twee dagen in die week kan de huidige partner van de man de kinderen ophalen van school. De resterende dag kunnen de ouders van de man de kinderen ophalen van school. Een co-ouderschapsregeling is dan ook mogelijk en het meest geëigend, aldus de man.

5.16

De vrouw meent dat co-ouderschap nooit de bedoeling van partijen is geweest. De vrouw heeft juist geprobeerd de kinderen vaker bij de man te laten zijn, maar hij bracht hen voorheen vaak op zondagavond eerder terug en op zijn ATV-dagen was hij niet beschikbaar. Bovendien heeft de man moeite met het uitvoeren van zijn opvoedingstaken. Hij zoekt nooit contact met de kinderen buiten de zorgregeling om en hij vergeet verplichtingen van de kinderen. Daarbij is hij niet in staat de kinderen naar school te brengen, waardoor hij geen contact heeft met de school van de kinderen. De huidige zorgregeling verloopt inmiddels goed en omdat de vrouw verwacht dat de man niet zal veranderen dient de huidige zorgregeling in stand te blijven, aldus de vrouw.

5.17

De raad heeft geadviseerd het verzoek van de man een co-ouderschapsregeling vast te stellen, af te wijzen. Doordat tussen partijen een gebrek aan goede communicatie bestaat, leidt dit tot teveel risico dat het co-ouderschap zal mislukken waarbij de kinderen klem en verloren kunnen raken tussen de ouders. Daarbij is er bij de vrouw en de kinderen geen draagvlak voor co-ouderschap. Omdat de kinderen nu al zien dat partijen niet goed met elkaar overweg kunnen, adviseert de raad partijen te investeren in hun onderlinge verstandhouding. Dit kan bijvoorbeeld door middel van het traject Ouderschap Blijft. Daarbij is de kwaliteit van het contact met de kinderen van groot belang voor hun ontwikkeling, zodat dit prevaleert boven kwantiteit aldus de raad.

5.18

Het hof overweegt dat niet in geding is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Partijen zijn in het tussen hen in 2016 overeengekomen ouderschapsplan overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en dat zij om de week een weekend bij de man zullen verblijven van vrijdagavond 18.00 uur tot maandagochtend naar school. Inmiddels is deze zorgregeling op verzoek van de man bij de bestreden beschikking uitgebreid naar een zorgregeling van donderdagavond 18.00 uur tot maandagochtend naar school.

Naar het oordeel van het hof is uit het ouderschapsplan noch uit de stellingen van partijen duidelijk gebleken of partijen, zoals de man stelt, ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan voornemens waren een co-ouderschapsregeling te treffen zodra de man over een eigen woning zou beschikken. Het hof gaat dan ook voorbij aan die stelling van de man.

5.19

Tussen de ouders is op dit moment sprake van wantrouwen en een gebrekkige communicatie. Partijen informeren elkaar onvoldoende over wat zij met de kinderen zullen bespreken en hebben besproken. Ook zijn partijen niet in staat gebleken elkaar in te lichten en/of te betrekken bij ingrijpende beslissingen, zoals de verhuizing van de huidige partner van de man naar [woonplaats 1] en het voornemen van de vrouw te verhuizen naar [plaats] . Het hof is dan ook met de raad van oordeel dat een co-ouderschapsregeling te veel risico’s meebrengt op een onevenredige belasting van de kinderen. Daarbij acht het hof tevens van belang dat bij de kinderen, volgens de raad, geen draagvlak bestaat voor een dergelijke regeling. Het hof zal het verzoek van de man een co-ouderschapsregeling vast te stellen dan ook afwijzen.

5.20

Hoewel het hof een co-ouderschapsregeling thans (nog) te belastend acht voor de kinderen, acht het hof het wel in hun belang om de huidige zorgregeling uit te breiden. De huidige zorgregeling verloopt op dit moment goed. De kinderen vinden het leuk bij de man en de man zou de kinderen graag vaker zien en meer betrokken willen worden bij de school van de kinderen. In de stelling van de vrouw dat de man buiten de zorgregeling om geen contact zoekt met de kinderen, ziet het hof geen aanleiding de zorgregeling niet uit te breiden. Dat de kinderen volgens de vrouw niet met haar mogen bellen wanneer zij bij de man verblijven, heeft de man gemotiveerd weersproken. De raad heeft in zijn rapport alsmede ter zitting in hoger beroep vastgesteld dat de kinderen een hechte band hebben met beide ouders en hun partners. Ook komen partijen, volgens de raad, beiden over als adequate opvoeders. Het hof ziet dan ook geen bezwaren tegen uitbreiding van de zorgregeling. Nu het hof het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen zal afwijzen, waardoor de kinderen in [woonplaats 2] zullen blijven wonen, acht het hof een uitbreiding van de zorgregeling in die zin dat de kinderen om de week bij de man verblijven vanaf woensdagmiddag na school tot en met maandagochtend naar school, in het belang van de kinderen.

Voorts is het hof van oordeel dat een verdeling bij helfte van de vakanties en feestdagen het meest in het belang van de kinderen is. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de ouders in redelijk overleg tot de verdeling bij helfte van de vakanties en feestdagen, kunnen komen.

5.21

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.246.378/01:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

in de zaak met zaaknummer 200.233.891/01:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende;

wijzigt in zoverre de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 6 juli 2016 en het daaraan gehechte ouderschapsplan en stelt de zorgregeling als volgt vast:

de kinderen verblijven bij de man om de week vanaf woensdagmiddag na school tot en met maandagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg door de ouders te bepalen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 2 juli 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.