Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2621

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
K19/230068
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Wetboek van Strafvordering. De journalist Jelle Brandt Corstius moet zich alsnog voor de strafrechter verantwoorden voor het in de landelijke media en in een persbericht uiten van beschuldigingen van verkrachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K19/230068 van

G.J. van Dam,

klager,

woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde:

mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 18 februari 2019 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen J. Brandt Corstius (hierna: beklaagde) ter zake van smaadschrift.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 14 mei 2019 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag (gedeeltelijk) toe te wijzen ter zake van smaad(schrift) en belediging.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 25 februari 2019.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 27 mei 2019 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door zijn advocaat, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht.

Met betrekking tot de passage in het persbericht van beklaagde die in het ambtsbericht ambtshalve als belediging wordt gekwalificeerd (“dit soort hufters”), heeft de advocaat verklaard dat deze en andere passages in de aangifte zijn opgenomen om de context van het smaadschrift te beschrijven. De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vraag of beklaagde ook vervolgd zou moeten worden ten aanzien van belediging.

Klager heeft het beklag voor het overige gehandhaafd.

Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op 27 mei 2019 te worden gehoord. Beklaagde is, bijgestaan door mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam, in raadkamer verschenen en heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen. Met goedvinden van het hof heeft de advocaat zijn zienswijze niet in raadkamer, maar nadien schriftelijk gegeven. De advocaat-generaal heeft hierop schriftelijk gereageerd bij (nader) verslag van 26 juni 2019, waarin hij bij zijn eerder aan het hof gegeven advies is gebleven.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Uit het dossier komt het volgende naar voren.

Het beklag hangt samen met het door klager onder nummer K18/230462 ingediende klaagschrift. Die zaak betreft de aangifte van smaad(schrift), gepleegd door beklaagde door middel van publicatie van een stuk in het dagblad Trouw en daaropvolgende uitlatingen in de media. De publicatie in Trouw sluit aan op de onder de hashtag #MeToo op sociale media gepubliceerde berichten over ervaringen met seksueel misbruik. Beklaagde had volgens klager de eer en goede naam van klager aangerand door hem te beschuldigen van het drogeren en verkrachten van beklaagde.

Dit klaagschrift heeft betrekking op het persbericht dat beklaagde op 19 juli 2018 op de website medium.com heeft geplaatst naar aanleiding van een persbericht van het openbaar ministerie.

In laatstvermeld persbericht werd melding gemaakt van de beslissingen van het openbaar ministerie om:

- klager niet te vervolgen voor het drogeren en verkrachten waarvan beklaagde aangifte had gedaan,

- beklaagde niet te vervolgen voor smaad(schrift), waarop het beklag onder nummer K18/230462 ziet.

Beklaagde heeft op zijn Twitteraccount een link naar zijn persbericht geplaatst.

Namens klager heeft zijn advocaat op 24 juli 2018 aangifte gedaan van smaadschrift, omdat beklaagde in het persbericht zijn beschuldiging heeft herhaald dat klager hem verkracht heeft.

Omvang van het beklag

In het klaagschrift wordt het hof verzocht om de vervolging van beklaagde ter zake van smaadschrift te bevelen. Ook in de aangifte wordt het persbericht van beklaagde expliciet aangemerkt als smaadschrift.

De officier van justitie heeft in haar beslissing om naar aanleiding van deze aangifte geen strafvervolging wegens smaadschrift in te stellen, op eigen initiatief ook beoordeeld of er aanleiding is om wel te vervolgen wegens eenvoudige belediging. Het ambtsbericht en het verslag laten zich hier eveneens over uit.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Eenvoudige belediging is een klachtdelict: dat wil zeggen dat vervolging hiervan alleen mogelijk is als niet alleen aangifte is gedaan, maar daarbij ook uitdrukkelijk om vervolging wegens belediging is verzocht. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook uit het klaagschrift en hetgeen in raadkamer naar voren is gebracht kan niet worden afgeleid, dat klager met zijn aangifte heeft bedoeld beklaagde te doen vervolgen wegens belediging. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de vraag of beklaagde moet worden vervolgd voor belediging niet aan het hof voorligt. Het beklag betreft uitsluitend smaadschrift.

Het beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling wegens smaadschrift. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt strafbaar als smaadschrift (kort gezegd) het opzettelijk aanranden van iemands eer of goede naam door de schriftelijke tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.

Lid 3 van dit artikel bepaalt dat geen sprake is van een strafbaar feit als de dader te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

Om tot een veroordeling wegens smaadschrift te kunnen komen is op zijn minst vereist dat de dader zich bij zijn uitlating bewust is geweest van de omstandigheid dat een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden van zijn beschuldiging kon vernemen.

Vervolging ter zake van smaadschrift is een inperking van de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting wordt onder meer beschermd door artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunten van klager en beklaagde

Klager heeft gesteld dat beklaagde niet alleen zijn beschuldigingen van drogeren en verkrachting heeft herhaald, maar daarbij ook een context heeft beschreven die suggereert dat beklaagde een recidivist is die misbruik heeft gemaakt van een gezagsverhouding. Beklaagde heeft klager in het persbericht op één lijn gesteld met Weinstein en Cosby: bekende personen die ervan zijn beschuldigd in een overwichtspositie op grote schaal seksueel misbruik te hebben gepleegd.

In de aangifte wordt gewezen op de omstandigheid dat beklaagde zijn persbericht heeft gepubliceerd, nadat zijn aangifte – inhoudende dat klager beklaagde had gedrogeerd en verkracht – was geseponeerd wegens het ontbreken van bewijs.

Beklaagde heeft naar voren gebracht dat met het persbericht niet zozeer is bedoeld om klager aan te wijzen als verkrachter, maar om te reageren op het persbericht van het openbaar ministerie. Beklaagdes persbericht bevatte geen nieuwe informatie en ongeacht de bewoordingen die hij gekozen zou hebben, zou het de lezer duidelijk zijn geweest dat beklaagde zijn standpunt ten aanzien van klager niet had laten varen. Beklaagde is uitgemaakt voor leugenaar en fantast, maar heeft zich van zijn kant terughoudend opgesteld.

De overwegingen van het hof

Beklaagde is door zijn werkzaamheden voor de televisie en in de journalistiek een bekende Nederlander geworden. Nadat hij in oktober 2017 in landelijke media had beschreven dat hij gedrogeerd en verkracht was toen hij werkte voor het televisieprogramma Barend en Van Dorp, heeft hij daarvan aangifte gedaan. Deze aangifte is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. In zijn persbericht heeft beklaagde klager als zijn verkrachter aangewezen en daarbij de suggestie gewekt dat klager misbruik had gemaakt van zijn positie als leidinggevende. Verkrachting is een ernstig strafbaar feit en daarmee was dit ook een ernstige beschuldiging, waardoor klagers eer en goede naam konden worden aangerand.

Het dossier bevat daarmee aanwijzingen dat de strafrechter wellicht tot een bewezenverklaring van smaadschrift kan komen. Het is bij uitstek de strafrechter die de afweging kan maken of het voorhanden bewijsmateriaal daarvoor (eventueel na nader onderzoek) voldoende is. Dat geldt ook voor de beoordeling of er omstandigheden zijn die de strafbaarheid van het feit of van beklaagde uitsluiten.

Het gaat in deze zaak om een publieke bevestiging van een eerder door beklaagde in landelijke media geuite beschuldiging van een ernstig misdrijf. Er is dan ook voldoende algemeen belang bij strafvervolging.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof beveelt de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om J. Brandt Corstius te vervolgen ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

23 juli 2019 door mrs. J.L. Bruinsma, voorzitter, A.D.R.M. Boumans en N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid van A.M.M. van Gorp, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.