Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2517

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
12-08-2019
Zaaknummer
23-004569-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld (telefoon uit handen rukken). Deels bekend, zelfde modus operandi. Aan verdachte is meermalen een kans geboden om zijn leven een positieve wending te geven, maar hij blijft strafbare feiten plegen. Om die reden geen vw strafdeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004569-18

datum uitspraak: 18 juli 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-654109-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 1] is afgefietst en/of (vervolgens) (met kracht) de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gegrist;

2.

hij op of omstreeks 03 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), brigadier van politie Eenheid Amsterdam [naam 1] en/of inspecteur van politie Eenheid Amsterdam [naam 2], werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn/haar/hun bediening, te weten als (onderdeel van) het Doelgroepenteam (dat zich bezighoudt met de bestrijding van straatcriminaliteit in de binnenstad van Amsterdam), door

- zijn arm(en) en/of zijn hand(en) met zijn spieren aan te spannen en/of

- met zijn arm(en) en/of hand(en) de andere kant op te bewegen dan de richting alwaar de ambtena(a)r(en) zijn arm(en) en/of hand(en) naartoe draaide(n) en/of

- overeind te komen en/of proberen los te komen uit de greep van de ambtena(a)r(en) en/of

- zich met kracht los te trekken uit de aangelegde handboeien;

3.
hij op of omstreeks 28 juni 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/ f welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 2] is afgefietst en/of (vervolgens) (met kracht) de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gegrist;

4.
hij op of omstreeks 27 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 3] is afgefietst en/of (vervolgens) (met kracht) de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gegrist, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] op de grond is gevallen en/of pijn en/of letsel aan haar handpalmen en/of handen heeft bekomen;

5.
hij op of omstreeks 29 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 4] is afgefietst en/of (vervolgens) (met kracht) de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 4] heeft gegrist.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Ook heeft het hof te responderen op hetgeen in hoger beroep is betoogd en komt het hof tot een andere strafoplegging.

Bespreking van een bewijsverweer ten aanzien van feit 4

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het beschikbare bewijsmateriaal niet kan worden afgeleid dat de verdachte de man is geweest die op 27 juli 2018 op straat de telefoon van [slachtoffer 3] uit haar handen heeft gegrist en dat de verdachte daarom integraal moet worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd, samengevat, dat het signalement dat van de dader is gegeven onvoldoende specifiek is en dat de beschrijving van zijn fiets niet overeenkomt met de fiets van de verdachte. Bovendien herkent de verdachte het slachtoffer niet en zegt hij dat hij nooit zou lachen nadat hij een straatroof heeft gepleegd.

Feitelijke toedracht

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feitelijke toedracht vast. In de avond van 27 juli 2018 is ter hoogte van Rozengracht 105 te Amsterdam de telefoon van de aangeefster [slachtoffer 3] met zoveel kracht uit haar handen getrokken dat zij daardoor ten val kwam en pijnlijke handen opliep. Dit werd gedaan door een man van tussen de 26 en 35 jaar met een Noord-Afrikaans/Arabisch uiterlijk die haar – van achter – fietsend benaderde en die na de beroving lachend wegreed. Op veiliggestelde camerabeelden die zijn gevorderd van een op Rozengracht 139 gevestigd bedrijf is te zien dat de aangeefster, nog in het bezit van haar mobiele telefoon, om 20.40.45 uur over het trottoir van de Rozengracht loopt. Ook is op de beelden te zien dat de verdachte met zijn fiets aan zijn hand enkele meters achter de aangeefster loopt. Te zien is verder dat de verdachte om 20.40.51 uur de Tweede Rozendwarsstraat passeert, negen seconden na de aangeefster. Zij bevinden zich dan bijna ter hoogte van Rozengracht 105, op welke locatie de camera geen zicht bood. Wel is op de beelden te zien dat de verdachte ongeveer anderhalve minuut later over de Tweede Rozendwarsstraat fietst in de richting van de Rozengracht, waaruit het hof concludeert dat hij in de tussentijd in de buurt moet hebben gereden. De verdachte heeft zichzelf en zijn fiets herkend op de bewuste camerabeelden. Op de foto op bladzijde 62 van het dossier neemt het hof waar dat zich, behalve het slachtoffer en de (naast zijn fiets) daarachter lopende verdachte, niemand op het trottoir bevindt.

Beoordeling hof

Het hof heeft kennisgenomen van de bekennende verklaring van de verdachte van de onder 1 en 5 tenlastegelegde diefstallen met geweld, ’s avonds gepleegd in het centrum van Amsterdam onderscheidenlijk op 3 augustus 2018 en op 29 augustus 2018. Het hof verklaart deze feiten bewezen. Dat geldt ook voor het onder 3 tenlastegelegde feit, waarbij het gaat om een vergelijkbare diefstal met geweld, gepleegd voor de Rozengracht 237 in de avond van 28 juni 2018. In elk van deze zaken heeft de verdachte de slachtoffers, fietsend benaderd en in het voorbijgaan hun telefoon uit de handen gegrist en is hij vervolgens snel weggefietst. Naar het oordeel van het hof vertoont de modus operandi van de verdachte bij deze bewezenverklaarde feiten op essentiële punten belangrijke overeenkomsten met de feitelijke toedracht van feit 4, waarbij dient te worden vermeld dat de verdachte na het plegen van feit 5 lachend is weggereden. Hierop gelet en in aanmerking genomen dat de verdachte – en niet iemand anders – zich zeer kort voor het plegen van feit 4 met zijn fiets in de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer bevond en dat de door de verdachte gepleegde diefstallen met geweld plaatsvonden in het centrum van Amsterdam binnen een periode van twee maanden, neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder 4 is tenlastegelegd.

In het licht van het vorenstaande brengen de door de raadsvrouw aangestipte punten betreffende het door de aangeefster opgegeven signalement van de dader en beschrijving van de fiets het hof niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 3 augustus 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 1] is afgefietst en met kracht de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gegrist;

2.
hij op 3 augustus 2018 te Amsterdam zich heeft verzet tegen ambtenaren, te weten brigadier van politie Eenheid Amsterdam [naam 1], en inspecteur van politie Eenheid Amsterdam [naam 2], werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten als onderdeel van het Doelgroepenteam (dat zich bezighoudt met de bestrijding van straatcriminaliteit in de binnenstad van Amsterdam), door:

- zijn armen en zijn handen met zijn spieren aan te spannen, en;

- overeind te komen en proberen los te komen uit de greep van de ambtenaren, en;

- zich met kracht los te trekken uit de aangelegde handboeien;
3.
hij op 28 juni 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 2] is afgefietst en met kracht de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gegrist;
4.
hij op 27 juli 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 3] is afgefietst en met kracht de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gegrist, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] op de grond is gevallen en pijn aan haar handen heeft bekomen;

5.
hij op 29 augustus 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 4] is afgefietst en met kracht de mobiele telefoon uit de handen van voornoemde [slachtoffer 4] heeft gegrist.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is – naast hetgeen hiervoor omtrent feit 4 is overwogen – gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage die aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uit maakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden, met aftrek van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend is. De verdachte heeft hulp nodig bij het verwerken van zijn jeugdtrauma en moet tevens in de gelegenheid worden gesteld om af te kicken van zijn drugsverslaving, omdat beide in rechtstreeks verband staan tot de delicten die hij begaat. De eerste stappen hiertoe zijn gezet en bovendien is hij, na een lange wachttijd, zeer recentelijk gestart met een traumabehandeling. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich viermaal schuldig gemaakt aan diefstal met geweld op straat. Hij heeft telkens vanaf zijn fiets onverhoeds mobiele telefoons uit de handen van nietsvermoedende mensen gegrist.

Het gaat hier om ernstige feiten. De verdachte heeft zich kennelijk keer op keer enkel laten leiden door geldlust om zo zijn honger naar drugs te stillen, zonder erbij stil te staan dat slachtoffers van delicten als deze nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Daar komt bij dat dergelijke delicten, gepleegd in het openbaar, een versterkend effect plegen te hebben op gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen van de directe slachtoffers, maar ook van degenen die getuige zijn geweest van de door de verdachte gepleegde misdrijven en meer in het algemeen in de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte zich met geweld verzet tijdens één van zijn aanhoudingen. Handelingen als die van de verdachte bemoeilijken het werk van de betreffende politieambtenaren. Bovendien getuigt dergelijk gedrag van gebrek aan te vergen respect voor deze ambtenaren.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 juni 2019 is hij eerder, zij het langer geleden, onherroepelijk veroordeeld ter zake van uiteenlopende delicten, waaronder delicten met een (ernstige) geweldscomponent in 2006 en in 2003. Ook is hij bij op 28 december 2018 onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 11 december 2018 veroordeeld tot een werkstraf en zeven maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden gericht op hulpverlening en behandeling, ter zake van bezit van harddrugs en drie straatroven gepleegd te Amsterdam, waarvan de meest recente plaatsvond op 25 maart 2018.

Uit de in het dossier bevindende rapporten en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht volgt dat de verdachte kampt met ernstige psychische klachten ten gevolge van een trauma uit het verleden. De verdachte heeft zijn heil gezocht in drugs en is ernstig verslaafd geraakt. Om de drugs te kunnen bekostigen pleegt hij vermogensdelicten.

Het hof heeft geconstateerd dat aan de verdachte zeer ruim de gelegenheid is geboden om buiten een detentiesituatie een andere wending aan zijn leven te geven. Naast de voormelde veroordeling van 11 december 2018, die gelet op de bewezen feiten als een de verdachte geboden kans moet worden gezien, is in de onderhavige strafzaak door de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis geschorst geweest. De verdachte heeft echter tijdens die schorsing en in de proeftijd van voormelde veroordeling het onder 5 ten laste gelegde gepleegd. Ook tijdens de schorsing van het voorarrest in de onderhavige zaak in hoger beroep heeft de verdachte opnieuw een straatroof begaan op 14 maart 2019, waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 weken waarvan 12 weken voorwaardelijk en waarbij opnieuw op hulpverlening gerichte bijzondere voorwaarden zijn gesteld.

De voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak was geschorst tot aan de terechtzitting van 4 juli 2019. Uit het Inforsa voortgangsverslag toezicht van 1 juli 2019 blijkt dat de verdachte, aansluitend op een detentieperiode, op 5 april 2019 is opgenomen op de detoxafdeling van Mentrum in verband met zijn verslavingsproblematiek. Op 2 mei 2019 is de verdachte voortijdig negatief ontslagen uit de kliniek omdat hij tweemaal cocaïne had gebruikt en omdat hij ongeoorloofd afwezig was bij zijn verlof. Sindsdien is ingezet op ambulante behandeling. Er is sprake van een ernstige verslavingsproblematiek, die moeilijk te doorbreken lijkt. De verdachte houdt zich de laatste tijd beter aan de afspraken en is meer gemotiveerd, maar heeft hij nog steeds terugvallen in het gebruik van cocaïne. De behandelaar heeft tegenover de reclassering aangegeven dat de komende maanden zal moeten blijken of de verdachte voldoende kan profiteren van therapie.

De verdachte is zonder bericht niet verschenen ter terechtzitting van 4 juli 2019 en heeft aldus niet alleen verzuimd een toelichting te geven uit de eerste hand van zijn wedervaren, maar ook (opnieuw) een schorsingsvoorwaarde geschonden.

Uit de stukken volgt dat de verdachte telkens de intentie tot verbetering uitspreekt, dat hij keer op keer kansen krijgt geboden en dat hij kort gezegd schoorvoetend een begin van verbetering lijkt te maken, maar dat hij tot nu toe telkens binnen zeer korte termijn vervalt in oude gewoontes van drugsgebruik en het plegen van ernstige misdrijven. De verdachte heeft daarmee aangetoond dat het onverantwoord is hem in vrijheid aan zijn verbetering te laten werken. Dat de verdachte, na een wachttijd, inmiddels in aanmerking is gekomen voor een traumabehandeling, legt onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen dan hierna vermeld, nog daargelaten dat het ondergaan van een ambulante traumabehandeling, indien noodzakelijk, geboden moet kunnen worden in detentie.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof tevens acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Alles in aanmerking nemende en mede gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt de hierna te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden geacht.

In het voorgaande ligt besloten dat naar het oordeel van het hof de vordering van de advocaat-generaal onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en dat om dezelfde reden niet kan worden volstaan met een lagere straf dan de hieronder bedoelde zoals bepleit door de raadsvrouw.

Verbeurdverklaring fiets

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een herenfiets, die aan de verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde is begaan. Van het onder de verdachte in beslag genomen mes had hij reeds afstand gedaan; daarop zal het hof dan ook niet meer beslissen.

Vorderingen benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.069,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen de benadeelde partij ter compensatie van de immateriële schade heeft gevorderd dient te worden toegewezen tot het bedrag van

€ 500,00 en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, te vermeerderen met de wettelijke rente. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die door of namens de verdachte niet zijn betwist. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 500,00. Daarbij is gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend en in het bijzonder is gelet op de aard en de ernst van de impact die het bewezenverklaarde op de benadeelde partij heeft gehad. Uit de onderbouwing van de immateriële schade blijkt dat hij na het incident bang was en zijn hotelkamer niet durfde te verlaten, waardoor zijn vakantie in Nederland in het water is gevallen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze als na te melden. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[slachtoffer 3] (feit 4)

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.556,00, bestaande uit € 1.056,00 materiele schade, te weten de kort tevoren gemaakte aanschafkosten van de gestolen telefoon, en € 500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering dient te worden toegewezen en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, te vermeerderen met de wettelijke rente. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte van feit 4 moet worden vrijgesproken en daarom niet strafrechtelijk aansprakelijk is voor de schadeveroorzakende gebeurtenis (het ten laste gelegde).

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiele en immateriële schade heeft geleden, gelet op de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij, die door of namens de verdachte niet inhoudelijk zijn betwist. De vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade zal integraal worden toegewezen. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op

€ 500,00. Daarbij is gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend en in het bijzonder is gelet op de aard en de ernst van de impact die het bewezenverklaarde op de benadeelde partij heeft gehad. Uit de onderbouwing van de immateriële schade en zoals ter terechtzitting is gebleken, heeft de benadeelde partij het gebeurde als traumatisch ervaren en is zij tot op de dag van vandaag nog steeds vanuit de door haar ervaren angst extra alert op straat.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze als na te melden. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[slachtoffer 4] (feit 5)

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 259,00 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering en per e-mail in de Engelse taal toegelicht dat het gaat om reparatiekosten vanwege schade aan het scherm van de mobiele telefoon. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering dient te worden toegewezen en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, te vermeerderen met de wettelijke rente. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Gelet op de vordering van de benadeelde partij omtrent de geleden schade aan de telefoon en de niet-betwisting daarvan door of namens de verdachte, is het hof van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze als na te melden. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 63, 180 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een zwarte herenfiets, merk Sparta, type pick-up (5639906).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2018.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.556,00 (duizend vijfhonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 1.056,00 (duizend zesenvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.556,00 (duizend vijfhonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 1.056,00 (duizend zesenvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 juli 2018.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 259,00 (tweehonderdnegenenvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 259,00 (tweehonderdnegenenvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 augustus 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. G. Oldekamp en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli 2019.

Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[.......]