Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2497

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
23-004362-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tafelberg. Medeplegen van moord en medeplegen wegmaken van het stoffelijk overschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004362-16

datum uitspraak: 12 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-860178-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Leeuwarden te Leeuwarden.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24, 26, 27 en 28 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv en de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1 primair
hij in of omstreeks de periode van 25 tot en met 26 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] door het aanwenden van uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals (verwurging) en/of stomp botsend geweld op de hals (slaan, stompen) en/of uitwendig geweld op de mond/neus/tong (smoren, slaan, verstikking) van het leven heeft beroofd;

feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] door het aanwenden van uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals (verwurging) en/of stomp botsend geweld op de hals (slaan, stompen) en/of uitwendig geweld op de mond/neus/tong (smoren, slaan, verstikking) van het leven heeft beroofd;

feit 2
hij op of omstreeks 27 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt door

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in een dekzeil en een plastic zak te verpakken,

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in een auto/camper te laden en met die auto/camper van (de camping te) Breezanddijk naar de gemeente Hollands Kroon te vervoeren en/of

-(vervolgens) het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] (verzwaard met een tegel) in het water van het Amstelmeerkanaal (Voorboezem) te gooien,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] , te weten dat die [slachtoffer] (door verwurging, geweld en/of verstikking) om het leven is gebracht, te verhullen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert, tot een andere strafoplegging komt en tot andere beslissingen ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Betrouwbaarheid verklaringen verdachten

De verdachten hebben alle drie uitgebreid verklaard. Deze verklaringen zijn niet op alle onderdelen consistent en bovendien komen de verklaringen op onderdelen niet overeen met de verklaringen van de ander(en). De verdachten wijzen naar elkaar waar het gaat om de vraag wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] . Bij die stand van zaken kan vastgesteld worden dat onderdelen van de afgelegde verklaringen onjuist en dus onbetrouwbaar moeten zijn. Behoedzaamheid is geboden, maar dit brengt niet met zich dat daarmee de verklaringen in hun geheel wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld. Voor zover onderdelen in die verklaringen voldoende ondersteuning vinden in ander bewijsmateriaal, acht het hof het verantwoord deze voor het bewijs te bezigen.

Bewijsoverweging feit 1

Aantreffen stoffelijk overschot slachtoffer [slachtoffer]

Op 30 augustus 2015 werd in het Amstelmeerkanaal het stoffelijk overschot van – naar later bleek – [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangetroffen. Het lichaam van [slachtoffer] was verpakt in een bouwzeil en bij de onderbenen verzwaard met een grindtegel. Over het hoofd van [slachtoffer] zat een transparante plastic zak, die met touw om de nek en aan het bouwzeil was vastgemaakt.

De schouwarts heeft vastgesteld dat het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] naar schatting was gelegen vier dagen voor het moment van aantreffen van het stoffelijk overschot op 30 augustus 2015, dus op of omstreeks 26 augustus 2015. De patholoog heeft geconcludeerd dat het intreden van de dood van [slachtoffer] op grond van de sectiebevindingen goed kan worden verklaard door effecten van verstikking door geweld op de hals, geweld op de mond-neusregio met als gevolg belemmering van de luchtwegen, elk op zich dan wel in combinatie, een en ander bij leven ontstaan.

Naar aanleiding van de niet-natuurlijke dood van [slachtoffer] is het opsporingsonderzoek ‘Tafelberg’ gestart, waaruit het hof de volgende chronologische gang van zaken afleidt.

25 augustus 2015

Op 25 augustus 2015 omstreeks 09.00 uur was medeverdachte [verdachte 2] (hierna: [verdachte 2] ) bij haar zus [getuige] op bezoek in Den Helder. Toen [getuige] aan [verdachte 2] vroeg waar [slachtoffer] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer]) was, antwoordde [verdachte 2] dat [slachtoffer] weer vervelend was en dat zij hem zat was, waarna zij letterlijk aan [getuige] vroeg: “Weet je nog iemand die het zo kan doen en daar heb ik wel € 500,- voor over”, waarbij [verdachte 2] een snijbeweging over haar keel maakte. [getuige] , die hieruit begreep dat [verdachte 2] iemand zocht om [slachtoffer] ‘koud’ te maken, reageerde hierop: “Ik weet nog wel een paar zwart joefels hier in Den Helder”.

Op 25 augustus 2015 heeft [verdachte] , ex-echtgenoot van [verdachte 2] , met een onder [verdachte 2] in beslag genomen tablet op internet op de volgende zoektermen gezocht:

  • -

    metropolol

  • -

    Wat kan gebeuren bij teveel Metropolol

  • -

    Overdosis paracetamol dodelijk

  • -

    Zelfdoding medicijnen, welke het beste te gebruiken?

  • -

    welk medicijn is dodelijk

  • -

    eating grapefruit with some prescription drugs can be deadly

  • -

    dodelijke combinatie pompelmoes met medicijnen

  • -

    welk medicijn is dodelijk bij overdosis

In de periode tussen 10 juni 2015 en 14 juli 2015 had [verdachte] op diezelfde tablet ook al op internet gezocht naar aan de dood gerelateerde onderwerpen. Hij heeft toen de volgende zoektermen ingevoerd:

  • -

    landbouwgif dodelijk voor mens

  • -

    top 10 dodelijkste en bekendste giffen

  • -

    nekslag is die dodelijk

  • -

    dood

  • -

    wanneer treed dood in bij nekslag

  • -

    hersenletsel per ziektebeeld/traumatisch hersenletsel

  • -

    nekslag

  • -

    slaap (op hersenstichting.nl)

  • -

    iemand knock out slaan

  • -

    hoe moet je iemand slaan

26 augustus 2015

Den Helder

Op 26 augustus 2015 zijn [verdachte 2] en [verdachte] op instigatie van eerstgenoemde bijeengekomen bij het Avia tankstation in Den Oever. Vandaaruit reden zij kort na half twee ‘s middags met de camper van [verdachte] naar Den Helder. Daar benaderden zij verschillende personen met de vraag of deze een klus voor hen wilden klaren. Omstreeks 14:45 uur reden [verdachte 2] en [verdachte] terug naar het Avia tankstation in Den Oever, waarna [verdachte 2] (alleen) in haar Citroën C5 wegreed.

Camping [camping] te Breezanddijk

In de avond van 26 augustus 2015 heeft het toneel zich naar Breezanddijk verplaatst. Tussen 20.11 uur en 20.18 uur reed de Citroën C5 met daarin [verdachte 2] en [slachtoffer] vanaf Hippolytushoef de Afsluitdijk op naar de camping [camping] , alwaar hun caravan stond. Om 20.32 uur belde [verdachte 2] naar [verdachte] . Eén minuut later vertrok [verdachte] met zijn camper vanaf het terrein van het Gulf tankstation in Den Oever en ging hij via tankstation Texaco [camping] naar de in de nabijheid daarvan gelegen camping [camping] , waar hij omstreeks 20.55 uur aankwam. Kort daarna is [verdachte 2] met [slachtoffer] naar het bijhok van hun caravan gegaan, in welk bijhok ook [verdachte] en [verdachte 3] , ex-vriend van [verdachte 2] en medeverdachte, arriveerden. Daarna heeft [verdachte 2] het bijhok verlaten en is naar haar auto gelopen.

Omstreeks 21.37 uur reed [verdachte 2] met de Citroën C5 terug naar Hippolytushoef, negen minuten later gevolgd door de Citroën Xantia waarin [verdachte 3] die avond op de camping was gearriveerd. De camper is die avond niet meer gesignaleerd op de route Breezanddijk naar Hippolytushoef. [slachtoffer] bleef achter op de camping. [verdachte 2] , [verdachte] en [verdachte 3] waren vervolgens enige tijd samen in de woning van [verdachte 2] en [slachtoffer] in Hippolytushoef.

27 augustus 2015

In de avond van 27 augustus 2015 hebben [verdachte] en [verdachte 3] het levenloze lichaam van [slachtoffer] samen opgehaald uit het bijhok op camping [camping] te Breezanddijk en hebben het stoffelijk overschot vervolgens, verpakt en verzwaard, in het Amstelmeerkanaal gegooid.

Uit de voorgaande feiten en omstandigheden, in combinatie met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, leidt het hof het volgende af en komt tot de volgende oordelen.

De dood van [slachtoffer]

is door geweld om het leven gebracht. Hij is met [verdachte 2] op 26 augustus 2015 rond half negen ’s avonds op de camping [camping] aangekomen en heeft die camping niet meer levend verlaten. [verdachte] is omstreeks 20.55 uur op de camping gearriveerd. Omstreeks 21.37 uur is [verdachte 2] van de camping vertrokken, omstreeks 21.46 uur gevolgd door [verdachte] en [verdachte 3] . Uit het gegeven dat de camper die avond niet meer is gesignaleerd op de route Breezanddijk naar Hippolytushoef, leidt het hof af dat [verdachte] , overeenkomstig diens verklaring, samen met [verdachte 3] in de Xantia is vertrokken van de camping [camping] naar Hippolytushoef. Sindsdien heeft niemand [slachtoffer] meer levend gezien.

Hoewel de verklaringen van de verdachten over hetgeen in het bijhok van de caravan van [slachtoffer] en [verdachte 2] is gebeurd - mild gezegd - uiteenlopen, zijn zij op één punt eensluidend: nadat [slachtoffer] , [verdachte 2] , [verdachte] en [verdachte 3] in de avond van 26 augustus 2015 op de camping waren gearriveerd, is men naar het bijhok gegaan. Toen en daar is geweld op [slachtoffer] uitgeoefend, leidend tot zijn dood. Dat [slachtoffer] op 26 augustus 2015 is overleden, vindt bevestiging in de bevindingen van de schouwarts en in het gegeven dat [slachtoffer] die avond niet meer naar Hippolytushoef is teruggekeerd. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de gewelddadigheden die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid, zijn gepleegd op 26 augustus 2015 tussen ongeveer 20.55 uur en 21.46 uur. Voor de conclusie dat [slachtoffer] op een ander moment om het leven is gebracht, ontbreekt ieder aanknopingspunt. In dat verband overweegt het hof dat de pas ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [verdachte 3] , inhoudende dat hij later die avond [slachtoffer] stem nog via de telefoon heeft gehoord, als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.

Voorbedachte raad

Zoals hiervoor overwogen, is [slachtoffer] op 26 augustus 2015 tussen ongeveer 20.55 uur en 21.46 uur door geweld om het leven gebracht. Het hof acht tevens bewezen dat het [verdachte] is geweest, die [slachtoffer] heeft gedood. Dit oordeel baseert het hof met name op de OVC-gesprekken die [verdachte] tijdens zijn detentie met bezoekers heeft gehad. Daarin heeft hij meermalen onomwonden gezegd ‘dat hij het gedaan heeft’, ‘dat er veel kracht voor nodig was’ en ‘dat hij het voor [verdachte 2] gedaan heeft’ en ‘het haar beloofd had’. Deze uitlatingen van [verdachte] , gedaan toen hij kennelijk dacht dat hij vrijelijk met zijn bezoek kon spreken, kunnen, gelet ook op de context waarin zij zijn gedaan, naar het oordeel van het hof niet anders worden geduid dan dat [verdachte] [slachtoffer] zelf om het leven heeft gebracht. Aan de verklaringen van [verdachte] , inhoudende dat hij dit ‘uit grootspraak’ heeft gezegd, dat hij ‘veel kracht’ nodig had om [slachtoffer] weg te trekken van diens agressor [verdachte 3] en dat hij enkel [verdachte 2] ‘uit de wind wilde houden’ (hetgeen hij haar beloofd had), hecht het hof geen geloof. Niet alleen heeft hij daarover wisselend verklaard, maar ook bij doorvragen door het hof heeft [verdachte] niet duidelijk kunnen maken, waarom hij in die gesprekken alle schuld op zich heeft genomen als hij er part noch deel aan heeft gehad. De verklaringen van [verdachte] verhouden zich ook niet met de door hem in de tablet ingevoerde zoekslagen met betrekking tot het doden van een persoon. Daarbij merkt het hof op dat [verdachte] ook zeer onaangenaam verrast was toen hij vernam dat de bewuste tablet voor onderzoek in beslag was genomen en dat de politie dus kennis zou nemen van de bedoelde zoekslagen.

Dat [verdachte] [slachtoffer] toen en daar heeft gedood, kwam naar het oordeel van het hof ook niet ‘uit de lucht vallen’, maar was het slotstuk van de uitvoering van het eerder met [verdachte 2] gesmede plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Daartoe geldt het volgende.

[verdachte 2] was het leven met [slachtoffer] , wiens karakter door TIA’s ten nadele was veranderd, zat: zij wilde onbezorgd haar verdere leven kunnen leiden. Dit heeft haar en [verdachte] op enig moment ertoe gebracht erover na te denken hoe [slachtoffer] van het leven zou kunnen worden beroofd, getuige de zoekslagen van [verdachte] op internet tussen 10 juni en 14 juli 2015 over dood door landbouwgif, nekslag en slaan. Naar het oordeel van het hof was het definitieve plan om [slachtoffer] te doden uiterlijk op 25 augustus 2015 een feit. Op die datum is immers niet alleen door [verdachte] wederom op internet gezocht naar methoden om iemand om het leven te brengen, maar heeft [verdachte 2] bovendien aan haar zus gevraagd of zij iemand wist die tegen een beloning [slachtoffer] van het leven kon beroven. Dat hiermee door [verdachte 2] uiting is gegeven aan een bestaand plan om [slachtoffer] te doden, blijkt wel uit de gedragingen van [verdachte 2] en [verdachte] de dag erna. Toen gingen zij immers, de suggestie van de zus van [verdachte 2] (te weten dat zij nog wel een paar zwart joefels in Den Helder wist) volgend, naar Den Helder, alwaar zij contact opnamen met personen met de vraag of deze een klus voor hen konden klaren.

Kennelijk hebben [verdachte 2] en [verdachte] niemand kunnen vinden en hebben zij toen besloten dat het plan om [slachtoffer] te doden op een andere manier diende te worden gerealiseerd, en wel door henzelf. Ter uitvoering van dat plan heeft [verdachte 2] op 26 augustus 2015 rond kwart over acht ’s avonds [slachtoffer] naar de camping [camping] gebracht. Daar aangekomen heeft zij [verdachte] gebeld, die vanuit Den Oever ook meteen met zijn camper naar de camping is gereden. Op de camping is [verdachte 2] met [slachtoffer] naar het bijhok van hun caravan gegaan. Ook [verdachte] is het bijhok ingegaan. [verdachte] heeft daar en toen [slachtoffer] gedood. Vervolgens hebben [verdachte 2] en [verdachte] elkaar weer in de woning in Hippolytushoef getroffen.

Uit het voorgaande volgt dat uiterlijk op 25 augustus 2015 door [verdachte 2] en [verdachte] is besloten dat [slachtoffer] om het leven moest worden gebracht. In de avond van 26 augustus 2015 hebben zij, na eerst vergeefs op zoek te zijn gegaan naar personen die deze klus voor hen wilden klaren, de daad bij het woord gevoegd. Aldus hebben zij voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en hebben zij zich daarvan ook rekenschap kunnen geven. En met name gelet op hun inspanningen op 26 augustus 2015 kan het niet anders dan dat zij zich ook daadwerkelijk die rekenschap hebben gegeven. Van een handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of van enig andere contra-indicatie voor voorbedachte raad is niet gebleken.

Integendeel: alles wijst op een weloverlegd en weloverwogen handelen. Daaraan doet niet af dat het trachten inhuren van iemand die voor € 500,00 een ander om het leven moet brengen, wellicht niet een heel kansrijke exercitie lijkt; voor [verdachte 2] en [verdachte] was het immers kennelijk wel een reële optie om hun doel – de dood van [slachtoffer] – te realiseren.

Het hof is dan ook van oordeel dat ten aanzien van [verdachte 2] en [verdachte] sprake was van handelen met voorbedachte raad.

Medeplegen

Uit het voorgaande volgt tevens dat zonder meer sprake is van een voor medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 2] en [verdachte] . Dat [verdachte] bij de moord op [slachtoffer] een zeer wezenlijke rol heeft gespeeld, behoeft geen nadere toelichting. Maar ook de betrokkenheid van [verdachte 2] is significant en onmisbaar geweest. Zij heeft met [verdachte] het plan gesmeed om [slachtoffer] , die een blok aan haar been was geworden, van het leven te beroven. Ter uitvoering van dat plan heeft zij bij haar zus navraag gedaan of zij iemand wist die die klus kon klaren. Vervolgens is [verdachte 2] met [verdachte] – op aanwijzen van [verdachte 2] ’s zus - actief op zoek gegaan naar personen in Den Helder. Toen niemand voor de klus gevonden werd, hebben [verdachte 2] en [verdachte] het besluit genomen dat [slachtoffer] op de camping [camping] gedood zou worden. Daartoe heeft [verdachte 2] [slachtoffer] in de avond van 26 augustus 2015 naar de camping gebracht en, daar aangekomen, [verdachte] gebeld, opdat deze terstond naar de camping zou vertrekken, hetgeen hij ook deed. Op de camping geleidde [verdachte 2] [slachtoffer] naar het bijhok van hun caravan, alwaar [verdachte] vervolgens [slachtoffer] conform plan vermoordde. Het hof benadrukt dat [slachtoffer] toen en daar niet zou zijn geweest als [verdachte 2] hem niet onder valse voorwendselen daarheen zou hebben gebracht. Dat [verdachte 2] niet meer lijfelijk in het bijhok aanwezig was toen [verdachte] [slachtoffer] vermoordde, doet aan het voorgaande niet af: haar bij de moord zeer wezenlijke rol had zij toen al vervuld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair
hij in de periode van 25 tot en met 26 augustus 2015 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachte raad, [slachtoffer] door het aanwenden van uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals (verwurging) en/of stomp botsend geweld op de hals (slaan, stompen) en/of uitwendig geweld op de mond/neus/tong (smoren, slaan, verstikking) van het leven heeft beroofd;

feit 2
hij op 27 augustus 2015 in de gemeente Hollands Kroon en te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verborgen, weggevoerd en weggemaakt door

- het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een dekzeil en een plastic zak te verpakken,

- het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een camper te laden en met die camper van de camping te Breezanddijk naar de gemeente Hollands Kroon te vervoeren en

- vervolgens het stoffelijk overschot van [slachtoffer] verzwaard met een tegel in het water van het Amstelmeerkanaal (Voorboezem) te gooien,

zulks telkens met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] , te weten dat die [slachtoffer] (door verwurging, geweld en/of verstikking) om het leven is gebracht, te verhullen.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en zes maanden, waarbij de advocaat-generaal rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De betrokkenheid van de verdachte heeft zich uitgestrekt over een periode van enige duur en in die periode heeft zijn betrokkenheid op verschillende momenten gestalte gekregen. Zo heeft hij samen met [verdachte 2] het plan bedacht om [slachtoffer] om het leven te brengen. De verdachte heeft daartoe verschillende keren op de tablet gezocht naar mogelijkheden om een persoon om het leven te brengen en [verdachte 2] heeft contact gezocht met haar zus met de vraag of zij nog mensen wist die de klus konden klaren. Vervolgens zijn de verdachte en [verdachte 2] samen naar Den Helder gereisd om in contact te treden met eventuele uitvoerders van het voorgenomen plan. Toen later die dag bleek dat de uitvoering daarvan niet door derden kon worden verricht, heeft [verdachte 2] [slachtoffer] , conform het vooropgezette plan, naar de camping gebracht, alwaar het slachtoffer in het bijhok door de verdachte om het leven is gebracht.

Aldus heeft de verdachte zich tezamen met een ander schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Het delict moord behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. De verdachte heeft samen met zijn mededader het slachtoffer het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt ontnomen. Het heeft er de schijn van dat de verdachte slechts een zeer lage drempel heeft hoeven nemen om de moord mede te plegen.

De dag nadat [slachtoffer] van het leven was beroofd, heeft de verdachte bovendien samen met [verdachte 3] het stoffelijk overschot van [slachtoffer] omwikkeld met zeil en plastic en verzwaard met een grindtegel, waarna zij het lichaam in het Amstelmeerkanaal hebben gegooid. Er is respectloos en onterend met het stoffelijk overschot omgegaan.

De verdachte heeft gedurende de procedure wisselend en op verschillende punten innerlijk tegenstrijdig en inconsequent verklaard. Hij heeft daarbij getracht het onderzoek te frustreren en de waarheidsvinding te bemoeilijken door anderen te vragen bewijsmateriaal te verdoezelen en medeverdachte [verdachte 2] te instrueren wat zij moest zeggen. De proceshouding van de verdachte heeft er bovendien mede toe geleid dat het tot de dag van vandaag voor de nabestaanden onduidelijk is wat er precies is gebeurd. Uit de slachtofferverklaring van de zus van [slachtoffer] blijkt dat de familie van het slachtoffer veel leed en verdriet is aangedaan.

Gelet op de aard en de ernst van het feit ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder zijn gezondheidssituatie en zijn inmiddels gevorderde leeftijd, geen aanleiding over te gaan tot strafmatiging.

In het licht van de voorgaande overwegingen is het hof tot de slotsom gekomen dat de straf die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist onvoldoende recht doet aan de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten. Het hof acht – mede gelet op de straffen die voor medeplegen van moord plegen te worden opgelegd en gelet op de bewezenverklaring van het tweede feit – als vertrekpunt in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die is doorgebracht in voorarrest, passend en geboden.

Overschrijding redelijke termijn

De verdachte is op 1 september 2015 in verzekering gesteld en verblijft sedertdien in voorlopige hechtenis. Dat betekent dat de maatstaf voor de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn zestien maanden per feitelijke instantie bedraagt. Het vonnis in eerste aanleg is op 4 november 2016 gewezen, zodat in eerste aanleg geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn. Dat is anders in hoger beroep. Door de verdachte is op 17 november 2016 hoger beroep ingesteld tegen bedoeld vonnis. Het hof wijst arrest op 12 juli 2019 en stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met 1 jaar en ruim 4 maanden. Het hof ziet hierin aanleiding een strafvermindering toe te passen voor de duur van 1 jaar, zodat een gevangenisstraf resteert voor de duur van zeventien jaren en zes maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.631,67. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 545,90 (bestaande uit een bedrag van € 542,44 aan materiële schade en € 3,46 aan wettelijke rente tot de dag van de uitspraak op 4 november 2016), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast is als proceskosten toegewezen een bedrag van € 96,57 in verband met kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor het bijwonen van de strafzittingen. De vordering is afgewezen wat betreft de post ‘reiskosten hoger beroep’ ad € 893,20 en de benadeelde partij is voor een bedrag van € 280,49 niet-ontvankelijk verklaard omdat dit bedrag twee maal was gevorderd. Tot slot is aan [benadeelde] , in de hoedanigheid van nabestaande, wegens reis- en verblijfskosten een bedrag van € 818,97 toegekend ten laste van de Staat.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat de in de oorspronkelijke vordering onder 3. genoemde (door de rechtbank afgewezen) schadepost ‘reiskosten hoger beroep’ ten bedrage van € 893,20 in hoger beroep is bijgesteld naar een bedrag van € 291,60.

De gestelde schade bestaat uit de volgende schadeposten:

  1. Reiskosten uitvaart € 280,49

  2. Reiskosten strafzaak € 761,541

3. Reiskosten hoger beroep € 291,60

4. Overnachting strafzaak € 154,00

5. Verstrooien as € 99,00

6. Rouwbloemen € 162,95

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir betoogd dat de oorspronkelijke vordering van de benadeelde partij van € 2.631,67 wordt toegewezen met dien verstande dat de post ‘reiskosten hoger beroep’ naar beneden wordt bijgesteld tot het bedrag van € 291,60 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de overgelegde schriftelijke vordering heeft de advocaat-generaal kennelijk abusievelijk gevorderd dat toewijzing dient plaats te vinden voor het oorspronkelijke bedrag, vermeerderd met de opgave van de reiskosten in hoger beroep tot een totaalbedrag van € 2.923,27.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de post ‘reiskosten’ onvoldoende is onderbouwd en heeft zich voor het overige aan het oordeel van het hof gerefereerd.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte – kort gezegd: het medeplegen van moord – rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 542,44, bestaande uit de onder 1. (reiskosten uitvaart), 5. (verstrooien as) en 6. (rouwbloemen) genoemde schadeposten, welke bedragen het hof niet onredelijk voorkomen. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof bepaalt de aanvangstermijn van de wettelijke rente met betrekking tot de onder 1. (reiskosten uitvaart) genoemde schadepost op 7 september 2015 (datum uitvaart), ten aanzien van de onder 5. (verstrooien as) genoemde schadepost op 29 december 2015 (datum factuur) en ten aanzien van de onder 6. (rouwbloemen) genoemde schadepost op 4 september 2015 (datum betaling factuur).

Het hof overweegt ten aanzien van de onder 2. (reiskosten strafzaak), onder 3. (reiskosten hoger beroep) en onder 4. (overnachting strafzaak) gevorderde reis- en verblijfskosten die verband houden met de strafprocedure, dat deze kosten niet als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f Sv kunnen worden aangemerkt, maar dat deze kosten dienen te worden geschaard onder proceskosten in de zin van artikel 592a Sv. In zoverre wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal ten aanzien van de materiële schade de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Gezien de rol van de verdachte als medepleger, ziet het hof reden de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade en aan hen hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de hiervoor genoemde data.

Proceskosten

Zoals hiervoor overwogen dienen de onder 2. (reiskosten strafzaak), onder 3. (reiskosten hoger beroep) en onder 4. (overnachting strafzaak) gevorderde reis- en verblijfskosten die verband houden met de onderhavige strafprocedure als proceskosten te worden gekwalificeerd. Deze kosten zijn geheel gemaakt in de hoedanigheid van benadeelde partij. Gelet op de onderbouwing daarvan is het hof van oordeel dat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen, met uitzondering van de kosten die betrekking hebben op het bijwonen van de zitting van 12 juli 2019, welke kosten (groot: € 72,90) door het hof worden aangemerkt als toekomstige kosten. Aldus wordt toegewezen als proceskosten een totaalbedrag van

€ 1.134,24.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.412,93. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen wat betreft de gevorderde schade ad € 524,44 ter zake van kosten voor het bijwonen van de strafzaak in hoger beroep. Wel zijn de reis- en verblijfkosten van de nabestaande van in totaal € 888,49 toegewezen in die zin dat dit bedrag aan [benadeelde 2] als nabestaande van slachtoffer [slachtoffer] ten laste van de Staat is toegekend.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat de in de oorspronkelijke vordering onder 2. genoemde schadepost ‘reiskosten hoger beroep’ ten bedrage van € 524,44 in hoger beroep is bijgesteld naar een bedrag van

€ 397,28.

De gestelde schade bestaat uit de volgende schadeposten:

1. Reiskosten € 670,65

2. Reiskosten hoger beroep € 397,28

3. Overnachtingen strafzaak € 217,84

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de oorspronkelijke vordering van de benadeelde partij van

€ 1.412,93 wordt toegewezen, met dien verstande dat de post ‘reiskosten hoger beroep’ naar beneden wordt bijgesteld tot het bedrag van € 397,28 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de schriftelijke, door de advocaat-generaal ter terechtzitting overgelegde vordering, wordt kennelijk abusievelijk een totaalbedrag van € 1.810,21 genoemd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de post ‘reiskosten’ onvoldoende is onderbouwd en heeft zich voor het overige aan het oordeel van het hof gerefereerd.

Oordeel van het hof

Onkosten

Het hof overweegt dat de door [benadeelde 2] (enkel in de hoedanigheid van nabestaande) gevorderde kosten als vordering benadeelde partij zijn ingekleed. Deze kosten zien louter op reis- en verblijfkosten die zijn gemaakt ten behoeve van (het bijwonen van) de onderhavige strafprocedure. Ingevolge artikel 51f Sv en artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek kan een benadeelde partij in de hoedanigheid van bloedverwant van het slachtoffer – in het onderhavige geval een broer – enkel de kosten van het gederfde levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging in het strafgeding vorderen. De gevorderde reis- en verblijfkosten ten behoeve van de strafzaak kunnen niet als zodanige kosten worden aangemerkt. De benadeelde partij dient mitsdien in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

Deze kosten kunnen in het onderliggende geval evenmin onder proceskosten in de zin van artikel 592a Sv worden geschaard, nu door [benadeelde 2] – naast deze onkosten – geen schade als bedoeld in artikel 51f Sv is gevorderd.

Vordering van [benadeelde 3]

Bij de stukken bevindt zich een voegingsformulier, gedateerd 12 oktober 2016, waarin de advocaat van [verdachte 2] , mr. Moszkowicz, hoewel daartoe in het voegingsformulier niet gemachtigd, opgave doet van schade die [verdachte 2] - naast medeverdachte in de strafprocedure ook weduwe van de om het leven gebrachte [slachtoffer] - stelt te hebben geleden als gevolg van de dood van [slachtoffer] . De advocaat van [verdachte 2] stelt zich op het standpunt dat [verdachte 2] ontvankelijk is in haar vordering. De rechtbank heeft [verdachte 2] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering met als motivering dat bedoelde opgave in strijd met artikel 51g, derde lid, Sv eerst is gedaan na het requisitoir van de officier van justitie in de zaak van de verdachte [verdachte] .

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen. De vordering is in eerste aanleg pas na het requisitoir en derhalve in strijd met de wettelijke bepalingen ingediend. Een dergelijke gang van zaken is in strijd met de goede procesorde en dient tot een niet-ontvankelijkheid te leiden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in strijd is met alle beginselen van procesrecht. Allereerst vanwege het feit dat de vordering in eerste aanleg is ingediend na het requisitoir, maar daarnaast vanwege het feit dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.

Oordeel van het hof

In artikel 51g, eerste en derde lid, Sv is, voor zover van belang, bepaald:

1. Bij de mededeling op grond van artikel 51a, derde lid, dat vervolging tegen een verdachte wordt ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast.

3. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.

In artikel 311, eerste, tweede, derde en vierde lid, Sv is, voor zover van belang, bepaald:

1. Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over.

2. De verdachte kan hierop antwoorden. 3. De officier van justitie kan daarna andermaal het woord voeren.

4. Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken.

In artikel 421, eerste lid, Sv is bepaald:

1. De benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde lid, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.

Het hof is van oordeel dat uit het samenstel van voornoemde bepalingen, meer in het bijzonder artikel 51g, derde lid, Sv (‘uiterlijk voordat’) in samenhang gelezen met artikel 311, eerste lid, Sv, volgt dat bedoelde opgave dient plaats te vinden voordat de officier van justitie bij requisitoir in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren. In lijn met de in artikel 311 Sv neergelegde procesgang is aldus gewaarborgd dat de procespartijen tijdig en in voldoende mate in de gelegenheid worden gesteld zich over de vordering van de benadeelde partij uit te laten en zich tegen die vordering te verweren, zo nodig in twee termijnen. Het hof stelt op grond van de gedingstukken in eerste aanleg vast dat de officier van justitie heeft gerekwireerd ter terechtzitting van 5 oktober 2016. De in artikel 51g Sv bedoelde opgave van [verdachte 2] is eerst nadien, op de terechtzitting van 12 oktober 2016 gedaan.

Het voorgaande brengt met zich dat, nu opgave ter terechtzitting in eerste aanleg is geschied nadat de officier van justitie overeenkomstig artikel 311 Sv het woord heeft gevoerd, [verdachte 2] , gelet op het bepaalde in artikel 51g, derde lid, Sv in verbinding met artikel 421, eerste lid, Sv niet bevoegd is tot voeging als benadeelde partij in het geding in hoger beroep.

Het hof concludeert dat de voeging van de benadeelde partij in hoger beroep niet aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren en zes maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 542,44 (vijfhonderdtweeënveertig euro en vierenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 542,44 (vijfhonderdtweeënveertig euro en vierenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalings-verplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Wettelijke rente

Bepaalt de aanvangstermijn van de wettelijke rente met betrekking tot de onder 1. (reiskosten uitvaart) genoemde schadepost op 7 september 2015, ten aanzien van de onder 5. (verstrooien as) genoemde schadepost op 29 december 2015 en ten aanzien van de onder 6. (rouwbloemen) genoemde schadepost op 4 september 2015.

Proceskosten

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 1.134,24 (duizend honderd-vierendertig euro en vierentwintig cent).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. T. Kaandorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 juli 2019.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004362-16

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 12 juli 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. M.L. Leenaers, voorzitter,

mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M. Senden, leden,

en mr. T. Kaandorp, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. R.C. Tdlohreg, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Het hof merkt op dat in het gevorderde totaalbedrag ‘reiskosten strafzaak’ van € 1.042,03 (bijlage 1 bij het schadeopgaveformulier) abusievelijk ook de ‘reiskosten uitvaart’ van in totaal € 280,49 zijn opgenomen, zodat de ‘reiskosten strafzaak’ € 761,54 bedragen.