Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2473

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
R 001215-18 (591a Sv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

HB 591a gegrond. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de strafzaak om beleidsredenen geseponeerd is, er niet zonder meer aan in de weg hoeft te staan om een vergoeding toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummer: 001215-18 (591a Sv)

parketnummer in eerste aanleg: 15-111972-17

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 28 mei 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

mr. J.T.E. Vis, adres: [adres].

1 Inhoud van het verzoekschrift

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding op de voet van artikel 591a Sv van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.884,20 .

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding op de voet van artikel 591a Sv ter zake van kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek in eerste aanleg ten bedrage van € 550,00 en in hoger beroep vermeerderd met € 280,00.

2 Procesverloop

Het hoger beroep is op 29 mei 2018 ingesteld door verzoekster (hierna appellante).

Op 8 juni 2018 is een schriftuur houdende grieven ingekomen.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 19 februari 2019 de advocaat-generaal en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen.

3 Beoordeling van het hoger beroep

De rechtbank heeft het verzoek op 28 mei 2018 afgewezen.

Het hoger beroep hiervan is tijdig ingesteld.

De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een zaak die, indien tot een vervolging zou zijn overgegaan, onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel. Op grond daarvan, en nu de strafzaak tegen appellante om opportuniteitsredenen is geseponeerd en er ook sprake is geweest van ‘eigen schuld’ van appellante, heeft de rechtbank geoordeeld dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, en met de advocaat van appellante, is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de strafzaak om beleidsredenen geseponeerd is, er niet zonder meer aan in de weg hoeft te staan om een vergoeding toe te kennen. Daar komt bij dat appellante – gelet op de feiten en omstandigheden van het geval – kennelijk in een noodweersituatie handelde aangezien haar zoon door meerdere personen werd mishandeld. Deze personen worden inmiddels – na een artikel 12 Sv-procedure – vervolgd voor hun betrokkenheid bij deze mishandeling.

Het hof stelt vast dat de stukken in het dossier inhouden dat de strafzaak tegen appellante is geëindigd op 21 juni 2017, door eerdergenoemde sepotbeslissing van de officier van justitie. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde urenspecificatie blijkt dat een deel van de werkzaamheden ter zake waarvan vergoeding wordt verzocht zijn verricht na de sepotbeslissing. De advocaat van appellante heeft te kennen gegeven dat deze werkzaamheden mede hebben bestaan uit bespreken van de sepotbeslissing alsmede de procedure tot wijziging van de sepotcode.

Het hof is van oordeel dat ook deze laatstgenoemde werkzaamheden in onderhavig geval kunnen worden beschouwd als rechtstreeks samenhangend met de strafzaak, mede in aanmerking genomen dat zij in duur en omvang beperkt zijn geweest. Het hof zal het verzoek daarom toewijzen.

Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep gegrond.

Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding (zoals verzocht) van € 1.884,20 voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en een forfaitaire vergoeding ter zake van kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek ten bedrage van € 830,00.

4 Beslissing

Het hof:

Verklaart het hoger beroep gegrond.

Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Wijst het verzochte toe.

Kent uit ’s Rijks kas aan appellante een vergoeding toe van € 2.714,20 (tweeduizend zevenhonderdveertien euro en twintig cent).

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellante.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. S. Clement en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 5 maart 2019.

De voorzitter beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 2.714,20 op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam].

Amsterdam, 5 maart 2019,

mr. M. Iedema, voorzitter.