Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2450

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
19/00034
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:8457
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is mede-erfpachter van een woning en verzoekt in 2017 (i.v.m. de zgn. erfpacht-overstapregeling) om een WOZ-beschikking voor het jaar 2015. Artikel 28 Wet WOZ biedt hiervoor evenwel geen mogelijkheid. Omdat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (art. 26 Awr) van toepassing is en de afwijzing op het verzoek niet is aangewezen als voor bezwaar vatbaar, heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de afwijzing terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van belanghebbende op schending van het vertrouwens- dan wel het gelijkheidsbeginsel alsook op schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM, slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-07-2019
V-N Vandaag 2019/1762
FutD 2019-2049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/00034

11 juli 2019

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te Amsterdam, belanghebbende,

gemachtigde: mr. A. Bakker,

alsmede op het incidenteel hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar

tegen de uitspraak van 28 november 2018 in de zaak met kenmerk AMS 18/478 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft een verzoek van belanghebbende om voor het kalenderjaar 2015 een voor bezwaar vatbare waardebeschikking als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) te nemen afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 28 november 2018 op het beroep van belanghebbende als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht aan [belanghebbende] te vergoeden, zijnde € 46,-;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 501,-.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij het Hof ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank incidenteel hoger beroep bij het Hof ingesteld. Belanghebbende heeft haar zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 24 mei 2019 een nader stuk ingediend. Een kopie daarvan is aan de heffingsambtenaar toegezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde voornoemd, bijgestaan door K.M. de Lange en mr. J. Bax. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. H. Oderkerk, bijgestaan door mr. P.E.H.A Ingenhou, C. Sint, mr. B. Reiptert, mr. K. Goosens, mr. N.M Kell, D.J.L. van Ee,

mr. Weisman en A. Pelser. Gelijktijdig en met instemming van partijen zijn ter zitting ook behandeld de hoger beroepen met kenmerken 18/00696 tot en met 18/00700, 19/00075, 19/00082, 19/00085, 19/00086, 19/00157 tot en met 19/00188, 19/00190 tot en met 19/00201 en 19/00209 tot en met 19/00216. Al hetgeen in één van deze zaken is overgelegd of verklaard, wordt eveneens geacht te zijn overgelegd of verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende is in deze uitspraak aangeduid als ‘eiseres’):

“1.1. Eiseres heeft een woning in Amsterdam in erfpacht. Het eigendomsrecht berust bij de gemeente Amsterdam. Op 9 mei 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders een Overstapregeling van voortdurende naar eeuwigdurende erfpacht voor woonbestemmingen 2017 vastgesteld (de overstapregeling). Het college heeft de overstapregeling vervolgens vanwege het grote maatschappelijke en financiële belang van het erfpachtstelsel voorgelegd aan de gemeenteraad voor instemming. In zijn vergadering van 31 mei 2017 heeft de gemeenteraad ingestemd met de overstapregeling. Erfpachters kunnen bij de overstapregeling kiezen voor verschillende opties. Kern van de overstapregeling is dat de canon eeuwigdurend wordt vastgesteld en dat deze eeuwigdurende canon ook kan worden afgekocht. Erfpachters kunnen er ook voor kiezen om niet over te stappen en te blijven bij het voorheen geldende systeem. Bij de berekening van de eeuwigdurende canon en de afkoop daarvan vormt de WOZ‑waarde op de peildatum 1 januari 2014 dan wel 1 januari 2015 de basis. Het betreft dus de WOZ-waarde die is vastgesteld voor de kalenderjaren 2015 dan wel 2016.1 [voetnoot 1 rechtbank: Zie artikel 18, tweede lid, van de Wet WOZ.]

1.2.

Niet in geschil is dat aan eiseres niet eerder een WOZ-beschikking over 2015 is verstrekt. Eiseres heeft een WOZ-beschikking gevraagd omdat de WOZ-waarde van belang is bij de overstap naar eeuwigdurende erfpacht. Zij vindt dat de WOZ-waarde over 2015 voor haar woning te hoog is vastgesteld en dat zij in de gelegenheid moet worden gesteld om die waarde aan te vechten.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft geweigerd aan eiseres een voor bezwaar vatbare WOZ-beschikking te verstrekken omdat de Wet WOZ dat niet toelaat. De partner van eiseres heeft namelijk al een WOZ-beschikking voor het kalenderjaar 2015 gehad. Eiseres heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat de in de bestreden uitspraak gegeven motivering ondeugdelijk is. Volgens de heffingsambtenaar kan geen voor bezwaar vatbare beschikking voor het kalenderjaar 2015 worden afgegeven, omdat eiseres hier te laat om heeft verzocht. ”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is nog in geschil of het Hof bevoegd is de onderhavige zaak te behandelen. Bij bevestigende beantwoording van die vraag is nog in geschil of de heffingsambtenaar belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om afgifte van een waardebeschikking, met als reden dat een rechtsingang ontbreekt. Tevens is in geschil of de heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of hij de hoorplicht heeft geschonden.

3.2.

Het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar betreft de beslissing van de rechtbank om hem te veroordelen in de kosten van het geding.

4 Relevante wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis

4.1.

Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

4.2.

In de artikelen 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR; tekst geldend met ingang van 1 januari 2013) en artikel 26a AWR (tekst geldend van 1 januari 2013 tot 1 januari 2019) is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 26

1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 26a

1. In afwijking van artikel 8:1, van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:

a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;

b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of

c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt. (…)

4.3.

De artikelen 22, 24, 26, 28 en 30 Wet WOZ (tekst 2017) luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 22

1. De in artikel 1, tweede lid, bedoelde ambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen, stelt de waarde van de onroerende zaak vast bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

2. De bij de beschikking vastgestelde waarde geldt voor een kalenderjaar.

Artikel 24

1. De beschikking wordt genomen binnen acht weken na het begin van het kalenderjaar waarvoor zij geldt.

(…)

3. De bekendmaking van de beschikking geschiedt terstond door toezending aan:

a. degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;

b. degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van de beschikking mededeling gedaan aan de afnemers.

4. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, kan, indien er met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht kan worden aangewezen, bekendmaking plaatsvinden aan één van hen.

(…)

Artikel 26

1. Indien in de loop van het kalenderjaar waarvoor de waarde van een onroerende zaak is vastgesteld een ander dan degene te wiens aanzien een beschikking houdende de vaststelling van de waarde van die zaak is genomen, de hoedanigheid verkrijgt van degene, bedoeld in artikel 24, derde lid, onderdeel a of onderdeel b:

a. neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar ten aanzien van die ander binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid;

b. kan de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar ten aanzien van die ander eigener beweging een voor bezwaar vatbare beschikking nemen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid.

2. De beschikking treedt, vanaf het tijdstip waarop die ander de in het eerste lid bedoelde hoedanigheid heeft verkregen, in de plaats van de in de artikelen 22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, bedoelde beschikking.

(…)

4. Artikel 24, derde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28

1. Ten aanzien van degene die aannemelijk maakt belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak ingevolge de artikelen 22, eerste lid, 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid, en aan wie niet op de voet van de artikelen 24, derde tot en met zesde en achtste lid, 26, vierde lid, dan wel 27, derde lid, de beschikking ter zake is toegezonden, neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste lid, artikel 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid. Van een belang is sprake als het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt, en de belanghebbende door dit gebruik in zijn individuele belang kan worden geraakt.

2. De ingevolge het eerste lid genomen beschikking treedt in de plaats van de in de artikelen 22, eerste lid, 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid, bedoelde beschikking met ingang van het in het eerste lid bedoelde verzoek aan te geven tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip niet eerder kan zijn gelegen dan bij het begin van het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin dat verzoek is gedaan.

(…)

4. De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending aan degene te wiens aanzien zij is genomen.

Artikel 30

1. Met betrekking tot de waardebepaling en de waardevaststelling ingevolge de hoofdstukken III en IV zijn de artikelen 1, derde lid, 5, eerste lid, tweede volzin, 22j tot en met 30, 47, 49 tot en met 51, 52a, 53a, 54 en 56 tot en met 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing. (…)

4.4.

Bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht (geciteerde tekst geldend met ingang van 1 januari 2013) bevat – voor zover hier relevant – de volgende bepalingen:

Hoofdstuk 4. Hoger beroep (artikelen 8:105 en 8:106, eerste lid, onder a)

(…)

Artikel 12. Hoger beroep bij een gerechtshof

Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij een gerechtshof.

(…)

Algemene wet inzake rijksbelastingen: artikel 26

4.5.

In de wetsgeschiedenis van artikel 26 AWR is onder meer het volgende opgemerkt (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties, MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3, blz. 23):

“Het nieuwe artikel 26, eerste lid, komt zakelijk overeen met het huidige artikel 23 jo. artikel 26, eerste lid, Awr. Het geeft aan tegen welke fiscale besluiten beroep – en ingevolge artikel 7:1 Awb dus ook bezwaar – openstaan. (…) Ingevolge onderdeel b van het eerste lid zijn voorts voor bezwaar en beroep vatbaar in de belastingwet als zodanig aangeduide «voor bezwaar vatbare beschikkingen» (…). Voor het toepassingsbereik van de Awr zelf moet het begrip belastingwet daarbij worden opgevat in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, Awr. (…) Gelet op het toepassingsbereik van de Awr geldt artikel 26 slechts rechtstreeks voor rijksbelastingen. Doordat hoofdstuk V van de Awr echter in een aantal gevallen van overeenkomstige toepassing is verklaard, geldt de fiscale rechtsgang en in voorkomend geval het in artikel 26 neergelegde 'gesloten systeem' ook voor deze gevallen. Er behoeft dan geen sprake te zijn van een belastingwet in de zin van de Awr, omdat de Awr slechts overeenkomstig van toepassing is. Het deel van het bestuursrecht, waarvoor de in de Awr neergelegde afwijkingen van en aanvullingen op het Awb-procesrecht gelden, wordt dus afgebakend door artikel 26 in verbinding met de bijzondere wetsbepalingen die artikel 26 van overeenkomstige toepassing verklaren. Indirect (…) wordt daarmee ook het deel van het bestuursrecht afgebakend waarin hoger beroep bij het gerechtshof en beroep in cassatie bij de Hoge Raad openstaan.”

5 Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid Hof. Ingevolge de belastingwet genomen besluit? Gesloten stelsel van rechtsmiddelen

5.1.1.

De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat de weigering van de heffingsambtenaar om de gevraagde waardebeschikking te nemen geen voor bezwaar vatbare beschikking is, zodat de heffingsambtenaar de daartegen gerichte bezwaren van belanghebbende gelet op het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen (artikel 26, eerste lid, AWR) terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.1.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende primair het standpunt ingenomen dat het Hof onbevoegd is over het geschil te oordelen; de zaken dienen volgens belanghebbende te worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS). De weigering van de heffingsambtenaar om de gevraagde waardebeschikking te nemen is volgens belanghebbende namelijk een ingevolge artikel 8:1 Awb genomen besluit, waardoor de algemene bestuursrechter bevoegd is. Het belang dat is gemoeid met de ingediende verzoeken is niet een fiscaal belang; belanghebbende wenst de vastgestelde WOZ-waarde (alsnog) aan te vechten omdat deze WOZ-waarde van belang is voor de berekening van de eeuwigdurende canon in de erfpachtoverstapregeling. Belanghebbende stelt daardoor een financieel (maar niet fiscaal) belang te hebben bij een juiste vaststelling van de WOZ-waarde, waardoor volgens haar de artikelen 26 en 26a AWR – en daardoor het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – niet van toepassing zijn. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat, indien de weigering van de heffingsambtenaar moet worden aangemerkt als een ingevolge de belastingwet genomen besluit, daarvoor niet het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt.

5.1.3.

De heffingsambtenaar heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. Volgens hem is zijn weigering om de gevraagde waardebeschikking te nemen een ingevolge de belastingwet genomen besluit waarvoor op grond van artikel 26, eerste lid, AWR het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt, zodat het niet voor bezwaar vatbaar is.

5.1.4.

Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat niet het Hof, maar de ABRvS bevoegd is het hoger beroep tegen de bestreden uitspraak van de rechtbank te behandelen. In artikel 30, eerste lid, Wet WOZ is onder meer artikel 26 AWR van overeenkomstige toepassing verklaard met betrekking tot de waardebepaling en de waardevaststelling ingevolge de hoofdstukken III en IV van de Wet WOZ. Dit betekent dat door de heffingsambtenaar genomen besluiten inzake de waardebepaling en waardevaststelling ‘ingevolge de belastingwet genomen besluiten’ zijn als bedoeld in artikel 26, eerste lid, AWR (zie ook de onder 4.5 geciteerde wetsgeschiedenis). Ingevolge artikel 12 van Bijlage 2 bij de Awb is uitsluitend het (relatief competente) gerechtshof (belastingkamer) bevoegd het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent op grond van artikel 26 AWR genomen besluiten te behandelen. Het is derhalve niet vereist dat de Wet WOZ zelf een belastingwet is als bedoeld in de AWR; het van overeenkomstige toepassing verklaren van (onder andere) artikel 26 AWR leidt reeds tot het hiervoor vermelde oordeel.

5.1.5.

Het van overeenkomstige toepassing verklaren in artikel 30, eerste lid, Wet WOZ van artikel 26, eerste lid, AWR heeft bovendien tot gevolg, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dat het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen van toepassing is. Dit betekent dat het besluit van de heffingsambtenaar om het verzoek van belanghebbende tot afgifte van een waardebeschikking af te wijzen alleen dan voor bezwaar vatbaar is, indien een wettelijke bepaling in de Wet WOZ voorziet in de mogelijkheid om bezwaar te maken als dit verzoek wordt afgewezen. Dit komt hierna aan de orde in de onderdelen 5.3.1 e.v.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

5.2.1.

In haar nader stuk van 24 mei 2019 heeft belanghebbende gesteld dat een aantal door haar gespecificeerde documenten aan de gedingstukken moeten worden toegevoegd, als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 Awb; zij heeft de geheimhoudingskamer van het Hof verzocht hierover een oordeel te geven. Belanghebbende heeft de door haar bedoelde stukken als volgt in haar nader stuk omschreven:

“Hierbij [verzoekt belanghebbende] om de adviezen zoals genoemd in de brief aan de Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken [Hof: van de Wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam, met dagtekening 17 mei 2019 en met als onderwerp: ‘Mogelijke uitbreiding van de Tegemoetkomingsregeling canonverhoging in plaats van het uitwerken van een Vangnetregeling en motie 800’] met (…) kenmerk 2019-3417, namelijk:

 Het advies van de Directie Middelen en Control (DMC)

 Advies Autoriteit Financiële Markten (AFM) t.a.v. uitgestelde betaling canonverhoging zich verdraagt met wettelijke bepalingen;

 Stukken onderliggend zoals adviezen, brieven, notities etc., hoe ook genaamd niets uitgezonderd van de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVn);

 Stukken onderliggend zoals adviezen, brieven, notities etc., hoe ook genaamd niets uitgezonderd van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud).”

5.2.2.

Bij brief van 27 mei 2019 heeft het hof de gemachtigde bericht dat deze tijdens de zitting van 4 juni 2019 in de gelegenheid zal worden gesteld het standpunt dat de door belanghebbende genoemde stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 Awb, nader toe te lichten, dat het Hof hierover vervolgens een beslissing zal nemen en dat deze beslissing zal worden genomen door de kamer die de hoofdzaak behandelt. Tijdens de zitting van 4 juni 2019 heeft belanghebbende haar standpunt nader toegelicht. Volgens haar behoren de onder 5.2.1 vermelde stukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat het voor een adequate beoordeling van de vraag of aan belanghebbende alsnog de door haar gevraagde waardebeschikking moet worden afgegeven, eventueel met doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, noodzakelijk is dat het Hof het volledige dossier kan bestuderen. Volgens belanghebbende wordt met de door de gemeente Amsterdam vastgestelde erfpachtoverstapregeling een inbreuk gemaakt op hun eigendomsgrondrecht als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol EVRM (hierna: EP) en is het voor de beoordeling van onder andere deze stelling noodzakelijk over alle relevante stukken te beschikken. Een juiste vaststelling van de WOZ-waarde van eerdere jaren is van belang, omdat de canon voor een (tussentijdse) overstap wordt bepaald conform het beleid Grondwaardebepaling 2017, waarbij als vertrekpunt de laagste WOZ-waarde van ofwel peildatum 1 januari 2014 ofwel 1 januari 2015 geldt. Belanghebbende heeft door middel van een Wob-verzoek aan de gemeente Amsterdam gevraagd de onder 5.2.1 vermelde stukken vrij te geven; zij verwacht dat daarop binnen enkele weken na afloop van de zitting zal worden beslist.

5.2.3.

Tijdens de zitting van 4 juni 2019 heeft belanghebbende het Hof bovendien verzocht om de heffingsambtenaar te gelasten de stukken over te leggen (spreadsheets) die betrekking hebben op de door de heffingsambtenaar ter zitting vermelde ambtshalve toetsing of de oorspronkelijk vastgestelde WOZ-waarden niet te hoog zijn; de heffingsambtenaar heeft ter zitting namelijk medegedeeld dat recentelijk nogmaals ambtshalve is getoetst of deze waarden niet te hoog zijn vastgesteld en dat daarbij is geconstateerd dat in een aantal gevallen de WOZ-waarde hooguit enkele procenten te hoog is vastgesteld, hetgeen – vanwege het geldende beleid van de gemeente Amsterdam inzake ambtshalve vermindering – niet noodzaakt tot het alsnog (ambtshalve) verlagen van de oorspronkelijke beschikkingen. Volgens belanghebbende heeft ook een verlaging van de WOZ-waarde met enkele procenten potentieel aanzienlijke financiële consequenties voor de berekening van onder meer de afkoopwaarde in de erfpachtoverstapregeling. Daarom dienen ook de stukken die op deze ambtshalve toetsing betrekking hebben in de onderhavige zaken te worden overgelegd, aangezien zij op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, zo stelt belanghebbende.

5.2.4.

De heffingsambtenaar heeft betwist dat de door belanghebbende genoemde stukken op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Deze onder 5.2.1 vermelde stukken zijn wellicht relevant voor een eventueel te voeren procedure voor de civiele rechter over de inhoud van de erfpachtoverstapregeling, maar zij hebben geen relevantie voor de onderhavige zaken, waarin tussen partijen louter in geschil is of de heffingsambtenaar terecht heeft geweigerd de door belanghebbende gevraagde waardebeschikking af te geven. Ook de onder 5.2.3 vermelde stukken zijn hiervoor niet relevant; die stukken worden pas van belang indien het Hof zou beslissen dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende alsnog een voor bezwaar vatbare waardebeschikking dient te verstrekken. Belanghebbende zou daar dan bezwaar tegen kunnen maken en in de dan te voeren procedure over de vast te stellen waarde zouden de genoemde stukken een rol kunnen spelen. In de onderhavige procedures zijn de door belanghebbende vermelde stukken evenwel niet van belang voor enige te nemen beslissing; bij zijn besluitvorming in de onderhavige zaken hebben de genoemde stukken dan ook geen enkele rol gespeeld, aldus de heffingsambtenaar.

5.2.5.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 8:42 Awb en de over deze bepaling gewezen jurisprudentie volgt dat - behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht - dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (zie onder meer HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129). De in artikel 8:42 Awb opgenomen verplichting tot overlegging van stukken strekt zich ook uit tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164). De beoordeling of de inhoud van het betreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud. Dit neemt niet weg dat de rechter onder omstandigheden ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest) (zie HR 15 november 2013, ECLI:NL: HR:2013:1129, BNB 2014/28).

5.2.6.

Met inachtneming van het onder 5.2.5 vermelde toetsingskader is het Hof van oordeel dat de door belanghebbende genoemde stukken, zoals vermeld onder 5.2.1 en 5.2.3, geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 Awb, aangezien zij niet van enig belang voor de besluitvorming kunnen zijn. Deze beslissing is wat betreft de onder 5.2.1 vermelde stukken reeds ter zitting aan partijen medegedeeld. In de onderhavige procedures is immers in geschil of aan belanghebbende een rechtsingang dient te worden geboden om de eerder bij beschikking vastgestelde WOZ-waarden alsnog inhoudelijk aan te vechten. Voor de beoordeling van dit geschilpunt zijn de onder 5.2.1 vermelde stukken niet relevant; belanghebbende heeft dit in elk geval onvoldoende gemotiveerd gesteld. Deze stukken hebben immers blijkens hun omschrijving betrekking op de inhoud van de door de gemeente Amsterdam vastgestelde erfpachtoverstapregeling en de adviezen en afwegingen daarbij. Voor de beantwoording van de vraag of alsnog een rechtsingang moet worden geboden vanwege een door belanghebbende gestelde schending van artikel 1 EP kunnen de genoemde stukken niet van belang zijn (geweest). Bij de beoordeling van dit geschilpunt gaat het om de vraag - zoals hieronder (in 5.4.1 tot en met 5.4.8) nader wordt gemotiveerd - of artikel 1 EP noopt tot het bieden van aanvullende procedurele waarborgen en staan de inhoudelijke merites van de erfpachtoverstapregeling niet ter beoordeling van de belastingrechter; uitsluitend de civiele rechter is ter zake bevoegd. Ook de onder 5.2.3 vermelde stukken kunnen niet van belang zijn voor de besluitvorming in de voorliggende zaken; de heffingsambtenaar heeft terecht gesteld dat deze stukken enkel een rol zouden kunnen spelen in een andere (toekomstige) zaak, namelijk in de eventueel te voeren bezwaarprocedure indien het Hof zou beslissen dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende alsnog een voor bezwaar vatbare waardebeschikking dient te verstrekken.

5.2.7.

Aan een beoordeling van de door belanghebbende opgeworpen vraag of met betrekking tot de onder 5.2.1 vermelde stukken eventueel een beroep op artikel 8:29 Awb kan worden gedaan, komt het Hof niet toe.

5.2.8.

Voor zover belanghebbende met haar toelichting ter zitting inzake de onder 5.2.1 vermelde stukken het Hof heeft willen verzoeken om aanhouding van het onderzoek ter zitting, teneinde deze stukken alsnog te kunnen overleggen zodra deze aan belanghebbende ter beschikking zijn gekomen, passeert het Hof dit bewijsaanbod. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de bedoelde stukken niet relevant voor enige te nemen beslissing in de onderhavige procedure. Het Hof heeft het onderzoek dan ook aan het slot van de zitting gesloten en heeft in het verzoek van belanghebbende geen aanleiding gezien tot heropening van het onderzoek.

Beroep op artikel 28 Wet WOZ

5.3.1.

Aan belanghebbende is, hoewel zij daarom heeft verzocht, voor het jaar 2015 door de heffingsambtenaar geen waardebeschikking gegeven. Het standpunt van belanghebbende luidt dat zij als medebelanghebbende in de zin van artikel 28, eerste lid, Wet WOZ, nu zij daartoe een verzoek heeft gedaan voor het jaar 2015, recht heeft op een waardebeschikking voor dat jaar. Aan het recht op een nieuwe waardebeschikking staat niet in de weg het tweede lid van artikel 28 Wet WOZ, maar zo dat wel het geval is bestaat toch recht op een nieuwe waardebeschikking omdat sprake is van een nieuw rechtsfeit, te weten de keuze die aan belanghebbende is gegeven om over te kunnen stappen van voortdurende naar eeuwigdurende erfpacht, omdat aan beide erfpachtregelingen de WOZ-waarde ten grondslag ligt. Belanghebbenden wijzen in dat verband op de conclusie van de A-G bij de Hoge Raad in zaak 18/00459, ECLI:NL:PHR:2018:931, punt 10. Er is sprake van een nieuw rechtsfeit, omdat de overstapregeling pas in 2017 bekend is gemaakt en niet al in de jaren 2015 en 2016. Omdat de heffingsambtenaar hieraan voorbij is gegaan en geen nieuwe beschikkingen heeft gegeven, is sprake van strijd met artikel 1 EP.

5.3.2.

De heffingsambtenaar heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist.

5.3.3.

Ten aanzien van het beroep van belanghebbende op artikel 28 Wet WOZ om afgifte van een waardebeschikking overweegt het Hof als volgt. Vast staat dat voor de onroerende zaken reeds een waardebeschikking voor het jaar 2015 op grond van artikel 22 Wet WOZ is gegeven aan anderen dan belanghebbende, en dat die anderen aan het begin van het kalenderjaar krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hadden van de onroerende zaak dan wel die onroerende zaak op grond van genoemde rechten gebruikten. Daarvan uitgaande kon de heffingsambtenaar op grond van artikel 22, vierde lid, dan wel zesde lid, Wet WOZ volstaan met bekendmaking van de waardebeschikkingen aan die anderen. Een dergelijke waardebeschikking kan in beginsel en onder daartoe gestelde voorwaarden wel worden gegeven op grond van artikel 28, eerste lid, Wet WOZ, waar belanghebbende een beroep op doet. In dat verband stelt het Hof voorop dat artikel 28, tweede lid, Wet WOZ behelst dat de op grond van deze bepaling gegeven waardebeschikking in de plaatst treedt van de op grond van – onder meer – artikel 22, eerste lid, Wet WOZ gegeven beschikking met ingang van het in het verzoek aan te geven tijdstip. Daarbij is evenwel bepaald dat het hier bedoelde tijdstip niet eerder kan zijn gelegen dan bij het begin van het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin dat verzoek is gedaan. Aangezien het verzoek van belanghebbende om een beschikking is gedaan na 2016, zou een op haar verzoek gegeven waardebeschikking niet in de plaats kunnen komen van de in artikel 22, eerste lid, Wet WOZ voor het jaar 2015 gegeven waardebeschikking. Reeds op die grond heeft de heffingsambtenaar terecht kunnen concluderen dat hij niet op grond van artikel 28 Wet WOZ aan het verzoek van belanghebbende tegemoet kon komen. Het Hof merkt ter zake op dat, gelet op het tijdstip waarop zij op de voet van artikel 28 om de afgifte van een waardebeschikking heeft verzocht, belanghebbenden nog wel in aanmerking komt voor een waardebeschikking voor het jaar 2016. Ter zitting is komen vast te staan dat belanghebbende separaat heeft verzocht om de afgifte van een beschikking voor het jaar 2016 en dat deze ook aan haar is verleend, zodat uitsluitend in geschil is of de heffingsambtenaar ook voor het jaar 2015 een dergelijke beschikking had dienen af te geven.

5.3.4.

Artikel 28 voorziet er niet in dat tegen de niet-afgifte van de gevraagde medebelanghebbendebeschikking bezwaar (en beroep) kan worden ingesteld, immers de beschikking is niet aangewezen als voor bezwaar vatbaar. Weliswaar is in artikel 28, eerste lid, Wet WOZ erin voorzien dat “de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking [neemt] als bedoeld in artikel 22, eerste lid, artikel 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid”, echter de hier bedoelde voor bezwaar vatbare waardebeschikking behoeft pas te worden genomen door de heffingsambtenaar nadat is voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden; zoals hiervoor is overwogen wordt reeds aan één van die voorwaarden door belanghebbende niet voldaan, te weten, het tijdig aanvragen van de beschikking voor het jaar 2015. De heffingsambtenaar heeft dan ook terecht geconcludeerd dat tegen het niet-afgeven van een medebelanghebbendebeschikking op grond van artikel 28 Wet WOZ geen bezwaar kan worden ingesteld.

Schending van artikel 1 EP

5.4.1.

Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat, indien de Wet WOZ aan haar geen recht geeft op een nieuwe waardebeschikking, die waardebeschikking desondanks moet worden gegeven, op grond van het bepaalde in artikel 1 EP. Belanghebbende wijst daartoe op een noot van P.G.M. Jansen onder het arrest HR 11 april 2014, 13/04507, ECLI:NL:HR:2014:835, BNB 2014/195. Daarbij wijst zij tevens op de conclusie van A-G IJzerman (ECLI:NL:PHR:2015:361) bij het arrest HR 19 juni 2015, 14/02230, ECLI:NL:HR:2015: 1668, BNB 2015/220. Daarnaast stelt belanghebbende zich op het standpunt dat sprake is van de aantasting van het recht op het ongestoord genot van haar eigendom, welke aantasting vergezeld moet gaan van een procedurele garantie tot de effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel. Dit brengt met zich, aldus nog steeds belanghebbende, dat artikelen in de Wet WOZ, zoals artikel 26 en 28 Wet WOZ, die verhinderen dat in de onderhavige gevallen een beschikking kan worden verstrekt, buiten toepassing moeten worden gelaten. Voorts wijst belanghebbende in verband met het eigendomsgrondrecht van artikel 1 EP in verhouding tot de WOZ-waarde op EHRM 24 juni 2003, nr. 44 277/98, r.o. 35, Stretch/Verenigd Koninkrijk. Bij de vraag of sprake is van een schending van artikel 1 EP dient volgens belanghebbende te worden meegewogen:

  1. de financiële positie van de erfpachters;

  2. de maatschappelijke positie van partijen;

  3. de zwakkere positie van de particuliere erfpachter ten opzichte van de gemeente.

Nu daar geen rekening mee is gehouden, is volgens belanghebbende geen sprake van een fair balance tussen de belangen van de bloot eigenaar en de erfpachter. Belanghebbende heeft voorts nog gewezen op de wetsgeschiedenis, meer in het bijzonder op Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, pag. 19:

“Het is, zo zijn wij van mening, uit een oogpunt van rechtsbescherming noodzakelijk dat een ieder die de gevolgen ondervindt van een met betrekking tot de desbetreffende onroerende zaak genomen beslissing voor de belastingheffing te zijnen aanzien, de mogelijkheid wordt geboden tegen de waardebeschikking bezwaar en beroep aan te tekenen.”

5.4.2.

De inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist.

5.4.3.

Artikel 1 EP luidt als volgt:

1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

2. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

5.4.4.

De rechtbank heeft ten aanzien van de beroepsgrond van belanghebbende dat artikel 1 EP is geschonden het volgende overwogen:

“4.2. Op grond van artikel 1 van het EP heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom en zal aan niemand zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP worden beschouwd rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen. Op grond van artikel 13 van het EVRM heeft eenieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

4.3.

In zijn arrest van 22 oktober 20107 [voetnoot 7 rechtbank: ECLI:NL:HR:2010:BL1943.] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 1 van het EP meebrengt dat elke maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, waaronder de heffing van belasting, vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel. Een maatregel die niet aan deze primaire eis voldoet, kan niet worden aangemerkt als "lawful" in de zin van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en is daardoor in strijd met het EP. De vraag of er voldoende procedurele waarborgen zijn, is dus pas relevant als er sprake is van strijd met artikel 1 van het EP.

4.4.

De rechtbank oordeelt allereerst dat eiseres niet heeft uitgelegd op welke manier de heffingsambtenaar inbreuk zou hebben gemaakt op het ongestoorde genot van haar eigendom. Alleen een waardevaststelling vormt immers geen inbreuk. Voor zover eiseres vindt dat de overstapregeling een inbreuk maakt op haar eigendomsrecht, overweegt de rechtbank als volgt. Met de vaststelling van deze regeling heeft het college invulling gegeven aan de wijze waarop het zijn bevoegdheid gebruikt om erfpachtvoorwaarden vast te stellen. Dit is een privaatrechtelijke bevoegdheid. De wettelijke grondslag van deze regeling is artikel 160, eerste lid, onder e, van de Gemeentewet. Daarin staat dat het college bevoegd is tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. Een geschil daarover kan aan de civiele rechter worden voorgelegd. Gelet hierop is de civiele rechter de aangewezen rechter om te oordelen over de vraag of de overstapregeling al dan niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Een eventueel bevestigend antwoord op die vraag, kan er echter niet toe leiden dat de heffingsambtenaar alsnog een nieuwe WOZ-beschikking moet afgeven. De rechtbank verwijst in dat verband naar overweging 4.5. De bestreden uitspraak is dus niet in strijd met artikel 1 van het EP.

4.5.

Het beroep van eiseres op de wetsgeschiedenis van de Wet WOZ kan haar niet helpen. Het feit dat in een regeling van een lager overheidsorgaan, te weten de overstapregeling, een WOZ-waarde als grondslag voor een berekening wordt genomen, kan er niet toe leiden dat de Wet WOZ en de AWR, wetten in formele zin, buiten toepassing worden gelaten wat betreft de mogelijkheden om bezwaar te maken. De door eiseres genoemde rechtspraak leidt evenmin tot een ander oordeel. In geen van deze zaken was aan de orde of een lagere regeling zou moeten leiden tot het buiten toepassing laten van een wet in formele zin.

Om dezelfde reden kan ook het betoog dat er een belang is op grond van een wettelijke regeling nergens toe leiden. Dat betoog gaat ervan uit dat op grond van artikel 28 van de Wet WOZ aan eiseres een beschikking kan worden verstrekt. Onder 3. heeft de rechtbank al vastgesteld dat dit artikel niet van toepassing is op eiseres.”

5.4.5.

Het Hof acht het door de rechtbank in 4.2 en 4.3 van haar uitspraak gehanteerde toetsingskader juist. Ook het met inachtneming van dat toetsingskader gegeven oordeel van de rechtbank dat met de waardevaststelling als zodanig geen inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsgrondrecht van belanghebbende, acht het Hof juist; het maakt ook dit oordeel van de rechtbank tot het zijne. Evenals de rechtbank stelt het Hof vast dat belanghebbende de door haar gestelde inbreuk op het eigendomsgrondrecht op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat de waardevaststelling als zodanig geen inbreuk op het eigendomsgrondrecht vormt.

5.4.6.

Voor zover belanghebbende met haar standpunt over artikel 1 EP tevens beoogd heeft te stellen dat niet is voorzien in een rechtsingang tegen de oorspronkelijk gegeven waardebeschikking – zij lijkt immers in dat verband te wijzen op de door haar aangehaalde wetsgeschiedenis – mist het feitelijke grondslag. Immers artikel 22, eerste lid, artikel 26, eerste lid, onderdeel a, en artikel 28 eerste lid, Wet WOZ voorzien er expliciet in dat de heffingsambtenaar een voor bezwaar vatbare waardebeschikking geeft indien aan de voorwaarden voor afgifte van die beschikking is voldaan.

5.4.7.

Belanghebbende ontleent aan de erfpachtoverstapregeling een of meer nieuwe rechtsfeiten die zij ten grondslag legt aan de door haar gestelde aantasting van het eigendomsgrondrecht. Nog daargelaten de vraag op welke wijze deze gestelde rechtsfeiten een inbreuk vormen op het ongestoorde genot van eigendom – belanghebbende heeft haar standpunt ook op dit punt onvoldoende geconcretiseerd –, is het Hof van oordeel dat het aanbod van de overstapregeling zich bevindt in de privaatrechtelijke verhouding tussen belanghebbende en de gemeente; de gemeente (het college van B&W) heeft daarbij uitsluitend gebruik gemaakt van haar in artikel 160, eerste lid, onder e, Gemeentewet gegeven bevoegdheid. Anders dan belanghebbende meent, is ook in het kader van een geschil over de schending van artikel 1 EP dan niet de bestuursrechter bevoegd om daarover een oordeel te vellen, maar uitsluitend de civiele rechter.

5.4.8.

Dat het niet-afgeven van de door belanghebbende op grond van de artikelen 22 dan wel artikel 28 Wet WOZ verzochte waardebeschikking, geschiedt bij een niet voor bezwaar vatbare beschikking, betekent niet dat de beslissing van de heffingsambtenaar om het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren niet onderworpen zou zijn aan rechterlijke toetsing (vgl. HR 21 april 2006, 41033, ECLI:NL:HR:2006:AT3051 BNB 2006/302, r.o. 3.2). De (belasting)rechter dient namelijk – zoals in de onderhavige zaken – te toetsen of de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ten einde die toets te kunnen aanleggen zal de rechter de grondslag van het besluit van de heffingsambtenaar in zijn oordeel moeten betrekken, en moeten vaststellen of inderdaad sprake is van een ingevolge de belastingwet genomen besluit waartegen geen bezwaar openstaat (vgl. HR 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42, r.o. 4.2.5, en HR 25 november 2016, nr. 16/01414, ECLI:NL:HR:2016:2667, BNB 2017/61, r.o. 2.5.4). Ook in zoverre verwerpt het Hof het standpunt van belanghebbende dat artikel 1 EP zou zijn geschonden omdat dat niet voorzien zou zijn in een adequate rechtsgang. Voor zover belanghebbende, gegeven het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, nog heeft bedoeld te stellen dat een doeltreffende voorziening in rechte bij een onpartijdig gerecht ontbreekt, berust het op een onjuiste rechtsopvatting, aangezien voor haar de weg naar de civiele rechter openstaat (vlg HR 13 april 2018, nr. 16/02939, ECLI:NL:HR:2018:505, r.o. 2.4).

Beroep op gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel

5.5.1.

De rechtbank heeft over de vraag of de heffingsambtenaar (ondanks het vorenstaande) op grond van het gelijkheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel was gehouden (opnieuw) een WOZ-beschikking te nemen als volgt overwogen en beslist:

“4.6. Eiseres vindt verder dat haar op grond van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel een voor bezwaar vatbare beschikking moet worden verstrekt. De heffingsambtenaar heeft in een aantal vergelijkbare zaken wel een voor bezwaar vatbare waardebeschikking voor het jaar 2015 afgegeven. Zij vindt dat zij erop mocht vertrouwen dat de heffingsambtenaar dat ook in haar geval zou doen. In dat verband heeft zij een beroep gedaan op de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 juli 20168 [voetnoot 8 rechtbank: ECLI:NL:GHDHA:2016:2318.], waarin staat dat rechtens te honoreren vertrouwen niet met terugwerkende kracht kan worden beëindigd. Er is verder sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Gebleken is dat in een beperkt aantal zaken wel een waardebeschikking is verstrekt. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat dit een fout is geweest. Het is vaste jurisprudentie dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan een eenmaal gemaakte fout dient te herhalen.9[voetnoot 9 rechtbank: Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2792.] Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank overweegt allereerst dat de zaken waarin een waardebeschikking is genomen geen relatie hebben met zaken van eiseres en daarmee niet een standpuntbepaling bevatten in haar zaak. Het feit dat zij dezelfde gemachtigde heeft maakt dit niet anders. Bovendien is er geen bewuste standpuntbepaling. De heffingsambtenaar heeft in de betrokken periode een groot aantal verzoeken voor een WOZ-beschikking over 2015 en 2016 ontvangen. Zoals gezegd is slechts in een beperkt aantal van deze zaken ten onrechte een nieuwe waardebeschikking verstrekt. Daaraan kan niet het vertrouwen worden ontleend dat het standpunt van de heffingsambtenaar is dat ook in de zaak van eiseres een waardebeschikking wordt verstrekt”

5.5.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op dit punt een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze beslissing over een maakt de gronden waarop het berust tot de zijne. Hetgeen belanghebbende dienaangaande in hoger beroep heeft aangevoerd werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

Hoorplicht geschonden?

5.6.1.

Belanghebbende heeft in het door haar ingediende bezwaarschrift kenbaar gemaakt gehoord te willen worden. De heffingsambtenaar heeft in een deel van de zaken een (collectief) hoorgesprek gevoerd met de gemachtigde, naar het Hof uit de gedingstukken begrijpt op 7 december 2017, van 15.00 uur tot 17.30. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat hij hiertoe naar zijn mening onverplicht is overgegaan, louter uit praktische overwegingen, om kennis te nemen van de standpunten van de betrokken belanghebbenden en met hen daarover in gesprek te komen. Voor het resterende deel van de zaken heeft de heffingsambtenaar afgezien van het voeren van een hoorgesprek, omdat alle bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk waren, zodat de belanghebbenden ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb niet gehoord hoefden te worden. Naar ’s Hofs oordeel is deze rechtsopvatting van de heffingsambtenaar juist. Gelet op het hiervoor overwogene kon er redelijkerwijs geen twijfel bestaan over de niet-ontvankelijkheid van het ingediende bezwaar, omdat – vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – van een voor bezwaar vatbare beschikking immers geen sprake is. Mitsdien heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk geacht en kon hij, gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb, er van afzien om (de gemachtigde van) belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.

5.6.2.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep heeft willen stellen dat de heffingsambtenaar in strijd met het gelijkheidsbeginsel en/of vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door in sommige zaken wel een (collectief) hoorgesprek te houden en in andere zaken niet, verwerpt het Hof dit standpunt. De heffingsambtenaar heeft dit collectieve gesprek immers onverplicht gevoerd; de heffingsambtenaar in dergelijke gevallen niet op grond van het gelijkheidsbeginsel verplicht een dergelijk (onverplicht) gesprek ook in andere zaken te voeren. Belanghebbende met (namens) wie niet dit onverplichte hoorgesprek is gevoerd, heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij aan dit collectieve gesprek het vertrouwen konden ontlenen dat dit ook in haar zaak zou geschieden.

5.6.3.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestond er evenmin grond om belanghebbende inzage te geven in het dossier op de voet van artikel 7:4 Awb.

Incidenteel hoger beroep heffingsambtenaar

5.7.

De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende (€ 501) en hem opgedragen het betaalde griffierecht (€ 46) te vergoeden, omdat de heffingsambtenaar zijn uitspraak op bezwaar niet deugdelijk heeft gemotiveerd. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar aan de niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag gelegd dat aan belanghebbende “al een medebelanghebbende-beschikking is verstrekt voor het jaar 2015 en dat de Wet WOZ eraan in de weg staat dat opnieuw te doen”. Vast staat dat deze aan de niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag gelegde motivering onjuist is. In zijn incidenteel hoger beroep heeft de heffingsambtenaar betoogd dat een proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierechten niet aan de orde kan zijn, omdat geen sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking, zodat een fiscale rechtsgang niet mogelijk is. Het Hof volgt de heffingsambtenaar hierin niet. Ook indien een bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard is de heffingsambtenaar gehouden dit oordeel van een deugdelijke motivering te voorzien. In het ontbreken van een deugdelijke motivering kon de rechtbank aanleiding vinden om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten en hem op te dragen het betaalde griffierecht te vergoeden. Het incidenteel hoger beroep is derhalve ongegrond.

Slotsom

5.8.

Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof ziet in de omstandigheid dat belanghebbende zich heeft moeten verweren tegen het ongegrond bevonden incidenteel hoger beroep aanleiding de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot een kostenvergoeding.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (en de daarbij horende bijlage) stelt het Hof de kosten voor verleende rechtsbijstand vast op € 512 (1 punt verweerschrift (€ 512) + 1 punt verschijnen ter zitting (€ 512) x 0,5 (wegingsfactor) = € 512). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het incidenteel hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht.

7 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor de hogerberoepsprocedure ten bedrage van € 512.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter van de belastingkamer,

B.A. van Brummelen en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 11 juli 2019 in het openbaar uitgesproken.

Bij verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. R.C.H.M. Lips

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.