Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2392

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
200.215.352/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1791, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 11 september 2018. De andere vereffenaar is nu ook in het geding verschenen. De grieven tegen de toewijzing van de vordering van de advocaat op de overleden Vader van de vereffenaars falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.215.352/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 4091822 \ CV EXPL 15-3830

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juli 2019

inzake

[appellante 1] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. M. Zwennes te Amsterdam,

[appellante 2],

wonende te [woonplaats],

aan de zijde van [appellante 1] gevoegde partij,

advocaat: mr. Zwennes te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] , handelende onder de naam [X] Advocaten B.V.,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.I.R. Denz te Groenekan, gemeente De Bilt.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante 1], [appellante 2], gezamenlijk ook: [appellanten], en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 11 september 2018 een tussenarrest gewezen. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest.

Bij exploot van 15 oktober 2018 heeft [appellante 1] [appellante 2] als partij in deze procedure opgeroepen.

[appellante 2] heeft zich bij akte van 4 december 2018 als partij aan de zijde van [appellante 1] geschaard, en te kennen gegeven dat zij al hetgeen [appellante 1] naar voren heeft gebracht tot het hare maakt en zich verder refereert aan het oordeel van het hof.

2 De verdere beoordeling

2.1

Beoordeeld dient te worden of tussen [vader], de vader van [appellante 1] en

[appellante 2] (hierna: de vader), en [geïntimeerde] een rechtsgeldige overeenkomst van opdracht is gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] recht heeft op vergoeding van zijn declaraties.

2.2

[appellanten] hebben erkend dat de vader aan [geïntimeerde] heeft verzocht om rechtshulp te verlenen maar hebben bestreden dat de vader akkoord zou zijn gegaan met betaling van een uurtarief van € 250,- (exclusief BTW). Volgens [appellanten] hebben de vader en [geïntimeerde] afgesproken dat [geïntimeerde] kosteloze rechtsbijstand zou verlenen, in die zin dat hij hooguit de eigen bijdrage voor gesubsidieerde rechtsbijstand en griffierecht aan de vader in rekening zou brengen. Uit niets blijkt volgens [appellanten] wanneer en hoe tussen [geïntimeerde] en de vader een uurtarief van € 250,- zou zijn afgesproken.

2.3

Het hof overweegt het volgende. Tussen partijen is niet langer in geschil dat een overeenkomst van opdracht is gesloten die inhield dat [geïntimeerde] de vader rechtsbijstand zou verlenen. [geïntimeerde] heeft het verweer van [appellanten], dat hij zijn rechtsbijstand kosteloos zou verlenen, gemotiveerd weersproken. Aanvankelijk had [geïntimeerde] ten behoeve van de voor de vader te voeren procedures in overleg met de vader gesubsidieerde rechtsbijstand aangevraagd, welke aanvragen ook waren gehonoreerd. Nadat de eerder verstrekte toevoegingen waren ingetrokken, heeft [geïntimeerde] met de vader een uurtarief afgesproken dat hij schriftelijk heeft vastgelegd bij brief van 12 maart 2014, aldus [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft daarbij verwezen naar de door hem overgelegde schriftelijke verklaringen van de heren [naam] en [naam] die inhouden, voor zover in dit verband van belang, dat de vader na intrekking van de toevoegingen akkoord is gegaan met het in rekening brengen van de kosten van rechtsbijstand. Gelet hierop hebben [appellanten] hun verweer ook in hoger beroep niet of onvoldoende nader onderbouwd. Het hof concludeert dat ervan uitgegaan moet worden dat tussen de vader en [geïntimeerde] een uurtarief van € 250,- (exclusief BTW) is overeengekomen. De grieven I en II falen.

2.4

[appellanten] hebben voorts aangevoerd dat [geïntimeerde] verzuimd heeft om vooraf met hen te overleggen, wat van hem verwacht had mogen worden gelet op de handelingsonbekwaamheid van de vader en hun hoedanigheid van curatoren van de vader. De afspraken - voor zover tot stand gekomen - zijn daarom nietig en [geïntimeerde] kan daaraan geen rechten ontlenen. Bovendien heeft [geïntimeerde] nagelaten om vooraf een opdrachtbevestiging aan de vader te sturen. Aldus heeft [geïntimeerde] niet de voor een advocaat vereiste zorgvuldigheid betracht. Dat daardoor onduidelijk is wat door de vader en [geïntimeerde] is afgesproken, dient voor risico van [geïntimeerde] te komen. Voor zover een rechtsgeldige afspraak over een uurtarief van € 250,- tot stand is gekomen, is het niet redelijk en billijk indien hier een betalingsverplichting uit volgt, aldus [appellanten]

2.5

In casu betroffen de procedures waarin [geïntimeerde] voor de vader is opgetreden, diens verzoek tot opheffing van de curatele, een procedure tegen [appellanten] in hun hoedanigheid van curatoren van de vader in verband met een conflict over de aanvraag van een second opinion omtrent zijn geestestoestand en een klacht bij de zorginstelling waar de vader verbleef. Naar het oordeel van het hof was de vader in deze zaken zelf procesbekwaam gelet op het bepaalde in artikel 1:381 lid 6 BW, wat ook heeft te gelden voor het inschakelen van een advocaat ten behoeve van de voor het voeren van de genoemde procedures noodzakelijke rechtsbijstand. Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerde] niet gehouden was om voorafgaand aan het verlenen van rechtsbijstand voor deze zaken te overleggen met [appellanten] Dit oordeel zou anders kunnen zijn indien sprake zou zijn geweest van bijzondere omstandigheden, maar dergelijke omstandigheden hebben [appellanten] niet aangevoerd. Van nietigheid (het hof begrijpt: vernietigbaarheid) van de tussen de vader en [geïntimeerde] gemaakte afspraken is derhalve geen sprake. Dat [geïntimeerde] nagelaten heeft om vooraf een opdrachtbevestiging aan de vader te sturen en in dat opzicht onzorgvuldig zou hebben gehandeld, wat daarvan ook zij, leidt niet tot de conclusie dat geen betalingsverplichting voor de vader is ontstaan. Tussen partijen staat immers vast dat [geïntimeerde] werkzaamheden in opdracht van de vader heeft verricht. [geïntimeerde] heeft de in rekening gebrachte uren behoorlijk verantwoord en in hoger beroep zijn [appellanten] niet opgekomen tegen de hoogte van het gehanteerde uurtarief en het aantal in rekening gebrachte uren. Derhalve dienen thans [appellanten] als erfgenamen van de vader en vereffenaars van diens nalatenschap de vordering van [geïntimeerde] te voldoen. Wat betreft het beroep op (de beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid begrijpt het hof dat [appellanten] doelen op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt tot uitdrukking dat de rechter bij de toepassing van lid 2 de nodige terughoudendheid moet betrachten. Voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid is alleen plaats wanneer hetgeen uit de bewuste regel voortvloeit in concreto tot een onaanvaardbare uitkomst zou leiden. Dat die situatie zich hier voordoet, hebben [appellanten] onvoldoende toegelicht. De grieven III en IV falen eveneens.

2.6

De slotsom luidt dat de grieven van [appellanten] niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. Het hof zal [appellanten] als erfgenamen/vereffenaars van de nalatenschap van de vader veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] als erfgenamen/vereffenaars van de nalatenschap van de vader in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 716,- aan verschotten en € 1.391,- voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, H.T. van der Meer en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.