Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2362

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
23-003941-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak zware mishandeling. Noodweer. Gebrek aan bewijs wederrechtelijkheid. Getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003941-17

datum uitspraak: 1 juli 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-199494-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 juli 2015 te IJmuiden, gemeente Velsen [slachtoffer] heeft mishandeld door deze in het gezicht te stompen/slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis indien die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de onderhavige zaak is voortgekomen uit een ruzie tussen (toenmalige) vrienden in een discotheek. Het in het dossier verzamelde bewijs waaruit het hof heeft te putten, bestaat vrijwel volledig uit getuigenverklaringen van vrienden van de verdachte en de aangever. Die verklaringen zijn echter geenszins eenduidig en behelzen zelfs haaks op elkaar staande lezingen van het gebeurde. Duidelijk en onbetwist is dat de verdachte de aangever op enig moment in het gezicht heeft geslagen, waardoor die laatste aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Onduidelijk is wat er aan de bewuste klap vooraf is gegaan en of de verdachte, zoals hij heeft aangevoerd, heeft moeten handelen ter noodzakelijke verdediging van zichzelf. Bij toepassing van een louter kwantitatieve benadering van de beoordeling van de getuigenverklaringen – het hof heeft geen concrete aanwijzingen te moeten twijfelen aan de betrouwbaarheid van (één van) de getuigenverklaringen – volgt een patstelling. Immers, de aangever, diens toenmalige vriendin [naam 1] en getuige [getuige 1] verklaren dat de verdachte begon met slaan, terwijl aan de andere kant de verdachte, diens toenmalige vriendin [naam 2] en getuige [getuige 2] verklaren dat de aangever eerst uithaalde. Nu zich in het dossier ook anderszins onvoldoende aanknopingspunten bevinden om aan de ene lezing van de gebeurtenissen meer geloof te hechten dan aan de andere, dient de verdachte te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde zware mishandeling bij gebrek aan bewijs voor het wederrechtelijk karakter van het handelen van de verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.922,29. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.694,77. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.694,77 waarvan € 3.194,77 ten behoeve van materiële schade en € 2.500 ten behoeve van immateriële schade.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J. Piena en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juli 2019.

Mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M.J. Dubelaar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]