Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2360

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
23-003686-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal, aanwezig hebben cocaïne, wederspannigheid. Vrijspraak heling. Strafmotivering. Verwijdering van Top600 lijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003686-18

datum uitspraak: 1 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-684468-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 26 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een envelop (inhoudende een geldbedrag van circa 5000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.
hij op of omstreeks 26 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 5,75 gram cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.
(gevoegde zaak 706641-17) hij op of omstreeks 14 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een motorfiets heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.
(gevoegde zaak 706641-17) hij op of omstreeks 14 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant], hoofdagent van politie eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn bediening, te weten het aanhouden van verdachte, door zich los te trekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Uit het feit dat de verdachte een aantoonbaar onjuiste verklaring heeft afgelegd over het besturen van de motorfiets voorafgaand aan de aanhouding op 14 juli 2017, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de motorfiets wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de motorfiets van diefstal afkomstig was. Het dossier bevat ook geen andere bewijsmiddelen waaruit deze wetenschap of het vermoeden, ten tijde van het voorhanden krijgen van de motorfiets, kan worden afgeleid.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 26 oktober 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een envelop (inhoudende een geldbedrag van circa 5000 euro), toebehorende aan [slachtoffer].

2.
hij op 26 oktober 2017 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,75 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

4.
hij op 14 juli 2017 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant], hoofdagent van politie eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn bediening, te weten het aanhouden van verdachte, door zich los te trekken.

Hetgeen onder 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen met aftrek van voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis, en een geldboete van € 1.662,20.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft ernstige feiten gepleegd waarmee hij inbreuk heeft gemaakt op verschillende rechtsgoederen, te weten de bescherming van vermogen, de volksgezondheid en het ambtelijk gezag. Voorts blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 juni 2019 dat hij eerder ter zake van diefstal en wederspannigheid onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen hebben de verdachte kennelijk niet kunnen doordringen van de schadelijkheid van zijn handelen. Dit alles rekent het hof de verdachte aan.

Het hof slaat echter in strafmatigende zin acht op het feit dat ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte per 5 oktober 2018 van de Top600 lijst is verwijderd, nu hij niet langer voldoet aan de criteria die voor plaatsing op die lijst gelden. Het voornoemde uittreksel uit de Justitiële Documentatie bevestigt deze positieve kentering in het leven van de verdachte in die zin dat daaruit blijkt dat de verdachte sinds de pleegdatum van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde geen nieuwe misdrijven heeft gepleegd. In de op de terechtzitting in hoger beroep voorgelezen brief van de verdachte betuigt hij spijt van het handelen dat hem in jeugddetenties en –instellingen heeft doen belanden en zegt hij zich te hebben gedistantieerd van vrienden die hem en zijn handelen negatief beïnvloedden. Ondertussen zou hij weer een betere band hebben met zijn familie. Ter terechtzitting in hoger beroep is voorts gesteld dat de verdachte zijn rijbewijs heeft gehaald, dat hij klussen doet via een uitzendbureau en dat hij een vriendin heeft die hem steunt.

Gelet op de geschetste positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte, is het hof bereid de verdachte een kans te geven die ontwikkelingen voort te zetten. Aan de verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd die de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet overschrijdt, zodat de verdachte niet opnieuw zal worden gedetineerd. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf van na te melden duur opgelegd, alsmede een geldboete gelijk aan het bedrag waarop conservatoir beslag ligt. Het overige in beslag genomen geldbedrag zal aan de verdachte worden geretourneerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 180 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.662,20 (duizend zeshonderdtweeënzestig euro en twintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 16,55.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J. Piena en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juli 2019.

Mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M.J. Dubelaar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]