Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2355

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
23-004273-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen. Bewijs. Geen duidelijke en verifieerbare verklaring omtrent herkomst aangetroffen geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004273-17

datum uitspraak: 29 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-820385-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep

In eerste aanleg is de verdachte van een gedeelte van de tenlastelegging vrijgesproken, te weten voor zover die ziet op – kort gezegd – het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 79.750.

Het hof interpreteert de tenlastelegging aldus dat twee feiten (impliciet) cumulatief zijn ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van voornoemd gedeelte van de tenlastelegging.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal op grond van het bovenstaande de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven (partiële) vrijspraak ten aanzien van het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 79.750.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering zal aanvullen.

Bewijsmotivering

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat zij ten aanzien van de herkomst van het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 20.865 een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Immers heeft de schoonmoeder van de verdachte, [naam], op 23 augustus 2018 ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat zij de verdachte een geldbedrag van € 20.000 in contanten heeft toevertrouwd met het doel voor haar in Nederland een auto te kopen. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar deze verklaring over de herkomst van het geldbedrag. Het feit dat het openbaar ministerie heeft nagelaten dergelijk onderzoek te doen, dient voor zijn eigen rekening te komen. Nu niet kan worden gezegd dat niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is, dient de verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid, die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

De verdachte heeft op 4 augustus 2017 een contant geldbedrag van € 20.865 voorhanden gehad. Van dit geldbedrag is € 19.850 aangetroffen in een met plastic en tape omwikkeld pakket met 397 biljetten van € 50 en een bedrag van € 1.015 in een portemonnee (pag. 105). Gelet op het feit dat reeds het contant voorhanden hebben van dergelijke bedragen bevreemding wekt, voorts dergelijke bedragen niet uit het legale inkomen van de verdachte kunnen worden verklaard en in het bijzonder nagenoeg geheel in plastic en tape is gehuld, is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Bij de politie heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd over een alternatieve herkomst van het geld. Op zijn verzoek is ongeveer een jaar nadat het veroordelende vonnis door de rechtbank werd gewezen, zijn schoonmoeder als getuige gehoord over de herkomst van het geld. Eerst bij appelschriftuur was hierom door de verdachte verzocht.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte geen duidelijke en verifieerbare verklaring afgelegd ten aanzien van een alternatieve herkomst van het geld. Immers, door de getuige is verklaard dat zij een bedrag van € 20.000 aan de verdachte heeft gegeven voor de aankoop van een auto. Dit bedrag zou afkomstig zijn van kleine bankopnames en verzameld zijn in een periode van twee jaren. Indien de verklaring van de getuige juist zou zijn, dan zouden de bankopnames ruim € 833 per maand, zijnde niet een klein bedrag, betreffen.

Deze bankopnames zijn niet met bescheiden gestaafd, hetgeen wel voor de hand had gelegen. Voorts zijn geen gegevens verstrekt over het inkomen van de getuige en/of haar partner. Het hof betrekt daarnaast bij zijn oordeel het zeer late moment waarop de verdachte is gekomen met deze alternatieve lezing en de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen concrete informatie heeft kunnen geven over waar in Nederland, bij wie en op welke wijze hij een auto voor zijn schoonmoeder had willen kopen.

Bij deze stand van zaken was het openbaar ministerie, anders dan de verdediging van mening is, niet gehouden onderzoek te doen naar de door de verdachte gegeven alternatieve herkomst van het geld, nu deze verklaring niet concreet en min of meer verifieerbaar is, terwijl gelet op vorenstaande de verklaring over de herkomst van het geld naar het oordeel van het hof op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het ten laste gelegde medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 79.750.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P.C. Römer en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 mei 2019.

Mr. P.C. Römer en mr. S.M.M. Bordenga zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]