Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2340

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
23-001492-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Taxironselen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001492-17

datum uitspraak: 18 februari 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem van 20 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-241428-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018, 10 juli 2018, 9 oktober 2018, 2 november 2018 en 4 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op om omstreeks 10 augustus 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, op de luchthaven Schiphol in een aangewezen gebied (te weten het Jan Dellaertplein) waar een verbod geldt op het aanbieden van taxidiensten door anderen dan de bestuurder van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd wordt, taxidiensten heeft aangeboden terwijl hij niet de bestuurder was van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd zou worden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

Verzoek tot voeging stukken

Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019 heeft de verdediging – ten aanzien van alle zaken tegen de verdachte die op die dag zijn behandeld – het verzoek gedaan de getuigenverklaring die verbalisant [verbalisant 1] tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd op 2 oktober 2017 in de zaak tegen [medeverdachte] te voegen in de dossiers van de verdachte. Reden daarvoor zou zijn gelegen in het feit dat de verklaring inzicht geeft in de gebrekkigheid van de opleiding tot bijzonder opsporingsambtenaar (hierna: BOA). Zo noteren BOA’s niet altijd de gegevens van de getuigen die ze horen – waardoor aan de verdediging de mogelijkheid wordt ontnomen die getuigen zelf te bevragen – en verzorgen ze zelf de vertaling van verklaringen die in andere talen dan het Nederlands zijn afgelegd.

Ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van de onderhavige strafzaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het hof reeds op de regiezitting in deze zaak op 2 november 2018 de anonieme getuigenverklaring heeft uitgesloten van het bewijs en dat zonder die verklaring het dossier te weinig overtuigend bewijs bevat waarop een bewezenverklaring kan steunen.

Oordeel van het hof

Verzoek tot voeging stukken

Het verzoek tot het voegen van de getuigenverklaring van verbalisant [verbalisant 1] wordt afgewezen, nu de verdediging de verklaring lijkt te willen gebruiken om gebreken aan te tonen in de opleiding en werkwijze van BOA’s voor zover het gaat om het afnemen van getuigenverklaringen, en het hof op 2 november 2018 de anonieme getuigenverklaring in deze zaak heeft uitgesloten van het bewijs. Het hof acht de voeging van voornoemde verklaring in het onderhavige strafdossier derhalve niet noodzakelijk.

Ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van het bewijs overweegt het hof als volgt. Uit het proces-verbaal staandehouding d.d. 10 augustus 2016 blijkt dat de verbalisant [verbalisant 2] de verdachte – een de verbalisant ambtshalve bekende taxironselaar – klanten zag aanspreken op de officiële taxistandplaats op het Jan Dellaertplein te Schiphol Amsterdam Airport, derhalve binnen het gebied waarin ingevolge het Aanwijzingsbesluit1 een verbod geldt op het aanbieden van taxidiensten. De verdachte nam de klanten vervolgens mee naar parkeergarage P6 alwaar de verdachte de koffers van de klanten in een taxi laadde. Op p. 3 van voornoemd proces-verbaal is bovendien aangetekend dat de verdachte niet tevens de chauffeur van de taxi was. Het hof stelt voorop dat de BOA’s die op Schiphol onderhavige werkzaamheden verrichten, moeten worden geacht in voldoende mate te beschikken over de vereiste kennis, ervaring en lokale bekendheid op basis waarvan zij waarnemen en hun bevindingen dienen te verbaliseren. De door de verbalisant beschreven gedragingen van de verdachte duiden naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm op taxironselen. Bovendien heeft de verdachte geen verklaring afgelegd die de door de verbalisant omschreven gedragingen in een ander licht plaatsen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij op 10 augustus 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, op de luchthaven Schiphol in een aangewezen gebied (te weten het Jan Dellaertplein) waar een verbod geldt op het aanbieden van taxidiensten door anderen dan de bestuurder van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd wordt, taxidiensten heeft aangeboden terwijl hij niet de bestuurder was van het voertuig waarmee de beoogde taxidienst uitgevoerd zou worden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van het bij artikel 5:14E lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2016 bepaalde.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 150 subsidiair 3 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.500 subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan € 1.000 subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Ter terechtzitting van 4 februari 2019 heeft de verdediging ten aanzien van de strafmaat bepleit dat een (veel) lagere geldboete zou moeten worden opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd. De verdediging heeft zich daarbij beroepen op het afnemende strafnut gelet op de periode die is verstreken sinds de pleegdatum, het gebrek aan draagkracht van de verdachte nu zijn taxibedrijf bijna failliet is en de vergaande consequenties die de veroordeling van de verdachte ook voor het overige zullen hebben, zoals het verlies van zijn baan en daarmee zijn broodwinning. Bovendien heeft de verdediging aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit niet of niet geheel is te wijten aan verzoeken die de verdediging in de loop van het proces heeft gedaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanbieden van taxidiensten in een door de burgemeester aangewezen verbodsgebied. Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de ernstige ordeverstoringen die door aanbieders van taxidiensten op en rondom Schiphol, door het op intimiderende en/of agressieve wijze aanbieden van deze diensten aan passanten, worden veroorzaakt. Daarnaast worden de taxichauffeurs die artikel 5:14E van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2016 wel in acht nemen door het gedrag van de verdachte financieel benadeeld. Daarbij komt dat de verdachte – blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 januari 2019 – recidivist is op het gebied van taxironselen en dat het hof bovendien op 18 februari 2019 arrest wijst in nogmaals een veelvoud van zaken tegen de verdachte die allen het taxironselen betreffen. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte zich kennelijk niet wenst te conformeren aan de geldende regelgeving. Dit neemt het hof hem zeer kwalijk.

Alles afwegende acht het hof in beginsel een geldboete van € 1.500 waarvan € 750 voorwaardelijk passend en geboden. Echter, het hof zal rekening houden met het feit dat de verdachte in een veelvoud van zaken, die allen dezelfde problematiek betreffen, wordt veroordeeld en bestraft. Rekening houdend met de draagkracht van de verdachte, zal het hof aansluiting zoeken bij de vordering van het openbaar ministerie en in de onderhavige zaak een groter gedeelte van de geldboete voorwaardelijk opleggen. Ook ziet het hof in de financiële situatie van de verdachte aanleiding toe te staan dat de boete in gedeelten wordt voldaan. Tot slot constateert het hof – anders dan door de verdediging is bepleit – dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in de onderhavige zaak noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, is overschreden nu het feit is gepleegd en de verdachte is gehoord op 9 september 2016, de kantonrechter op 20 april 2017 vonnis heeft gewezen en het hof op 18 februari 2019 arrest wijst. Uitgaande van een tijdsverloop van twee jaren per rechterlijke instantie blijft de berechting van deze zaak ruim binnen de redelijke termijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 5:14E en 6:1 van Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2016 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 2 (twee) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2019.

mr. J.D.L. Nuis en mr. R.P. den Otter zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

.

1 Nota van de Burgemeester: Aanwijzing verbodsgebied aanbieden taxidiensten Schiphol op basis van artikel 5:14E Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2016 en het Besluit aanwijzing verbodsgebied aanbieden taxidiensten Schiphol en de kaart van het gebied.