Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2260

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
200.250.478/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:2261
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:2258
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag ex artikel 1:266 lid 1 BW. Beoordeling subsidiair verzochte omgangs- en informatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.250.478/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/648533 FARK 18/3349A

Beschikking van de meervoudige familiekamer van 2 juli 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden betreffende de minderjarige [kind C] zijn aangemerkt:

- [kind C] (hierna: [kind C] );

- [X] , zijnde vader van [kind C] (hierna: de vader van [kind C] );

- [pleegmoeder] , zijnde de oudtante moederszijde en pleegmoeder van [kind C] en [kind E] (hierna: de pleegmoeder van [kind C] en [kind E] );

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de gecertificeerde instelling, GI).

Als belanghebbenden betreffende de minderjarige [kind D] zijn aangemerkt:

- [kind D] (hierna: [kind D] );

- [Y] , zijnde de vader van [kind D] (hierna: de vader van [kind D] );

- [pleegvader] , zijnde de opa vaderszijde en pleegvader van [kind D] (hierna: de pleegvader van [kind D] );

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de gecertificeerde instelling, GI).

Als belanghebbenden betreffende de minderjarige [kind E] Jenny van Buren zijn aangemerkt:

- [kind E] (hierna: [kind E] );

- pleegmoeder van [kind C] en [kind E] ;

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de gecertificeerde instelling, GI).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 29 november 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 augustus 2018.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een faxbericht van de zijde van de moeder van 4 maart 2019 met bijlagen (producties 3 t/m 6), ingekomen op dezelfde datum.

2.3

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met de minderjarige [kind C] gesproken.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 14 maart 2019 plaatsgevonden.

Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. Benjamin;

- de gezinsmanager en gedragswetenschapper namens de GI.

2.5

De vader van [kind C] , de vader van [kind D] , de pleegouder van [kind C] en [kind E] en de pleegouder van [kind D] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.6

De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling kort en zakelijk mededeling gedaan van de inhoud van het gesprek met [kind C] , als volgt. [kind C] heeft gezegd dat zij het fijn heeft bij haar pleegmoeder en bij haar wil blijven, ze heeft aangegeven hoe vaak ze haar moeder wil zien en ze wil liever niet dat haar moeder het gezag over haar heeft.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder zijn geboren:

- [kind C] [in] 2006 te [geboorteplaats 1] ;

- [kind D] [in] 2008 te [geboorteplaats 1] ;

- [kind E] [in] 2012 te [geboorteplaats 2] .

De heer [X] (hierna: [X] ) is de biologische vader van [kind C] . Hij oefent gezamenlijk met de moeder het gezag uit over [kind C] , maar is sinds 2011 niet meer in beeld. De heer [Y] (hierna: [Y] ) is de biologische vader van [kind D] . Hij oefent gezamenlijk met de moeder het gezag uit over [kind D] . De moeder oefent alleen het gezag uit over [kind E] .

3.2

Op 6 juni 2016 zijn [kind C] , [kind D] en [kind E] onder toezicht gesteld van de GI, welke ondertoezichtstelling nadien is verlengd. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn zij met spoed uit huis geplaatst, welke machtiging nadien is gehandhaafd en verlengd.

3.3

De raad heeft op 23 februari 2018 een rapport uitgebracht naar aanleiding van onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel voor [kind C] , [kind D] en [kind E] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking is, voor zover thans van belang, het ouderlijk gezag van de moeder over [kind C] , [kind D] en [kind E] beëindigd en is de GI belast met de uitoefening van de voogdij over [kind C] en [kind E] . Voorts is bepaald dat de GI gehouden is de moeder zes keer per jaar en in geval van speciale gebeurtenissen vaker, schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [kind C] , [kind D] en [kind E] .

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair het inleidend verzoek van de raad af te wijzen en subsidiair een deskundigenonderzoek ex artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering te gelasten. Meer subsidiair verzoekt de moeder, in geval van bekrachtiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat zij eenmaal per veertien dagen dient te worden geïnformeerd omtrent gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon en het vermogen van [kind C] , [kind D] en [kind E] dan wel eenmaal per maand dient te worden geïnformeerd dan wel een regeling zoals het hof juist acht. Voorts verzoekt zij in dat geval een omgangsregeling tussen haar en [kind C] , [kind D] en [kind E] te bepalen van eenmaal per veertien dagen een weekend dan wel een regeling zoals het hof juist acht.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

gezag

5.1

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0002656/2016-07-01), in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt.

5.2

De moeder stelt – kort en zakelijk samengevat – dat zowel op grond van nationale als internationale regelgeving niet is voldaan aan de gronden tot beëindiging van het gezag. Zo is de aanvaardbare termijn nog niet verstreken, is zij aantoonbaar leerbaar en werkt zij goed samen met hulpverlening. De samenwerking met haar is echter onvoldoende benut. Een deskundigenonderzoek zou haar in staat stellen weerwoord te bieden aan hetgeen de raad heeft aangevoerd over de noodzaak van de maatregel. Daarnaast is het opmerkelijk dat voor de heer [Y] , de vader van [kind D] , geen gezagsbeëindigende maatregel is verzocht. Onduidelijk is waarom dit voor haar wel nodig zou zijn, temeer nu zij begrijpt dat terugplaatsing van [kind C] , [kind D] en [kind E] bij haar onmogelijk is, aldus de moeder.

5.3

De Raad stelt dat de rechtbank terecht het gezag heeft beëindigd van de moeder over [kind C] , [kind D] en [kind E] . Onder verwijzing naar het rapport van 23 februari 2018 voert de raad ter zitting – kort en zakelijk samengevat – aan dat met name [kind C] en [kind D] veel hebben meegemaakt voor wat betreft huiselijk geweld. [kind C] , [kind D] en [kind E] hebben het goed in hun huidige (pleeg)gezinnen en zij hebben recht op voorspelbaarheid en de duidelijkheid dat hun toekomstperspectief niet bij de moeder is, aldus de raad.

5.4

De GI deelt het standpunt van de Raad en voert ter zitting – kort en zakelijk samengevat – aan dat er in verband met de continue strijd veel wisselingen in het contact met de moeder is geweest.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier, waaronder het raadsrapport van 23 februari 2018, en het verhandelde ter zitting is het volgende naar voren gekomen. [kind C] , [kind D] en [kind E] zijn jarenlang blootgesteld aan huiselijk geweld gedurende de relatie tussen de moeder en [Y] , die in februari 2016 is beëindigd. Sinds 2015 heeft de moeder een meermalen beëindigde relatie met [Z] (hierna: [Z] ), met wie zij twee kinderen, [kind A] en [kind B] heeft gekregen. Ook binnen deze relatie is sprake geweest van huiselijk geweld in bijzijn van en wellicht ook gericht op [kind C] , [kind D] en [kind E] . Ze zijn tevens getuige geweest van een geweldsincident tussen [Y] en [Z] in 2016. Daarnaast is gebleken dat de moeder in de afgelopen jaren meermalen kort- dan wel langdurig fysiek niet beschikbaar is geweest voor haar kinderen in verband met detentie. Ze heeft onder meer een periode van twee jaar (van september 2012 tot september 2014) gedetineerd gezeten, in welke periode [kind E] is geboren. Er waren ernstige zorgen dat ze vanwege haar persoonlijke problematiek – naast haar fysieke afwezigheid in verband met detentie - emotioneel niet beschikbaar was voor de kinderen. Volgens [Z] had de moeder grote schulden, gebruikte ze drugs en prostitueerde zij zich.

5.6

Reeds vanaf 2011 is vrijwillige hulpverlening ingezet voor de moeder, [Y] en de oudste kinderen. Later is [Z] erbij betrokken. De inzet van vrijwillige hulpverlening heeft evenwel niet geleid tot verbetering van de thuissituatie voor de kinderen. De buren hebben meermalen meldingen van overlast gedaan omdat zij veel geschreeuw hoorden en gehuil van kinderen. De moeder werkte niet goed mee aan de benodigde steun en hulpverlening voor de kinderen. Zo heeft geïndiceerde zorg voor [kind C] , die epilepsie heeft in de vorm van absences, lange tijd niet plaatsgevonden omdat de moeder zich niet tot een arts wendde. Er waren grote zorgen over de emotieregulatie van de moeder en haar verbaal agressieve houding. Vanuit hulpverleningsinstanties werd geconstateerd dat de moeder geen inzicht lijkt te hebben in haar eigen handelen en de gevolgen die dit heeft op de kinderen. Er waren grote zorgen over [kind C] , [kind D] en [kind E] . Zo liep de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind C] vast en ondervond zij problemen op school. De school van [kind D] heeft zorgen geuit over zijn boze buien. [kind E] vertoonde gedragsproblemen en sloot zich in een onveilige situatie af voor prikkels zodra er spanning ontstond.

5.7

Bij beschikking van 6 juni 2016 zijn [kind C] , [kind D] en [kind E] onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. [kind C] en [kind E] wonen bij hun pleegmoeder, zijnde een oudtante moederszijde. [kind D] woont sinds december 2016 bij de pleegvader, zijnde de vader van [Y] . [Y] woont zeer nabij en is betrokken bij de dagelijkse zorg voor [kind D] . [kind C] en [kind E] ervaren [Y] als hun vader en zijn regelmatig bij [kind D] . De twee jongste kinderen van de moeder, [kind A] en [kind B] , zijn eveneens onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ook ten aanzien van hen heeft de raad verzocht om beëindiging van het gezag van de moeder, welk verzoek afzonderlijk is behandeld.

5.8

Begeleide bezoeken tussen de moeder en [kind C] , [kind D] en [kind E] zijn meerdere keren uit veiligheidsoverwegingen stopgezet omdat de moeder zich bedreigend en intimiderend uitliet. Daardoor en vanwege haar detentie heeft de moeder gedurende langere tijd geen contact gehad met de kinderen. Uit de in hoger beroep overgelegde stukken komt een positiever beeld ten aanzien van de moeder naar voren. Zo staat in het verslag uitvoerdersoverleg van 12 november 2018 dat de moeder begeleidbaar en leerbaar is in de opvoeding en dat zij haar tempo aanpast aan dat van de kinderen.

Blijkens mededeling van de pleegzorgbegeleider ter zitting in hoger beroep zijn de bezoeken echter recentelijk wederom stopgezet in verband met door de moeder naar jeugdzorg geuite bedreigingen. De huidige bezoekfrequentie is eenmaal in de drie maanden. Bekeken wordt of dit dient te worden aangepast zodat de frequentie voor alle kinderen, dus ook [kind A] en [kind B] hetzelfde is, aldus de pleegzorgbegeleider ter zitting.

5.9

Er is niet alleen sprake van strijd tussen de moeder en de GI, maar ook, zoals reeds onder rechtsoverweging 5.5 overwogen, in de relatie tussen de moeder en [Z] . In het verleden is tussen hen sprake geweest van huiselijk geweld en is hun relatie meerdere keren tussentijds verbroken. De spanningen tussen hen die hebben geleid tot de uithuisplaatsing van [kind B] in juli 2017 zijn nadien verder opgelopen en hebben geresulteerd in een geweldsincident op 4 september 2017. De moeder heeft [Z] daarbij gestoken en heeft vanwege dit strafbare feit tot 7 november 2018 gedetineerd gezeten. De relatie is toen verbroken. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep hebben de moeder en [Z] hun relatie evenwel thans weer hervat en wonen zij samen. Deze prille ontwikkeling kan, naar het oordeel van het hof, gelet op de turbulente en zorgelijke voorgeschiedenis van verbale en fysieke agressie nog geenszins de conclusie dragen dat de moeder een stabiele, veilige thuissituatie kan bieden.

5.10

Het hof is van oordeel dat voorgaande omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormen voor [kind C] , [kind D] en [kind E] .

5.11

Het hof is voorts van oordeel dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [kind C] , [kind D] en [kind E] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de thans dertienjarige [kind C] , elfjarige [kind D] en zesjarige [kind E] inmiddels enkele jaren bij hun pleegouder verblijven. Blijkens het raadsrapport hebben ze alle drie baat (gehad) bij hulpverlening vanuit de Bascule. Het gaat goed met hen en zij reageren goed op de regels en structuur binnen hun pleeggezin, laten zich troosten en begeleiden door hun pleegouder en hun schoolgang is goed. De pleegouders hebben goed contact met de GI, aldus het rapport. Blijkens het verslag uitvoerdersoverleg van 29 november 2018 zijn er wel nog zorgen over de agressie van [kind D] naar [kind C] toe en over de vraag of de pleegvader en [Y] hun eigen emoties met betrekking tot de moeder opzij kunnen zetten in het belang van [kind D] door niet negatief over haar te praten. Het hof overweegt dat voormelde zorg onverlet laat dat het toekomstperspectief van [kind C] , [kind D] en [kind E] niet meer bij de moeder ligt, zoals ter zitting ook door haar is onderkend. De kinderbeschermingsmaatregelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dragen naar hun aard een tijdelijk karakter. De huidige stand van zaken verzet zich dan ook tegen het laten voortduren van die kinderbeschermingsmaatregelen. Dat ten aanzien van [Y] geen gezagsbeëindigende maatregel is verzocht maakt dat niet anders, nu, gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.7 heeft overwogen, zijn relatie tot de kinderen een andere is. [kind C] , [kind D] en [kind E] hebben ook op grond van de artikelen 3 en 20 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) recht op duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief, dat gezien de huidige situatie bij hun pleegouders ligt, en op een ongestoorde hechting aan en ontwikkeling bij hun pleegouders. Naar het oordeel van het hof weegt hun belang bij stabiliteit in hun huidige opvoedingssituatie, bij duidelijkheid over hun toekomstperspectief en bij voortzetting van een ongestoord hechtingsproces zwaarder dan het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven. Het hof overweegt daarnaast dat beëindiging van gezag van de moeder zal zorgen voor rust en duidelijkheid en aldus hopelijk zal bijdragen aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep heeft dit punt de serieuze aandacht van de GI.

5.12

Gelet op het voorgaande verzet het belang van de kinderen zich tegen het gelasten van een deskundigenonderzoek op de voet van artikel 810a lid 2 Rv, zoals de moeder subsidiair heeft verzocht. Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden die tot de uithuisplaatsingen hebben geleid en uit hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen blijkt een langdurige en ook nog recente gezinssituatie met geweld, detentie en een gebrekkige samenwerking met de hulpverlening. [kind C] , [kind D] en [kind E] zijn hier, toen zij nog thuis woonden, getuige van geweest en mogelijk is het geweld ook tegen hen gericht geweest. Zij hebben derhalve een belaste voorgeschiedenis. Het gaat goed met de kinderen bij hun huidige (pleeg)gezinnen. Tegen deze achtergrond dient er thans voor de kinderen duidelijkheid te komen ten aanzien van hun opvoedingsperspectief dat niet meer bij de moeder van de kinderen ligt. Daarbij komt dat het hof, gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in de stellingen van de moeder onvoldoende aanknopingspunten heeft aangetroffen voor het oordeel dat een deskundigenonderzoek nog ter zake dienend is en mede tot een beslissing van de zaak kan leiden. Het hof wijst dit verzoek van de moeder af.

5.13

Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het gezag van de moeder over [kind C] , [kind D] en [kind E] heeft beëindigd en de GI tot voogdes over [kind C] en [kind E] heeft benoemd. De bestreden beschikking wordt dan ook op dit punt bekrachtigd.

5.14

Ten slotte overweegt het hof nog dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de band tussen haar en [kind C] , [kind D] en [kind E] wordt verbroken of dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van [kind C] , [kind D] en [kind E] heeft. De moeder blijft recht houden op informatie over de ontwikkeling van [kind C] , [kind D] en [kind E] en op contact met hen. Zij blijft altijd de moeder van [kind C] , [kind D] en [kind E] en heeft als zodanig ook een rol van betekenis in hun leven.

omgangs- en informatieregeling

5.15

De moeder verzoekt – kort en zakelijk samengevat – meer subsidiair een omgangsregeling en een meer frequente informatieregeling vast te stellen, temeer nu de communicatie met de GI moeizaam verloopt. Voor een beperking van het contact is concrete, objectieve informatie van de GI vereist op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat een hogere frequentie van de omgang ernstig nadelig is voor het kind. Deze informatie is niet door de GI overgelegd, aldus de moeder.

5.16

De GI heeft bezwaar gemaakt tegen toewijzing van de verzoeken van de moeder.

5.17

Ten aanzien van de omgangsregeling overweegt het hof dat blijkens het verhandelde ter zitting thans door de GI wordt onderzocht welke omgangsregeling tussen de moeder en haar kinderen in hun belang is. Het hof acht het niet opportuun dit traject te doorkruisen en zal om die reden het verzoek van de moeder om vaststelling van de door haar verzochte omgangsregeling afwijzen.

5.18

Ten aanzien van de informatieregeling overweegt het hof als volgt. Het hof acht de door de rechtbank vastgestelde regeling, te weten zes maal per jaar, tenzij er een speciale gebeurtenis is die noopt dat moeder hierover eerder / vaker geïnformeerd dienen te worden, redelijk en reëel en zal deze beslissing dan ook bekrachtigen. Het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de regeling wordt dan ook afgewezen.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2018;

gelast de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. A. van Haeringen en mr. G.W. Brands-Bottema, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en is op 2 juli 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.