Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2229

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
200.249.874/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 224 tot stellen zekerheid voor proceskosten. Vordering toegewezen.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:1360.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.249.874/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/654582 / KG ZA 18-1003

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juli 2019

inzake

1 AVINCO GROUP HOLDINGS N.V.,

gevestigd te Curaçao (Nederlandse Antillen),

appellante in de hoofdzaak,

2. [A],

wonende te [woonplaats 1] ( [land] ),

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

3. [B],

wonende te [woonplaats 1] ( [land] ),

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 de vennootschap naar buitenlands recht EOLIA LIMITED,

gevestigd te Malta,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

advocaat: mr. A.W. van der Veen te Amsterdam,

2. de vennootschap naar buitenlands recht AVINCO LIMITED,

gevestigd te Dublin (Ierland),

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. B. Kemp te Amsterdam,

3. AVINCO HOLDINGS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

advocaat: mr. [X] te [plaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

advocaat: mr. M.E. Coenraads te Amsterdam.

Partijen worden hierna AGH, [A] , [B] (tezamen ook: AGH c.s.), Eolia, Avinco Limited, Avinco B.V. en [geïntimeerde sub 4] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

AGH c.s. zijn bij dagvaarding van 8 november 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2018 dat onder bovenstaand zaak-/rolnummer in kort geding is gewezen tussen Eolia als eiseres, Avinco Limited als gevoegde partij aan de zijde van Eolia, Avinco B.V. en [geïntimeerde sub 4] als gedaagden en AGH c.s. als tussenkomende partijen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord van Eolia, met producties;

- memorie van antwoord van Avinco B.V.;

- memorie van antwoord van [geïntimeerde sub 4] ;

- memorie van antwoord van Avinco Limited, tevens houdende incidentele vordering tot het stellen van zekerheid voor proceskosten;

- antwoordakte in het incident van AGH c.s.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

Avinco Limited heeft incidenteel gevorderd [A] en [B] ieder, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, op de voet van artikel 224 jo. 353 lid 2 Rv te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, binnen een termijn van twee weken, althans een in goede justitie te bepalen termijn, zekerheid te stellen voor de proceskosten van Avinco Limited ten bedrage van € 22.004,-, althans voor een bedrag dat het hof juist acht, in de vorm van een bankgarantie afgegeven door een Nederlandse bank, althans op een door het hof in goede justitie bepaalde wijze.

AGH c.s. hebben in het incident geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Avinco Limited in de kosten van het incident.

2 Beoordeling

in het incident:

2.1

AGH c.s. hebben zich tegen toewijzing van de vordering en de gestelde omvang daarvan verzet op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

2.2

Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. [A] en [B] wonen beiden in [woonplaats 1] ( [land] ) en waren in eerste aanleg eisende (tussenkomende) partijen. Voorts is gesteld noch gebleken dat een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen zich voordoet. [A] en [B] zullen dus zekerheid moeten stellen. Hieraan doet niet af of AGH , zoals AGH c.s. stellen, voldoende verhaal voor de proceskosten zal bieden. [A] en [B] hebben er immers voor gekozen om tegen het bestreden vonnis te appelleren en zijn dus (mede) procespartij.

2.3

Avinco Limited heeft het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden gesteld becijferd op € 22.004,-, zulks op basis van vier punten tegen het liquidatietarief VIII ter grootte van € 5.501,- per punt. Volgens AGH c.s. is niet tarief VIII (gebaseerd op hun vordering in de hoofdzaak tot zekerheidstelling van € 5.700.000,-) maar tarief II (voor zaken van onbepaalde waarde) van toepassing, onder meer omdat de vordering in de hoofdzaak van AGH c.s. tot zekerheid uitsluitend tegen Eolia is gericht. Dit laatste is, zo oordeelt het hof, juist en het verweer treft dus doel. Voor zover de vorderingen van AGH c.s. tegen Avinco Limited zijn gericht betreft het vorderingen van onbepaalde waarde, waarop tarief II toepasselijk is. Dit tarief kent in appel een maximum van drie punten. Daarom zal het hof de hoogte van de door [A] en [B] te stellen zekerheid vaststellen op een bedrag van € 3.948,-, gebaseerd op de door Avinco Limited betaalde verschotten ter grootte van € 726,- en drie salarispunten voor proceshandelingen (één voor de incidentele conclusie, één voor de memorie van antwoord en twee voor een pleidooi, zij het gemaximeerd tot drie punten) ad € 1.074,- per punt. Het hof zal [A] en [B] bevelen de zekerheid te stellen in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie, als in het dictum te vermelden, op een termijn van vier weken.

2.5

Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

2.6

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating zijdens Avinco Limited over de zekerheidstelling.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

beveelt dat [A] en [B] ieder ten genoegen van Avinco Limited zekerheid stellen voor een bedrag van € 3.948,- ter zake van de proceskosten waarin [A] en [B] ieder in hoger beroep veroordeeld zouden kunnen worden;

bepaalt dat [A] en [B] voormelde zekerheid stellen in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie met Avinco Limited als begunstigde, onder verstrekking van de originele bankgarantie aan de advocaat van Avinco Limited;

bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld binnen vier weken na datum van deze uitspraak, derhalve uiterlijk op 30 juli 2019, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [A] en [B] in de hoofdzaak;

houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 6 augustus 2019 voor uitlating aan de zijde van Avinco Limited over de zekerheidstelling;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C. Toorman en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2019.