Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2205

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
200.248.091/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

artikel 1:204 lid 3 BW: vervangende toestemming erkenning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.248.091/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/614959 / FA RK 16-6173 (JK MW)

Beschikking van de meervoudige kamer van 25 juni 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.J. den Hartog te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam.

Als belanghebbende is overigens aangemerkt:

- mr. G.B.J.M. Spoormans, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige [kind C] (hierna te noemen: de bijzondere curator).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 11 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 11 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 11 juli 2018.

2.2

De bijzondere curator heeft op 4 januari 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

De man heeft op 8 januari 2019 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 15 januari 2019 met bijlagen, ingekomen op 18 januari 2019;

- een bericht van de bijzondere curator met een bijlage, ingekomen op 11 maart 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 30 april 2019 met een bijlage, ingekomen op 1 mei 2019.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 2 mei 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. den Hartog, namens de moeder; de moeder is niet verschenen.

- de man, bijgestaan zijn advocaat;

- de bijzondere curator;

- de raad, vertegenwoordigd door F.L.M. Huizinga.

Mr. den Hartog heeft ter zitting in hoger beroep gepleit aan de hand van een pleitnotitie.

3 De feiten

3.1

De moeder en de man hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn geboren:

- [kind A] (hierna: [kind A] ), [in] 2002, en

- [kind B] (hierna: [kind B] ), [in] 2005.

De man heeft [kind A] en [kind B] erkend.

3.2

Nadien is uit de moeder geboren:

- [kind C] (hierna: [kind C] ), [in] 2012.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 28 september 2016 is mr. Spoormans tot bijzondere curator benoemd over [kind C] .

3.4

Bij beschikking van de rechtbank van 22 maart 2017 is dr. M. Hidding, hoofd van het laboratorium van Verilabs Nederland B.V. (Verilabs), als deskundige benoemd in verband met een te verrichten vaderschapsonderzoek. In de rapportage van 6 december 2017 is geconcludeerd dat het verwantschapsonderzoek positief is. “Het is praktisch bewezen dat de persoon geïdentificeerd als [de man] de biologische vader is van de persoon geïdentificeerd als [kind C] .” In de statistische bijlage is de waarschijnlijkheid van het ouderschap berekend op: 99,9999999979%.

3.5

Ter zitting bij de rechtbank van 17 april 2018 zijn partijen overgekomen dat zij opnieuw een rechtsgeldig vaderschapsonderzoek bij Verilabs zullen laten uitvoeren en dat de moeder de aan het deskundigenonderzoek verbonden kosten zal voldoen. In de rapportage van Verilabs van 11 juni 2018 wordt dezelfde conclusie getrokken over het vaderschap van [de man] , zoals in 3.4 is vermeld. In de statistische bijlage is de waarschijnlijkheid van het ouderschap berekend op: 99,9999999979%.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, door de rechtbank vervangende toestemming verleend als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten behoeve van de man om [kind C] te erkennen.

4.2

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank de man daarbij vervangende toestemming heeft verleend om [kind C] te erkennen.

4.3

De man verzoekt het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De bijzondere curator verzoekt het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de rechtbank de man terecht vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW heeft verleend om [kind C] te erkennen.

5.2

Op grond van artikel 1:204, derde lid, BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker is van het kind of de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

5.3

De moeder betoogt dat de rechtbank de man ten onrechte vervangende toestemming heeft verleend om [kind C] te erkennen. Zij voert daartoe aan dat het verwekkerschap van de man niet vaststaat. De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door Verilabs uitgevoerde onderzoeken en de uitslagen daarvan, maar uit een nieuwe vaderschapstest van het DNA Diagnostics Center (DDC) blijkt dat de heer [X] de verwekker en de biologische vader van [kind C] is.

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep daarnaast aangevoerd dat de vervangende toestemming tot erkenning haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [kind C] zal schaden. De moeder heeft [kind C] immers reeds lange tijd alleen (en deels met de heer [X] ) verzorgd en opgevoed en de man heeft er de eerste jaren blijk van gegeven zich niets van [kind C] aan te trekken. Voorts zal de sociaalpsychologische ontwikkeling van [kind C] in het gedrang komen door een erkenning nu uit het onderzoek van de raad van 25 april 2019 blijkt dat [kind C] ingeval van gezamenlijk gezag klem zal raken tussen de moeder en de man.

5.4

De man betoogt dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden. Uit de DNA-onderzoeken die zijn uitgevoerd door Verilabs blijkt dat hij de verwekker is van [kind C] en er dient uitgegaan te worden van de juistheid van deze testen. De vaderschapstest van DDC waarnaar de moeder verwijst, maakt niet dat getwijfeld moet worden aan de onderzoeksresultaten van Verilabs, nu blijkt dat de door de moeder ingebrachte resultaten van de test van DDC niet kloppen.

De man stelt voorts dat een inhoudelijke beoordeling van de vervangende toestemming tot erkenning, zoals door de moeder ter zitting in hoger beroep aangevoerd, achterwege dient te blijven nu hiertoe geen grieven zijn geformuleerd in het appelschrift. Het ter zitting in hoger beroep gedane betoog van de moeder is in feite een aanvulling van haar gronden in hoger beroep, hetgeen in dit stadium van de procedure ontoelaatbaar is. Voor het geval er toch een inhoudelijke beoordeling plaats zal vinden, betwist de man dat de vervangende toestemming tot erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind C] of de ontwikkeling van [kind C] zal schaden. De moeder heeft hiertoe onvoldoende gesteld en dit valt evenmin af te leiden uit het raadsonderzoek van 25 april 2019, aldus de man.

5.5

De bijzondere curator betoogt dat het in het belang van [kind C] is dat zij twee juridische ouders heeft. Partijen verschillen van mening wie de biologische vader van [kind C] is, maar uit de DNA-onderzoeken van Verilabs blijkt dat de man dit is. Anders dan de moeder stelt, is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de onderzoeken uitgevoerd door Verilabs. Vaststaat dat Verilabs, in tegenstelling tot de door de moeder ingeschakelde DNA-testbureaus, een strikte procedure heeft om de identiteit van de onderzochte personen vast te stellen. Bovendien blijkt uit het contact dat de bijzondere curator heeft gehad met DDC, dat de door de moeder overgelegde testresultaten, waaruit zou moeten blijken dat de heer [X] de vader van [kind C] is, niet deugen: uit een brief van DDC van 24 augustus 2018 volgt dat uit het door DDC gedane DNA-onderzoek naar voren komt dat de heer [X] juist niet de biologische vader is.

De bijzondere curator betwist voorts dat de vervangende toestemming tot erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind C] of de belangen van [kind C] zal schaden. Hoewel er bij de moeder sprake is van veel weerstand (wat op zichzelf zorgelijk is), mag het gedrag van de moeder [kind C] er niet van weerhouden om te weten van wie zij afstamt en om te weten dat [kind A] en [kind B] haar volle zus en broer zijn.

5.6

De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft contact gehad met DDC en daarin is bevestigd dat de uitslagen van de vaderschapstest die de moeder heeft overgelegd onjuist zijn. Aangezien de moeder zeer vasthoudend is en weigert [kind C] statusvoorlichting te geven, hetgeen de raad in strijd met haar belang acht, heeft de raad de kinderrechter verzocht [kind C] onder toezicht te stellen.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Uit twee vaderschapstesten uitgevoerd door Verilabs volgt met meer dan 99,9999999% zekerheid dat de man de biologische vader van [kind C] is. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van deze onderzoeksresultaten. De door de moeder in hoger beroep overgelegde gegevens van DDC waaruit zou blijken dat niet de man, maar de heer [X] de biologische vader van [kind C] is, leiden niet tot een ander oordeel. De bijzondere curator heeft een bericht van DDC overgelegd waaruit blijkt dat de door de moeder overgelegde gegevens niet overeenstemmen met de door DDC vastgestelde onderzoeksresultaten. Uit een door de bijzondere curator overgelegde e-mail van de heer [Z] van DDC van 7 maart 2019 en het daarbij gevoegde rapport van de vaderschapstest van DDC van 24 augustus 2018, blijkt juist dat de heer [X] niet de biologische vader is van [kind C] . Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de vaderschapstesten van Verilabs en dat daarmee vastgesteld kan worden dat de man de verwekker van [kind C] is.

5.8

Ten aanzien van de ter zitting in hoger beroep aangevoerde stelling van de moeder dat de vervangende toestemming tot erkenning haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [kind C] en de ontwikkeling van [kind C] zal schaden, overweegt het hof tot slot als volgt. De moeder heeft deze bezwaren tegen de vervangende toestemming tot erkenning in eerste aanleg niet ter sprake gebracht en ook in hoger beroep heeft zij nagelaten grieven te richten tegen de overweging van de rechtbank dat er geen sprake is van een situatie waarin voornoemde belangen worden geschaad. Ook overigens heeft de moeder deze stelling onvoldoende geconcretiseerd. Het hof is dan ook van oordeel dat de man terecht bezwaar heeft gemaakt tegen deze aanvulling van de gronden in hoger beroep in dit stadium van de procedure.

5.9

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het verzoek van de moeder zal afwijzen en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in het hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. W.F. Groos en mr. L. van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier en is op 25 juni 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.