Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:22

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
200.232.164/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 224 Rv tot zekerheidstelling voor proceskosten. Voldoet afgegeven bankgarantie?

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:1954.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/111
JBPR 2019/35 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.232.164/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/256549 / HA ZA 17-213

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 januari 2019

inzake

de vennootschap naar buitenlands recht VICKERS HOLDING & FINANCE INC,

gevestigd te Road Town (Britse Maagdeneilanden),

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. S.R. Damminga te Amsterdam,

tegen:

1 [X] ,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

2. [geïntimeerde sub 2],

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

3. [Y],

wonend te [woonplaats 1] ( [land 1] ),

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. B.A. Boer te Den Haag,

4. [geïntimeerde sub 4],

wonend te [woonplaats 2] ( [land 2] ),

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. B.A. Boer te Den Haag

5. CASHMERE WORLD B.V.,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

niet verschenen.

Eisers in het incident worden hierna tezamen aangeduid als [Y] c.s. en verweerster in het incident als Vickers.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 12 juni 2018 een tussenarrest (verder: het tussenarrest) gewezen.

Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen. Bij dat arrest heeft het hof Vickers bevolen - op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in de hoofdzaak - uiterlijk op 11 augustus 2018 zekerheid te stellen voor een bedrag van € 23.892,- ter zake van proceskosten waarin zij in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, zulks in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie met [Y] c.s. als begunstigden.

Bij akte van 21 augustus 2018, met een productie, hebben [Y] c.s. geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Vickers in de hoofdzaak.

Vickers heeft bij antwoordakte van 18 september 2018, met een productie, geantwoord en geconcludeerd tot - naar het hof begrijpt - afwijzing van de eis van [Y] c.s. in het incident, met veroordeling van [Y] c.s. in de kosten van het incident bij het eindarrest.

Bij rolbeslissing van 30 november 2018 is beslist dat er, anders dan Vickers bij brief van 28 november 2018 had verzocht, geen grond bestaat de - op heden bepaalde - arrestdatum (in het incident) nu weer te verplaatsen.

2 Beoordeling

2.1.

Bij het tussenarrest heeft het hof bepaald dat Vickers in de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard, indien zij niet tijdig, te weten uiterlijk op 11 augustus 2018, de bevolen zekerheid zal hebben gesteld.

2.2.

[Y] c.s. zijn van mening dat de gestelde bankgarantie niet aan de gebruikelijke eisen voldoet, omdat de bankgarantie pas in te winnen is als de uitspraak onherroepelijk is en niet ook direct in het geval dat de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

2.3.

Vickers heeft hierop gereageerd en heeft (onder meer) betwist dat de bankgarantie inhoudelijk niet voldoet. Vickers heeft gesteld dat ABN Amro Bank gebruik heeft gemaakt van haar standaardmodel bankgarantie, zoals blijkt uit de overgelegde e-mail van ABN Amro Bank van 27 augustus 2018 aan de advocaat van Vickers en de daaraan gehechte modelgarantie. Dat standaardmodel bevat de ook in de aan [Y] c.s. verstrekte bankgarantie opgenomen bepaling dat zij pas kan worden ingeroepen wanneer het arrest waarin de eiser (in dit geval: Vickers) in de proceskosten is veroordeeld in kracht van gewijsde is gegaan. Vickers heeft onder verwijzing naar jurisprudentie betoogd dat deze gebruikelijke bepaling voldoende zekerheid biedt en dat [Y] c.s. ook geen bijzonder omstandigheden hebben gesteld die een andere conclusie zouden kunnen rechtvaardigen.

2.4.

Naar het oordeel van het hof heeft Vickers met de gestelde bankgarantie genoegzaam zekerheid gesteld in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie met [Y] c.s. als begunstigden. In de door haar aan de advocaat van [Y] c.s. verstrekte bankgarantie staat dat het gegarandeerde bedrag zal worden voldaan als een in Nederland ingeschreven advocaat verklaart

“dat de wettelijke termijn, voor zover van toepassing, voor verzet, hoger beroep of cassatie is verstreken en dat voor zover hem bekend tegen die beslissing niet binnen die termijn hoger beroep of cassatie is ingesteld (…).”

Het hof heeft in het dictum van het tussenarrest het tijdstip waarop de bankgarantie kan worden ingeroepen niet nader omschreven en ook is dit in het eerdere incident geen punt van discussie geweest. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat aan de gestelde bankgarantie, zoals [Y] c.s. willen, als bijzondere eis zou moeten worden gesteld dat de bankgarantie ook kan worden ingeroepen indien een gewoon rechtsmiddel tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde hoofdzaak wordt ingesteld. Volstaan kan worden met een in verband met het gewenste doel gebruikelijke garantie, zoals de standaardtekst die ABN Amro Bank kennelijk hanteert bij door haar afgegeven bankgaranties. Dit betekent dat de eis tot niet-ontvankelijkheid van [Y] c.s. zal worden afgewezen.

2.5.

Bij deze stand van zaken behoeft hetgeen Vickers verder nog als verweer heeft aangevoerd geen bespreking.

2.6.

Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

in de hoofdzaak

2.7.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van [Y] c.s. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 19 februari 2019 voor memorie van antwoord aan de zijde van [Y] c.s.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en D.J. van der Kwaak en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.