Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:21

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
200.231.637/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Achterstand in premiebetalingen aan zorgverzekeraar. Premieplichtigheid voor hoofdverzekerde en medeverzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.231.637/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 5917788 CV EXPL 17-9486

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 januari 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. H. Romeijn te Rotterdam,

tegen

het publiekrechtelijk lichaam CAK

(voorheen: de publiekrechtelijke rechtspersoon Zorginstituut Nederland),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna [appellant] en CAK genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 11 januari 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 13 oktober 2017, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en CAK als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, primair zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, subsidiair het bedrag aan hoofdsom zal bepalen op € 11.389,18 in plaats van € 11.836,03 en primair en subsidiair CAK zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

CAK heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Omdat die feiten, behoudens het onder 2.8 vermelde feit, tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan, behoudens van het onder 2.8 vermelde feit, uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) Het College voor de Zorgverzekeringen (verder: CvZ) – voorgangster van het Zorginstituut Nederland, dat op haar beurt weer voorgangster is van CAK – heeft op 5 november 2010 een besluit genomen waarin is vermeld dat de zorgverzekeraar van [appellant] , Zilveren Kruis Achmea, hem op 26 oktober 2010 heeft aangemeld bij CvZ omdat hij een achterstand in de premiebetalingen had van zes maanden of meer. Voorts is in dat besluit vermeld dat [appellant] vanaf november 2010 een bestuursrechtelijke premie van € 136,72 per maand moet betalen voor iedere persoon van achttien jaar of ouder die op de zorgverzekeringspolis van [appellant] als verzekerde staat. Bovendien is in dat besluit vermeld dat [appellant] bezwaar kan maken tegen de wijze waarop CvZ de premie int, wat hij niet heeft gedaan.

(ii) Op 21 juni 2011 heeft [appellant] aan CvZ bericht dat hij door Zilveren Kruis reeds per 15 december 2010 is afgemeld bij CvZ, met toezending van een kopie van het betreffende bericht.

(iii) CvZ heeft bij brief van 27 juni 2011 aan [appellant] medegedeeld dat de afmelding bij CvZ niet [appellant] zelf betrof, maar diens zoon [A] , en dat mogelijk sprake is van een vergissing. [appellant] zelf is nog steeds aangemeld als wanbetaler, schrijft CvZ.

(iv) [appellant] heeft bij brief van 30 juni 2011 gereageerd op de brief van 27 juni 2011 van CvZ. [appellant] heeft daarin gesteld dat hij en het CvZ het erover eens zijn dat de zoon van [appellant] is afgemeld bij het CvZ en dat [appellant] over de periode waarvoor hij ten onrechte met premies ten behoeve van zijn zoon is belast – de periode januari tot en met maart 2011 – een creditnota wil ontvangen.

( v) [appellant] heeft bij brief van 13 februari 2013 aan CvZ verzocht om hem geen rekeningen meer te sturen voor diegene die is afgemeld op de polis, en voorts onder meer geschreven:

“Overigens stelt u dat er sprake zou zijn van een verhoging van 30% [van de premie: hof] bij wanbetaling. Welnu, hoelveel is € 211,09 (mijn premie) + 30% ? = ….,…. ( ik geef u een hint: geen € 320,24 ) (…)”

(vi) CvZ heeft bij brief van 18 april 2013 aan [appellant] geantwoord dat de achterstand per 18 april 2013 in totaal € 6.348,53 bedraagt en dat dit de premieachterstand is voor een hoofdverzekerde en een medeverzekerde.

(vii) Bij exploot van 18 augustus 2016 is op verzoek van het Zorginstituut Nederland een dwangbevel van 1 augustus 2016 betekend aan [appellant] tot betaling van € 11.836,03 aan hoofdsom. In het dwangbevel is vermeld dat het om de (gedeeltelijk) onbetaalde premies over de periode april 2011 tot en met april 2016 gaat. De invorderingskosten zijn in het exploot vastgesteld op € 2.148,23, de informatiekosten op € 1,94 en de explootkosten op € 90,54.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd en voor zover thans relevant, a) voor recht te verklaren dat het dwangbevel van 1 augustus 2016 onrechtmatig is, b) voor recht te verklaren dat [appellant] ten aanzien van de verschuldigde premies over de periode april 2011 tot en met april 2016 een bedrag van € 8.203,20 is verschuldigd, c) het dwangbevel van 1 augustus 2016 te vernietigen en d) CAK te veroordelen in de proceskosten. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat hij ten onrechte is aangemeld als wanbetaler bij CvZ, dat daarnaast de in rekening gebrachte premie te hoog is en hij de in rekening gebrachte bedragen van € 297,90 en € 308,96 per maand niet kan plaatsen, dat uit het dwangbevel blijkt dat hij voor het overgrote deel maandelijks gemiddeld een bedrag van € 140,= heeft betaald en dat, gelet op een en ander, CAK onrechtmatig handelt als bedoeld in artikel 6:162 BW. CAK heeft tegen deze vordering verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort gezegd en voor zover thans relevant, het volgende overwogen. Gelet op het besluit van CvZ van 5 november 2010, waartegen [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt, moet in deze procedure ervan worden uitgegaan dat [appellant] in 2010 terecht is aangemeld als wanbetaler en dat hij maandelijks bestuursrechtelijke premies verschuldigd is. Het verweer van [appellant] dat CAK niet heeft onderbouwd dat er twee personen op de zorgverzekeringspolis van [appellant] staan, zodat hij maar voor één persoon in plaats van voor twee personen premie verschuldigd is aan CAK, faalt. Dat CvZ op vragen van [appellant] over de hoogte van de premie (slechts) heeft meegedeeld dat de premie voor een hoofdverzekerde en een medeverzekerde geldt, maar niet heeft toegelicht wie de verzekerden zijn, kan niet ertoe leiden dat [appellant] maar voor één persoon premie verschuldigd is, omdat hij zelf immers kan nagaan wie er op zijn polis als verzekerde is vermeld. [appellant] heeft zelf geen kopie van zijn zorgpolis overgelegd en gelet op de door CAK overgelegde print waarop [appellant] en [B] als verzekerden staan vermeld, bestaan geen aanknopingspunten om te oordelen dat [appellant] maar voor één persoon premie verschuldigd is, terwijl uit het meergenoemde besluit van 5 november 2010 voldoende duidelijk blijkt dat de premie verschuldigd is voor iedere persoon die als verzekerde op de polis van [appellant] staat vermeld en achttien jaar of ouder is. CAK heeft erkend dat over de maanden januari, februari en maart 2011 een te hoog bedrag aan premie is berekend, omdat de zoon van [appellant] ten onrechte is meegerekend, waarmee in deze procedure rekening zal worden gehouden omdat het premiebedrag immers al in 2011 ten onrechte in rekening is gebracht en CAK daarvan ook al in 2011 op de hoogte was. Over deze maanden is een bedrag van € 446,85 teveel in rekening gebracht. [appellant] heeft niet gesteld dat hij meer betalingen heeft verricht dan de betalingen die op het overzicht van CAK zijn vermeld, zodat de verschuldigdheid van het bedrag dat in het dwangbevel is genoemd, behoudens een bedrag van € 446,85, vast is komen te staan. Dit betekent dat de hoofdsom die [appellant] aan CAK verschuldigd is, berekend tot en met april 2016, wordt vastgesteld op € 11.836,03 - € 446,85 = € 11.389,18, aldus (nog steeds) de kantonrechter. Bij dictum heeft de kantonrechter vervolgens vastgesteld dat [appellant] over de periode april 2011 tot en met april 2016 een bedrag van € 11.836,03 aan hoofdsom verschuldigd is aan CAK, het meer of anders door [appellant] gevorderde afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

Met zijn eerste grief betoogt [appellant] , kort gezegd, dat hij ervan heeft mogen uitgaan dat hij over het jaar 2014 en de daarop volgende jaren slechts voor zichzelf premie was verschuldigd en niet tevens voor zijn echtgenote. Daartoe stelt hij het volgende. Bij het meergenoemde besluit van CvZ van 5 november 2010 is hij als wanbetaler aangemeld – waarbij tevens is aangegeven dat de bestuursrechtelijke premie vanaf november 2010 € 136,72 per maand bedraagt – en is verder vermeld dat voornoemd bedrag tevens maandelijks dient te worden betaald voor andere personen van achttien jaar of ouder als zij op de verzekeringspolis van hem staan. CAK heeft [appellant] vervolgens met betrekking tot de jaren 2011 tot en met 2013 telkens schriftelijk bericht hoeveel de bestuursrechtelijke premie over die jaren bedroeg, waarbij verder werd vermeld dat voornoemd bedrag tevens maandelijks diende te worden betaald voor andere personen van achttien jaar of ouder als zij op de verzekeringspolis van hem stonden. Met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2016 heeft CAK eveneens telkens schriftelijk bericht hoeveel de bestuursrechtelijke premie over die jaren bedroeg, zonder daarbij echter te vermelden dat voornoemd bedrag tevens maandelijks diende te worden betaald voor andere personen van achttien jaar of ouder als zij op de verzekeringspolis van hem stonden. De kantonrechter heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat hij de maandelijkse bestuursrechtelijke premie over de periode 2014 tot en met april 2016 voor twee personen aan CAK verschuldigd is. [appellant] heeft immers ervan mogen uitgaan dat hij de premie over die jaren slechts voor zichzelf was verschuldigd. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

3.5.

Allereerst moet worden vastgesteld dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de overweging (15) van de kantonrechter waarin het verweer van [appellant] wordt verworpen dat CAK niet heeft onderbouwd dat er twee personen op de zorgverzekeringspolis van [appellant] staan, zodat hij maar voor één persoon in plaats van voor twee personen premie verschuldigd is aan CAK. In hoger beroep moet dus ervan worden uitgegaan dat op de zorgverzekeringspolis van [appellant] twee personen staan vermeld, te weten [appellant] zelf en diens echtgenote, [B] . Voorts erkent [appellant] dat hij bij het meergenoemde besluit van CvZ van 5 november 2010 als wanbetaler is aangemeld, waarbij tevens is aangegeven dat de bestuursrechtelijke premie vanaf november 2010 € 136,72 per maand bedraagt en is vermeld dat voornoemd bedrag maandelijks dient te worden betaald voor andere personen van achttien jaar of ouder als zij op de verzekeringspolis van hem staan. Daarmee staat voldoende vast dat [appellant] , die niet heeft gesteld dat hij in de desbetreffende jaren niet over een polis beschikte, heeft begrepen althans heeft moeten begrijpen dat hij over elk van de daarop volgende jaren telkens een premie voor zichzelf en zijn echtgenote verschuldigd was. Dat hij in de jaarlijkse schriftelijke berichten daaromtrent over de jaren 2011 tot en met 2013 daarop nogmaals werd gewezen, maar dit in die berichten over de jaren 2014 tot en met 2016 niet het geval was, kan daaraan niet afdoen. Voor zover het de jaren 2011 tot en met 2013 betreft – over welke jaren hij niet langer betwist de bestuursrechtelijke premie (voor twee personen) verschuldigd te zijn – ging het immers slechts om herhaling van wat voor [appellant] al duidelijk was althans moest zijn, terwijl voor zover het de jaren 2014 tot en met 2016 betreft de afwezigheid van een expliciete herhaling niet kon afdoen aan de verschuldigdheid die reeds uit het meergenoemde besluit van CvZ van 5 november 2010 voortvloeide. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] geen althans onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat CAK door de afwezigheid van een expliciete herhaling van de desbetreffende mededeling voor zover het de periode 2014 tot en met april 2016 betreft het recht heeft verwerkt aanspraak te maken op betaling van premie door [appellant] én diens echtgenote dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als CAK dit doet of, door dit te doen, misbruik van bevoegdheid maakt.

3.6.

Uit het voorgaande volgt dat grief 1 faalt.

3.7.

Partijen zijn het erover eens dat het dictum van het vonnis van de kantonrechter een kennelijke verschrijving bevat, nu de kantonrechter, na eerst te hebben overwogen (onder 23) dat de hoofdsom die [appellant] aan CAK verschuldigd is, berekend tot en met april 2016, wordt vastgesteld op € 11.836,03 - € 446,85 = € 11.389,18, maar vervolgens bij dictum (onder I) vaststelt dat [appellant] over de periode april 2011 tot en met april 2016 een bedrag van € 11.836,03 aan hoofdsom verschuldigd is aan CAK. Dit betekent dat grief 2 slaagt.

3.8.

[appellant] heeft geen stellingen geponeerd die, indien bewezen, tot andere oordelen dan hiervoor gegeven leiden, zodat zijn bewijsaanbod – dat op zichzelf al onvoldoende is gespecificeerd – als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.

3.9.

De slotsom luidt dat het appel faalt, behoudens voor zover het om de verschrijving in het dictum van het vonnis waarvan beroep onder I gaat, dat dit vonnis daarom in zoverre zal worden vernietigd en voor het overige zal worden bekrachtigd en dat [appellant] – nu CAK zich met betrekking tot de tweede grief heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof – als de in appel in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het gaat om het dictum ervan onder I, en, in zoverre opnieuw recht doende:

stelt vast dat [appellant] over de periode april 2011 tot en met april 2016 een bedrag van € 11.389,18 aan hoofdsom verschuldigd is aan CAK;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van CAK gevallen, op € 726,= voor verschotten en op € 1.074,= voor salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente indien hieraan niet binnen veertien na betekening van dit arrest is voldaan;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, D.J. van der Kwaak en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.