Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2088

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
23-002096-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van diefstal, veroordeling voor opzetheling en poging tot diefstal. Teruggave in beslag genomen geld. Oplegging van GS voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002096-18

datum uitspraak: 19 juni 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-701803-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair
hij op of omstreeks 12 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

1 subsidiair
hij op of omstreeks 12 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een portemonnee heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

1 meer subsidiair
hij op of omstreeks 12 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2
hij op of omstreeks 17 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, naar die [slachtoffer 2] is toegegaan, waarna hij verdachte dicht op die [slachtoffer 2] is gaan staan en/of met zijn, verdachtes arm (met daaroverheen een jas) richting de rugzak van die [slachtoffer 2] is gegaan en/of die rugzak heeft opengeritst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat de verdachte de portemonnee van het slachtoffer heeft gestolen, maar dat de tijdspanne tussen het (eerste) moment waarop de portemonnee gestolen zou kunnen zijn en het moment waarop de verdachte de portemonnee in handen had te groot is om hem als dader van de diefstal te beschouwen.

Bewijsoverweging feit 1 subsidiair

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de verdachte ook van feit 1 subsidiair vrij te spreken.

Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit het dossier niet valt af te leiden dat de verdachte de portemonnee op heimelijke wijze heeft weggegooid en dat de beweerde heimelijkheid van deze handeling louter berust op een interpretatie. Volgens de raadsman had iemand aan de verdachte gevraagd de portemonnee weg te gooien en dat heeft hij gewoon gedaan.

De raadsman heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan de behandeling van deze zaak aan te houden indien het hof van oordeel is dat de verdachte zich wel heimelijk heeft gedragen en hem niet vrijspreekt van feit 1 subsidiair, om de beschikbare camerabeelden ter terechtzitting af te spelen teneinde de eventuele heimelijkheid van het weggooien van de portemonnee door de verdachte te beoordelen.

Het hof wijst het verzoek af en baseert zich daarbij op de eigen waarneming van de (zeer duidelijke) stills in het dossier. Op de foto’s op pagina 13 is te zien dat de verdachte zeer dicht bij een door hem geopende vuilnisbak stond en vanuit die positie op verhulde wijze de portemonnee uit zijn linker jaszak haalde en deze vervolgens in de vuilnisbak gooide. De verdachte stond daarbij zodanig dat hij zijn handeling afschermde door middel van zijn lichaam, waarbij hij zijn linker jaszak dicht bij de opening van de vuilnisbak had gebracht. De suggestie dat dit er vanuit een ander camerastandpunt mogelijk anders uitziet, zoals de raadsman heeft geopperd, doet daar niet aan af.

Het hof acht zich dan ook voldoende geïnformeerd over de wijze waarop de verdachte de portemonnee weggooide, zodat geen noodzaak bestaat de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de camerabeelden ter zitting te bekijken en het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Het hof kan niet vaststellen op welke wijze de verdachte in het bezit van de portemonnee is gekomen. Het ging om een nieuw uitziende portemonnee die een aanzienlijk aantal pasjes (van het slachtoffer) bevatte. De verdachte heeft geen aannemelijke, redengevende verklaring gegeven voor het bezit van de portemonnee noch voor de wijze waarop hij zich hiervan heeft ontdaan. Om deze redenen is het hof van oordeel dat de verdachte bij het voorhanden krijgen moet hebben geweten dat het hier ging om een door misdrijf verkregen goed. Het hof acht dan ook bewezen dat hij feit 1 subsidiair heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair
hij op 12 mei 2018 te Amsterdam een portemonnee voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2
hij op 17 mei 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen enig goed, toebehorende aan [slachtoffer 2], naar [slachtoffer 2] is toegegaan, waarna hij met zijn arm met daaroverheen een jas in de richting van de rugzak van [slachtoffer 2] is gegaan en die rugzak heeft opengeritst.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat ten aanzien van feit 2 sprake was van vrijwillige terugtred en dat de verdachte daarom moet worden vrijgesproken van dat feit (het hof begrijpt: moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging). De raadsman heeft dit gebaseerd op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg die erop neerkomt dat de verdachte bang werd en zichzelf daarom heeft teruggetrokken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van de verbalisanten (op pagina 15 en 16 van het dossier) blijkt dat de verdachte het slachtoffer volgde. Hij heeft zijn arm afgeschermd met zijn jas en op deze manier de rugzak opengeritst. Hij kon de diefstal toen niet voltooien, omdat het slachtoffer verder liep. Hij is haar daarna achterna gelopen. Zelfs toen het slachtoffer een café inliep en een halve minuut later weer naar buiten liep, bleef hij haar volgen. Pas toen het slachtoffer ging zitten op het terras van een ander café, haar rugzak afdeed

en deze op een stoel naast zich zette, heeft de verdachte zijn pogingen tot diefstal gestaakt. Van een vrijwillige terugtred van de verdachte is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake omdat in deze omstandigheden niet gezegd kan worden dat zijn “terugtred” een van zijn wil afhankelijke omstandigheid was.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

opzetheling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair en het onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een portemonnee. De daaraan voorafgaande diefstal heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar, aan wie tevens overlast is bezorgd. Heling van gestolen voorwerpen voorziet in een afzetmarkt, waardoor ook indirect van het misdrijf van een ander wordt geprofiteerd.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal. Hij heeft op heimelijke wijze het slachtoffer benaderd en gepoogd haar te bestelen. Door zo te handelen heeft hij laten zien geen enkel respect te hebben voor haar eigendommen en slechts uit te zijn op eigen financieel gewin, zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor het slachtoffer. Diefstallen als de onderhavige veroorzaken overlast voor de direct betrokkenen en draagt in het algemeen bij aan gevoelens van onveiligheid van in het bijzonder personen in de Amsterdamse binnenstad.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 mei 2019 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten, hetgeen in het nadeel van de verdachte wordt meegewogen. Ook is uit het dossier gebleken dat de verdachte deel (heeft) uit(ge)maakt van een zakkenrollersbende die actief is of was in Ierland en Roemenië.

In aanmerking genomen dat de verdachte met zijn gezin in Roemenië woont, hij geen adres in Nederland heeft opgegeven en hij ter verklaring van zijn verblijf in Nederland alleen heeft medegedeeld werk te zoeken – hetgeen niet verifieerbaar is – neemt het hof aan dat hij slechts in Nederland was om met misdrijven de “kost te verdienen”, hetgeen strafverzwarend is.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Het hof legt een lagere straf op dan is geëist, in verband met de bewezenverklaarde heling en poging tot zakkenrollerij.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen goederen

Onder de verdachte zijn € 453,65, 2 USA dollar en 171 Roemeense Leu, in beslag genomen.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een verband tussen de bewezenverklaarde feiten en het inbeslaggenomen geld.

Het hof zal derhalve, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de raadsman, beslissen dat het geld zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: € 453,65, geld, 2 USA dollar en 171 Roemeense Leu.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2019.

mr. De Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.