Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2033

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.248.959/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.248.959/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/261428 / FA RK 17-4017

beschikking van de meervoudige kamer van 11 juni 2019 inzake

[de man] ,

verblijvende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.B. Chylinska te Haarlem,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M.C. Wingen te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 14 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 24 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 februari 2018.

Bij deze beschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding bepaald van [de minderjarige] , de [in] 2010 geboren zoon van partijen, van € 381,- maand met ingang van 10 juli 2017.

2.2

De vrouw heeft op 31 januari 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 14 mei 2019 met bijlage, ingekomen op 15 mei 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 15 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 16 mei 2019.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 20 mei 2019 plaatsgevonden waarbij, zoals het hof van tevoren aan partijen had laten weten, uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde is geweest.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

Volgens de vrouw is de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, omdat hij na het verstrijken van de beroepstermijn zijn beroepschrift heeft ingediend. De man is voor de behandeling in eerste aanleg door de rechtbank opgeroepen door middel van een publicatie in de Staatscourant, aangezien hij geen bekende woon- of verblijfplaats had. Daarnaast is hij schriftelijk opgeroepen op het door de vrouw opgegeven adres [a-straat] 19A ( [postcode] ) te [plaats] .

Bij aangetekende brief van 27 maart 2018 is de man door het LBIO op de hoogte gesteld van de bestreden beschikking. De man heeft echter pas op 24 oktober 2018 hoger beroep ingesteld.

De vrouw betoogt primair dat de beroepstermijn op 15 mei 2018 is verlopen, te weten drie maanden na de bestreden beschikking, en subsidiair op 28 juli (bedoeld zal zijn: juni) 2018, te weten drie maanden na ontvangst van de brief van het LBIO. De man moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

3.2

De man voert aan dat de vrouw een onjuist adres heeft opgegeven aan de rechtbank en dat hij op [a-straat] 91A (in plaats van 19A) te [plaats] woont. Hij heeft het inleidend verzoekschrift en de oproeping voor de zitting in eerste aanleg niet ontvangen.

De man heeft de brief van het LBIO van 27 maart 2018 overgelegd die (aangetekend) is verstuurd naar het juiste adres. Navraag bij het LBIO heeft uitgewezen dat de bestreden beschikking op 25 juli 2018 in de Staatscourant is gepubliceerd.

Ter zitting heeft de man betoogd dat, nu de bestreden beschikking niet aan de brief van het LBIO was gehecht, het moment van ontvangst van deze brief niet kan worden aangemerkt als het moment waarop de man bekend is geworden met de bestreden beschikking. Op de datum van publicatie in de Staatscourant heeft de man voor het eerst kennis kunnen nemen van de bestreden beschikking. Pas toen is de beroepstermijn ingegaan zodat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

3.3

In deze zaak is, nu het hier gaat om een zaak van personen- en familierecht, niet zijnde een scheidingszaak, artikel 806 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing. Op grond van lid 1 van dit artikel kan van een beschikking hoger beroep worden ingesteld (a) door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en (b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Uit ambtshalve door de griffier van dit hof ingewonnen en ter zitting met partijen gedeelde informatie blijkt dat de griffier van de rechtbank, anders dan de wet in artikel 291 Rv in verbinding met artikel 278 Rv vereist, een afschrift van de beschikking per gewone post in plaats van aangetekend heeft verzonden. Derhalve is in dit geval artikel 806 lid 1 sub b Rv van toepassing en ligt voor de vraag wanneer de bestreden beschikking de man bekend is geworden.

3.4

Desgevraagd heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard zich niet precies te herinneren wanneer hij de brief van het LBIO van 27 maart 2018 heeft ontvangen. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij er door het LBIO van op de hoogte is gesteld dat de man op 29 maart 2018 telefonisch contact heeft gezocht met het LBIO omdat hij het niet eens was met de inning van de bijdrage voor [de minderjarige] .

De man heeft ter zitting erkend dat hij heeft gebeld met het LBIO om uit te leggen dat hij op grond van de echtscheidingsbeschikking van 10 februari 2016 geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw hoefde te betalen gezien zijn gebrek aan draagkracht. Hij heeft voorts onvoldoende weersproken dat dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018.

Het hof gaat ervan uit dat de man het LBIO heeft gebeld naar aanleiding van de brief van 27 maart 2018, nu de man geen aannemelijke verklaring heeft gegeven waarom hij anders dan vanwege die brief zou hebben gebeld met het LBIO. Aangezien het LBIO toen nog geen incassomaatregel had getroffen, kon een confrontatie met dergelijke maatregelen niet de aanleiding vormen voor het zoeken van contact. Het hof constateert voorts dat in de brief van het LBIO de bestreden beschikking wordt vermeld alsmede dat de brief vermeldt dat in de bestreden beschikking een onderhoudsbijdrage van € 381,- per maand ten laste van de man is bepaald. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de man uiterlijk op 29 maart 2018 bekend is geworden met de bestreden beslissing. De stelling van de man dat geen afschrift van de bestreden beschikking bij de brief van het LBIO was gevoegd maakt dit niet anders, nu dit geen vereiste is voor bekendheid met de beschikking als bedoeld in artikel 806 lid 1, aanhef en onder b. Rv.

Het hoger beroep van de man diende op grond van artikel 806 lid 1 sub b Rv te worden ingesteld binnen drie maanden na 29 maart 2018, derhalve uiterlijk op vrijdag 29 juni 2018. Nu het beroepschrift op 24 oktober 2018 ter griffie van het hof is ontvangen, is het beroep buiten deze termijn en daarmee te laat ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat die termijnoverschrijding verschoonbaar is. De man is daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep.

3.5

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.T. Hoogland en mr. J.W. van Zaane, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 11 juni 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.