Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:2

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
23-002144-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen van diefstal van een iPhone in de metro. Bewijsoverwegingen tav door aangeefster en getuigen gegeven signalementskenmerken van de dader die eensluidend zijn en bij de verdachte passen. Overweging tav de vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002144-18

datum uitspraak: 3 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-236401-17 en 13-684165-16 (TUL) tegen

[naam 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat hij:

1:
op of omstreeks 7 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Iphone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) naar voornoemde [slachtoffer] is/zijn toegegaan en/of (vervolgens) voornoemde telefoon met kracht uit de hand(en) van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gepakt en/of gegrepen en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (vervolgens) heeft gezegd dat voornoemde [slachtoffer] haar telefoon terug zou krijgen als zij, [slachtoffer], hem, verdachte, zou pijpen en/of zou kussen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de door de aangeefster gegeven omschrijving van de dader (een jongen met rasta’s van tien centimeter) niet past bij de verdachte. De verdachte had namelijk geen rasta’s, maar redelijk kort krullend haar. De rol van de verdachte in het geheel was dat hij de telefoon heeft doorgegeven toen hij deze in handen kreeg, dit omdat hij er niets mee te maken wilde hebben. De verklaring van getuige [getuige 1], die zou hebben gezien dat de verdachte de telefoon van de aangeefster heeft gepakt, is niet betrouwbaar omdat hij er als medeverdachte belang bij heeft om zijn eigen rol te bagatelliseren. Getuige [getuige 2], die wel onafhankelijk is, heeft later tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat hij niet heeft gezien dat de verdachte de telefoon heeft gepakt.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat degene die de telefoon van de aangeefster heeft gepakt zwart krullend haar had en een zwart-groene jas droeg. De aangeefster heeft het over een jongen met rasta’s en een zwart-groen jack. Getuige [getuige 2] beschrijft de verdachte, die hij van school zegt te kennen en van wie hij als voornaam [naam 2] en als mogelijke achternaam [naam 3] of [naam 4] noemt, als de jongen met hoog krullend haar en een groene Northface jas met een zwartkleurige streep. [getuige 2] heeft vlak na het incident tegenover de verbalisanten verklaard dat hij heeft gezien dat [naam 2] de telefoon uit de handen van aangeefster pakte en deze vervolgens doorgaf aan [getuige 1]. Anders dan de raadsvrouw ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring van getuige [getuige 2] die hij direct na het incident, toen het nog vers in zijn geheugen lag, heeft afgelegd. De verklaring van aangeefster wordt voorts ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 3], die weliswaar de wegnemingshandeling niet zelf heeft waargenomen, maar toen de aangeefster als dader ‘de jongen met zwarte krullen en een groene Northface jas’ noemde, direct wist dat ze [naam 2] bedoelde, een van de vijf aanwezige jongens bij wie [getuige 3] op school zat. De verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep bevestigd dat hij op 7 juni 2017 in dezelfde metro zat als de aangeefster en een groene jas met zwarte strepen droeg. Het hof constateert dat de door de getuigen en de aangeefster genoemde signalementskenmerken en naam van de dader, afgezien van de door de aangeefster genoemde rasta’s, eensluidend zijn en bij de verdachte passen. Naar het oordeel van het hof is het dan ook aannemelijk dat de door de aangeefster gegeven beschrijving eveneens betrekking heeft op de verdachte.

Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die de telefoon van de aangeefster heeft weggenomen en vervolgens heeft doorgegeven.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1:
op 7 juni 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (iPhone) toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met anderen in de metro een iPhone van een meisje gestolen. De verdachte en zijn mededaders hebben de telefoon uit handen van het slachtoffer weggenomen en vervolgens aan elkaar doorgegeven. Hiermee heeft de verdachte het slachtoffer schade en overlast bezorgd. Daarbij komt dat dergelijke misdrijven bij de gedupeerden en meer in het algemeen gevoelens van onveiligheid veroorzaken.

Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een taakstraf van 30 uren genoemd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 12 februari 2018. Hieruit komt naar voren dat er op zichzelf geen zorgen zijn omtrent de verdachte. De Raad adviseert een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 december 2018 is hij eenmaal eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof zal het advies van de Raad volgen en acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.066,15. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade wordt betwist door de verdachte, door te ontkennen dat hij het bewezenverklaarde feit heeft begaan en door aan te voeren dat er geen stukken ter onderbouwing van de waarde van de telefoon in het geding zijn gebracht. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van de omvang van de schade door de benadeelde partij is het hof voorts van oordeel, dat de verdachte – zonder nadere toelichting met concrete feiten en omstandigheden die ontbreekt – ter betwisting van de vordering niet enkel kan volstaan met te stellen dat er geen stukken ter onderbouwing van de waarde zijn. De enkele stelling van de raadsvrouw dat onbekend is wanneer de telefoon door de aangeefster is aangeschaft en voor welk bedrag, maakt niet dat onaannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Ze kan immers niet langer beschikken over haar telefoon. Gelet hierop kan de gevorderde materiële schade als onvoldoende gemotiveerd betwist tot het bedrag van € 300,00 – als geschatte waarde van de telefoon – worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat dit deel van de vordering – gelet op de toelichting – betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde zodat dit feit in hoger beroep niet meer aan de orde is. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen ten aanzien van de gevorderde immateriële schade.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2016 opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 10 uren subsidiair 5 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 416,15 (vierhonderdzestien euro en vijftien cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juni 2017.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2016, parketnummer 13-684165-16, te weten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 10 (tien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.J.I. de Jong en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 januari 2019.

De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002144-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 3 januari 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. P.F.E. Geerlings, raadsheer,

mr. M.A.T. van Willigen, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. S.M.L.M. Spoor, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [naam 1] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.