Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1987

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.247.394/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:5702
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, ontslagvergoeding, opsouperen vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.247.394/01

zaaknummer rechtbank: C/15/265970 / FA RK 17-6372

beschikking van de meervoudige kamer van 4 juni 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.L. Beckers te Enkhuizen,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.I. Lunshof te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 4 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 26 september 2018 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 4 juli 2018.

2.2

De vrouw heeft op 26 november 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 20 maart 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 21 maart 2019.

2.4

De minderjarige [zoon] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het [in] 1992 gesloten huwelijk van partijen is op 28 september 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van [zoon] , geboren [in] 2002. [de minderjarige] woont bij de vrouw.

3.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.4

Bij de echtscheidingsbeschikking van 14 september 2016 is bepaald dat het door partijen op 28 juli 2016 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking. In het echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van 28 juli 2016 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw betaalt van € 400,- per maand, na aftrek van zorgkorting, tot het moment waarop [de minderjarige] achttien jaar wordt. Daarnaast zal de man de kosten van sport, zoals kleding, reiskosten en contributie betalen. Op het moment dat [de minderjarige] achttien wordt zullen partijen overleggen over een nieuwe bijdrage.

Na indexering bedroeg de bijdrage voor [de minderjarige] in 2017 € 408,40 per maand en in 2018 € 414,53 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de man om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op € 25,- per maand te bepalen met ingang van oktober 2017, althans met ingang van de datum van indiening van zijn inleidend verzoek, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking in zoverre, afgewezen.

4.2

De man verzoekt zijn inleidend verzoek ten aanzien van de bijdrage voor [de minderjarige] alsnog toe te wijzen.

4.3

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.2

De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de bijdrage voor [de minderjarige] noodzakelijk maakt. Ten tijde van het opstellen van het echtscheidingsconvenant was hij nog werkzaam in loondienst als relatiemanager MKB bij [bedrijf] . Het dienstverband van de man is als gevolg van een reorganisatie met wederzijdse instemming beëindigd door een op 9 februari 2017 ondertekende “Beëindigingsovereenkomst Sociaal Plan” per 1 april 2017. Op 17 juli 2017 is de man als zelfstandig adviseur gestart. Aangezien hij een periode zonder inkomen heeft moeten overbruggen en voorts niet verwachtte een winst te verwerven ter hoogte van zijn inkomen in loondienst, betoogt de man dat de bijdrage voor [de minderjarige] moet worden gewijzigd.

5.3

De vrouw stelt dat het einde van het dienstverband van de man niet ertoe kan leiden dat de bijdrage voor [de minderjarige] wordt gewijzigd. Het is een eigen keuze van de man geweest om als zzp’er aan de slag te gaan. Hem moet in ieder geval een verdiencapaciteit ter hoogte van zijn loon bij [bedrijf] worden toegedicht, zo voert zij aan.

5.4

Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn keuze om als zelfstandig adviseur te starten toegelicht. In verband met de reorganisatie bij [bedrijf] werden aan hem door zijn werkgever twee begeleiders toegewezen. Zowel zij als contacten uit zijn netwerk adviseerden hem om zelfstandig adviseur te worden. Gezien zijn leeftijd (ten tijde van uitdiensttreding was hij 55 jaar oud) en het gegeven dat de werkgelegenheid in de financiële sector terugloopt, zou het moeilijk worden voor de man om weer een aanstelling in loondienst te vinden en zou omscholing in dat geval nodig zijn.

Na de beëindiging van zijn dienstverband had de man (gedurende 33 maanden) recht op een WW-uitkering. In overleg met het UWV en [bedrijf] heeft de man voor een startersuitkering (gedurende zes maanden) gekozen in plaats van een WW-uitkering. Dientengevolge ontving hij 70% van een WW-uitkering (die 70% van het laatstverdiende loon bedraagt), maar had hij geen sollicitatieplicht en kon hij zich direct richten op het opzetten van zijn eigen onderneming. Indien hij daarmee had gewacht teneinde een WW-uitkering te kunnen krijgen, zouden zijn contacten in de financiële wereld zijn verwaterd, aldus de man.

Het hof acht de beslissing van de man om als zelfstandig ondernemer te starten, gezien zijn toelichting, begrijpelijk. Zijn keuze voor een startersuitkering, om zo snel mogelijk zijn eigen onderneming te kunnen starten, is naar het oordeel van het hof geen onredelijke keuze, ook niet met het oog op zijn onderhoudsplicht jegens [de minderjarige] . Gezien de leeftijd van de man en de sector waarin hij werkzaam is, heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat het vinden van een dienstverband met een loon ter hoogte van zijn salaris bij [bedrijf] moeilijk is.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man derhalve uitgaan van de startersuitkering die de man van 1 juli 2017 tot 1 januari 2018 ontving van € 1.552,- netto per vier weken.

5.5

Bij het einde van zijn dienstverband heeft de man een ontslagvergoeding ontvangen van € 157.579,- bruto (€ 74.975,- netto). Een dergelijke vergoeding heeft tot doel de man te compenseren voor de financieel nadelige effecten van zijn ontslag. In die bedoeling past het de vergoeding over een bepaalde periode te verdelen ter aanvulling van de startersuitkering dan wel het inkomen. De man heeft echter gesteld dat hij de vergoeding heeft aangewend voor noodzakelijke uitgaven en dat hij daarmee dus niet zijn lagere inkomen uit de startersuitkering heeft kunnen aanvullen. Zo heeft hij een nieuwe auto moeten aanschaffen (om cliënten mee te bezoeken) en zijn nieuwe woning (inclusief kantoor aan huis) moeten inrichten.

Daargelaten of de man de noodzaak van voornoemde uitgaven (alsmede de hoogte daarvan) voldoende heeft onderbouwd, is het hof van oordeel dat de man destijds - naast de ontslagvergoeding - over een dusdanig vermogen beschikte c.q. kon beschikken, dat hij in staat was – en geacht mocht worden - dergelijke kosten daaruit te bestrijden. Niet valt in ieder geval in te zien dat de door hem gestelde uitgaven die hij van zijn ontslagvergoeding heeft betaald, voorrang moesten hebben op de door hem te betalen kinderbijdrage.

Uit zijn aangiftes IB 2017 en 2018 volgt dat de man over een vermogen beschikte van € 87.040,- (per 1 januari 2017) respectievelijk € 76.119,- (per 1 januari 2018), bestaande uit (onder andere) een beleggingsrekening. Nu de man dit vermogen had kunnen aanwenden voor de betaling van de kosten die hij van zijn ontslagvergoeding heeft betaald, zodat hij de ontslagvergoeding had kunnen gebruiken voor het gebruikelijke doel daarvan (aanvulling van verminderd inkomen), acht het hof het redelijk dat de man thans zijn vermogen, tot het netto bedrag van de ontslagvergoeding, aanwendt ter suppletie van zijn inkomen. Het hof zal derhalve bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening houden met een bedrag van € 74.975,- (netto) dat de man uit zijn vermogen kon aanwenden ter aanvulling van zijn inkomen vanaf 1 april 2017 tot het bedrag dat hem voorheen in staat stelde de afgesproken bijdrage voor [de minderjarige] te betalen.

5.6

In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit het inkomen van de man bij [bedrijf] blijkt. In zijn inleidend verzoekschrift heeft de man gesteld dat zijn salaris € 4.435,- bruto per maand bedroeg exclusief dertiende maand en persoonlijke toeslag. Ter zitting in eerste aanleg heeft de man verklaard dat hij € 3.500,- netto per maand verdiende inclusief vakantiegeld en dertiende maand. Gelet op deze door de man genoemde - en door de vrouw niet weersproken - bedragen gaat het hof in redelijkheid uit van laatstgenoemd netto bedrag.

Ervan uitgaande dat de man tot 1 april 2017 een inkomen bij [bedrijf] had van € 16.250,- bruto en gezien de uit de jaaropgave van het UWV van 2017 blijkende uitkering in 2017 van € 11.126,- bruto, berekent het hof – rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen - zijn netto besteedbaar inkomen op € 1.757,- per maand. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5 uiteen gezet is, is het hof van oordeel dat van de man mocht worden verwacht dat hij in 2017 een bedrag van € 15.687,- van zijn vermogen zou hebben aangewend ter suppletie van zijn startersuitkering tot het niveau van zijn inkomen bij ING, teneinde de bijdrage voor [de minderjarige] te voldoen.

5.7

Blijkens de winst- en verliesrekening van 2018 bedroeg de winst van de door de man op 17 juli 2017 gestarte eenmanszaak in 2018 € 24.314,-. Hij ontving in dat jaar voorts het laatste deel van zijn startersuitkering van € 4.262,- blijkens de aangifte IB 2018. Gezien deze inkomsten, en rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de toepasselijke heffingskortingen, komt het hof uit op een netto besteedbaar inkomen van € 2.196,- per maand. Gelet op hetgeen in 5.5 uiteen is gezet, mocht van de man in 2018 worden verwacht – en was hij in staat - een bedrag van € 15.648,- van zijn vermogen aan te wenden ter suppletie van zijn startersuitkering en winst.

5.8

Op 6 oktober 2018 is de man opgenomen in het ziekenhuis met hartklachten, waarna op 18 oktober 2018 een pacemaker/ICD is ingebracht. Als gevolg hiervan was hij drie maanden arbeidsongeschikt. De onder 5.7 vermelde winst in 2018 is volgens de man gebaseerd op negen maanden werk. Gevraagd naar de prognose van 2019 heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij per 1 februari 2019 een nieuwe opdracht heeft gekregen. Het hof acht het redelijk om uit te gaan van een winst uit onderneming in 2019 van € 30.000,-, welk bedrag de man naar het oordeel van het hof, ook gelet op zijn gezondheid, in redelijkheid zou moeten kunnen verwerven. Dit brengt mee dat hij een netto besteedbaar inkomen heeft van € 2.300,- per maand en dat hij in 2019 naar verwachting € 14.400,- van zijn vermogen dient aan te wenden ter suppletie van zijn winst.

5.9

Gezien hetgeen is overwogen, gaat het hof ervan uit dat de man eind 2019 € 45.735,- van zijn vermogen heeft opgesoupeerd om zijn inkomen aan te vullen tot het niveau zoals ten tijde van het tekenen van het echtscheidingsconvenant. Dat betekent dat alsdan ruim voldoende resteert om in ieder geval nog in 2020 en een aanzienlijk deel van 2021 zijn ten opzichte van zijn inkomen ten tijde van het tekenen van het echtscheidingsconvenant lagere inkomen aan te vullen tot het niveau van zijn voormalige loon uit dienstbetrekking.

Gelet op dit tijdpad is het hof met de rechtbank van oordeel dat het thans niet aangaat een precieze termijn te noemen waarbinnen de man nog in staat moet worden geacht de bijdrage voor [de minderjarige] te voldoen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het op dit moment nog lastig te voorspellen is hoe de winst van de man zich ontwikkelt. Daarnaast wordt [de minderjarige] [in] 2020 meerderjarig. In hun echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat zij alsdan samen met [de minderjarige] zullen overleggen over zijn bijdrage. Op dat moment zullen partijen en [de minderjarige] dan ook samen, aan de hand van de situatie van dat moment, afspraken moeten maken over het bestrijden van de kosten van levensonderhoud en studie van [de minderjarige] .

Het hof zal het verzoek van de man daarom afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M. Groenleer, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 4 juni 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.